In deze Advieswijzer worden de belangrijkste wijzigingen van de Wtp toegelicht en verwerkt in de vereiste tijdslijnen. Ook worden uitzonderingen benoemd en toegelicht.
Het ‘oude’ pensioensysteem voldeed niet meer aan de eisen van de moderne maatschappij en de actuele arbeidsmarkt. Daarom is in 2010 afgesproken om de pensioenleeftijd, zowel van de AOW als de werkgever, te verhogen. Deze staat nu op 67 jaar en 3 maanden per 2028 voor de AOW en 68 jaar voor de werkgever en stijgt naarmate de levensverwachting verder toeneemt. Het pensioen mag op z’n vroegst (nog maar) tien jaar voor de AOW-datum ingaan, maar dan hoeft geen ‘niet-meer-werken verklaring’ te worden afgegeven. Na ingang van het pensioen mag dus gewoon – of na een aantal jaren – (door)gewerkt worden.
Verder stond de zogenaamde doorsneepremie onder druk, nu de meeste werknemers niet meer hun hele arbeidzame leven bij dezelfde werkgever en/of in dezelfde branche werkzaam zijn. Daardoor zou je als ‘jongere’ te veel premie, en als ‘oudere’ te weinig premie betalen voor je (middelloon)pensioenaanspraken. Ook moet ervoor gezorgd worden dat zo veel mogelijk werkenden – jongeren, flexwerkers en zzp’ers – pensioen kunnen en gaan opbouwen, als pensioen of als lijfrente. En tot slot ‘verpersoonlijkt’ de maatschappij en er is meer behoefte aan keuzes en maatwerk.
De kritiek op het oude pensioensysteem van ‘ouderen’ was voorts dat er onvoldoende ruimte was om te profiteren van goede beleggingsresultaten, zeker bij een dalende/lage marktrente, dat terwijl er altijd een inflatievast pensioen was gecommuniceerd.
Dit alles heeft uiteindelijk geresulteerd in de nieuwe Wtp met vier uitgangspunten.
Alle pensioenregelingen moeten per 2028 voldoen aan de wet. Dit geldt voor:
1. Alle pensioenregelingen worden premieovereenkomsten (beschikbare premieregelingen) en kennen een maximale premie-inleg van 30%. Iedere werknemer krijgt dan dezelfde premie toegezegd en er is geen onderscheid meer tussen jong en oud. De bekende beschikbare premiestaffels worden, behoudens een overgangsregime, afgeschaft. Ook de lijfrenteaftrek is verhoogd van 13,3% naar 30%, met ook nog een uitbreiding van de reserveringsruimte (‘inhaalpremie over de afgelopen jaren’). En deze 30% wordt eerst per 1 oktober 2034 herzien, afhankelijk van de dan geldende marktrente, en kan dan hoger of lager uitvallen.
Let op! Er komt geen pensioenplicht!
2. Middelloonregelingen en beschikbare premieregelingen op basis van stijgende staffels zijn vanaf 2028 verboden. Er bestaan alleen nog premieovereenkomsten met een flatratepremie: de solidaire variant en de flexibele variant. Daarnaast bestaat nog de premie-uitkeringsovereenkomst.
3. De solidaire premieovereenkomst wordt door de verplichte bedrijfstakpensioenfondsen uitgevoerd en kenmerkt zich door collectieve beleggingen en een verplichte solidariteitsreserve, primair om pensioenverlagingen te mitigeren, ter grootte van maximaal 15% van het fondsvermogen.
De flexibele premieovereenkomst wordt met name door ondernemingspensioenfondsen en in de vrije markt toegezegd. Deze kenmerkt zich door meer keuzevrijheid qua beleggingen, maar kan ook een risicodelingsreserve in de uitkeringsfase kennen, van ook maximaal 15% van het fondsvermogen. Deze mag dan niet gevuld worden uit rendement vanuit de persoonlijke kapitalen, maar is wel wederom bedoeld om pensioenverlagingen na ingang te mitigeren.
De premie-uitkeringsovereenkomst tot slot is de variant om vanaf 15 jaar voor pensioendatum jaarlijks een deel van de beleggingen om te zetten in een (uitgestelde) vaste pensioenuitkering. Alleen verzekeraars kunnen dit aanbieden.
Alle pensioenen worden ingevaren (lees: omgezet) in een persoonlijk pensioenkapitaal. Dát kapitaal is vervolgens bepalend voor de hoogte van het pensioen, waarbij jaarlijks beleggingsresultaat én wijziging in de levensverwachting worden verwerkt. Omdat de initiële uitkering gebaseerd is op een relatief laag verwacht (projectie)rendement én er een solidariteits- of risicodelingsreserve is, is de kans op verlagingen na ingang normaliter niet erg groot.
4. Er komt meer keuzevrijheid en maatwerk. Vooralsnog is dit onderdeel beperkt uitgebreid ten opzichte van de reeds bestaande mogelijkheden. Feitelijk is alleen het bedrag ineens, ofwel de lumpsum van 10% (van het pensioenkapitaal) op pensioendatum, erbij gekomen als flexibiliseringselement. Dit is overigens pas per 1 juli 2026 mogelijk zoals het er nu uitziet. Dit mag dan niet in combinatie met een hoog/laag-pensioen. Alle andere flexibiliseringselementen, zoals eerder of later met (deeltijd)pensioen, een hoog/laag-pensioen, uitruil ouderdoms- en partnerpensioen en bijsparen, bestonden al en blijven uiteraard.
Let op! Ook al mogen zittende werknemers per eind 2027 hun bestaande regeling houden, wellicht willen ze toch kiezen voor de nieuwe regeling voor nieuwe werknemers. Dat is geen recht. In sommige cao’s is dit wel afgesproken!
De sociale partners verzoeken het pensioenfonds om de opgebouwde pensioenen in te varen, of niet. Als dit niet wordt verzocht, blijft het huidige systeem, het zogenaamde Financieel ToetsingsKader (FTK), van kracht en blijft de dekkingsgraad primair bepalend of er geïndexeerd kan worden en/of de pensioenen zelfs verlaagd worden.
Als er wel wordt ingevaren, dan mag het pensioenfonds de dekkingsgraadbuffer gebruiken voor een invaarbonus, dus een verhoging van alle pensioenen, en/of voor compensatie van 45-plussers. Ook de solidariteitsreserve wordt ermee gevuld.
Omdat de doorsneepremie wordt afgeschaft, en dus 45-plussers niet meer kunnen profiteren van premiesubsidie van jongeren, moeten zij adequaat gecompenseerd worden voor het gemis aan toekomstige opbouw. Dit wordt bij pensioenfondsen veelal uit de buffer gefinancierd, en soms ook uit de premie van de (jongere) actieven. ‘Adequaat’ is niet wettelijk vastgelegd en hoeft dan ook niet op de euro nauwkeurig te zijn. Gedurende tien jaar mag dan 3% extra pensioenpremie worden gegeven als compensatie. Ook nieuwe werknemers krijgen dan recht op dezelfde pensioencompensatie. De compensatiemag echter ook in de vorm van extra salaris; dat geldt dan niet per definitie voor nieuwe werknemers.
Het is altijd een optie om met het pensioenkapitaal op pensioendatum een vast pensioen in te kopen bij een verzekeraar. Dit moet dan wel zijn toegestaan vanuit een (verplichte) solidaire pensioenregeling. Dit impliceert dan ook dat opgebouwde (premievrije) uitkeringsovereenkomsten (middelloon en/of nog eindloon) gewoon in stand kunnen blijven bij verzekeraars en niet hoeven te worden ingevaren. Eventuele indexatie-toezeggingen blijven hierop dan ook van kracht.
Deze kennen een overgangsregime voor alle werknemers die per ultimo 2027 in dienst zijn. Nieuwe werknemers na 2028 moeten wél een flatratepremie krijgen. Als gekozen wordt voor het overgangsregime, hoeft er niet gecompenseerd te worden. Als ook zittende werknemers over (moeten) gaan naar een flatratepremie, dan moeten ook zij wél adequaat worden gecompenseerd, wederom via extra pensioen of salaris.
Het partnerpensioen wordt vereenvoudigd. Allereerst krijgen zowel gehuwden (en dus geregistreerde partners) als samenwonende partners recht op hetzelfde partnerpensioen, áls er partnerpensioen is toegezegd. Er kan dan via een samenlevingsklaring worden aangetoond, zelfs achteraf, dat er sprake is van een samenleving. De hoogte wordt maximaal 50% van het salaris en is diensttijdonafhankelijk. Tot slot wordt het partnerpensioen uitsluitend nog op risicobasis verzekerd. Bij uitdiensttreding (en dus ook bij zzp’er worden) of echtscheiding, vervalt het. Wel kan het dan of vrijwillig worden voortgezet of kan het kapitaal bedoeld voor het ouderdomspensioen worden gebruik voor een voortgezette dekking.
Op de pensioendatum moet dan definitief worden gekozen of met het pensioenkapitaal alleen een ouderdoms- of ook een partnerpensioen wordt aangekocht!
Let op! Het wezenpensioen wordt verplicht tot 25 jaar uitgekeerd. Een andere leeftijd is niet meer toegestaan. Dit geldt ook voor bestaande regelingen!
Omdat de meeste pensioenregelingen een premie kennen lager dan 30%, of niet over het hele salaris pensioen toekennen (inclusief niet over de bijtelling auto van de zaak), zullen de meeste werknemers vrijwillig kunnen bijsparen. Dit kan in pensioen, tot 30% of via een (bancaire) lijfrente, en dan ook over de bijtelling auto van de zaak.
Bij de keus tussen beide vormen van bijsparen, moet bedacht worden dat een pensioenuitkering altijd levenslang is, bij overlijden vervalt en vaak collectief wordt beheerd. Een lijfrente kan ook een tijdelijke uitkering kennen van minimaal vijf jaar en maximaal € 27.192 (2026) per jaar. En het niet-uitgekeerde kapitaal vererft altijd bij een bancaire lijfrente, naast het (meer) persoonlijke vermogensbeheer.
Een ‘levenslange’ bancaire lijfrente (van in principe twintig jaar vanaf AOW-datum), hoeft bij ingang na AOW-datum ook nog maar twintig jaar minus dat aantal jaren te duren. Een lijfrente is al met al flexibeler en vererft.
Hoewel vroegpensioen sec geen onderdeel is van de Wtp, is in aanvulling op de Wtp het boetevrije Recht op Vervroegde Uittreding in 2021 geïntroduceerd en per 2026 onbepaald verlengd als invulling van een ‘zware beroepen-regeling’.
Tot een bedrag van € 2.357 per maand, en in echt knellende situaties zelfs € 2.657 per maand, mag een werknemer vanaf drie jaar voor AOW-datum ‘met RVU’, zonder (loonbelasting) boete voor de werkgever. Per cao of bedrijf mag dit worden geregeld. Daarnaast kan er invulling worden gegeven aan ‘vroegpensioen’, door alle flexibiliseringsmogelijkheden te combineren tot een ‘generatieregeling’. Bijvoorbeeld vanaf vijf jaar voor AOW-datum een verkorte werkweek tot 70%, met behoud van 80% salaris en 90% pensioenopbouw. Alles tussen 50 en 100%, vanaf tien jaar voor AOW-datum, is toegestaan. Ook demotie is een vorm van vroegpensioen voor ‘zware beroepers’.
Dit kan de werknemer dan vervolgens zelf combineren met deeltijdpensioen, hoog/laag en overbrugging van de AOW, en uiteraard privévoorzieningen.
Gezien de vergrijzing en verkrappende arbeidsmarkt zal er de komende jaren dan ook veel aandacht moeten zijn voor employability & pensioen.
Ook dit is gelijk met Wtp door de sociale partners afgesproken, primair op initiatief van de vakbonden. Maar deze wordt niet voor 2030 verwacht, met name gezien de onuitvoerbaarheid door het UWV. En zelfs dan komen er nog diverse opting-out mogelijkheden.
Het is te verwachten dat na de transitieperiode er (nog) meer flexibiliseringsmogelijkheden komen. Te denken valt aan herziene keuzemogelijkheden na ingang en gebruik pensioengeld vóór ingang, bijvoorbeeld voor scholing, mantelzorg, maar ook voor een sabbatical.
Een algehele pensioenplicht ligt nog niet in het verschiet, evenmin als afschaffing van de verplichtstelling.
De totale tijdslijn voor de doorvoering was/is dan ook als volgt:
Het is van belang dat u als werkgever zelf goed weet waar u op moet letten. Ook moet u uw werknemers duidelijkheid verschaffen en op tijd meenemen in het proces. Denk hierbij aan:
Let op! Het gehele traject om over te stappen naar de nieuwe Wtp duurt ten minste acht tot twaalf maanden. Bent u nog niet begonnen, start dan nu direct!

Per 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden. Er geldt een overgangsregeling tot 2028. Dat betekent dat per 2028 alle pensioenregelingen aangepast moeten zijn aan de Wtp, al dan niet gebruikmakend van de diverse overgangsregelingen.
LEES VERDER
De mogelijkheid om stikstof uit te stoten hangt af van de vereiste omgevingsvergunning. In sommige gevallen kan de hoeveelheid uit te stoten stikstof, de stikstofdispositieruimte, worden gebruikt door andere ondernemers. Deze betalen hiervoor een prijs aan de ondernemer, die de na wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten de stikstofdispositieruimte aanbiedt.
De Belastingdienst neemt het standpunt in dat stikstofdispositieruimte een zelfstandig bedrijfsmiddel is. In een eerder Besluit (d.d. 27 oktober 1998, nr. DB98/2669M) is het standpunt ingenomen dat ammoniakrechten een zelfstandig bedrijfsmiddel vormen. Omdat stikstofdispositieruimte hiermee vergelijkbaar is, geldt dit daarom ook voor deze rechten. Ook rechtspraak uit het verleden steunt deze zienswijze.
De Belastingdienst geeft aan dat afschrijven op stikstofdispositieruimte niet mogelijk is. De omgevingsvergunning waarmee de stikstofdispositieruimte verbonden is, kent namelijk geen einddatum.
Aangegeven wordt dat het mogelijk is een HIR te vormen voor de ontvangen vergoeding die betaald wordt voor de mogelijkheid stikstof uit te stoten. Het is immers een verkregen vergoeding voor de vervreemding van een zelfstandig bedrijfsmiddel. Uiteraard moet voldaan worden aan de voor een HIR geldende voorwaarden.
Het is niet mogelijk deze HIR af te boeken op nieuwbouw als een ondernemer na beëindiging van stikstofbelastende activiteiten hierin investeert. Een investering in nieuwbouw dient namelijk te worden afgeschreven in meer dan tien jaar. De HIR vereist dan dat de nieuwe investering eenzelfde economische functie heeft als de vervreemde investering. Het huisvesten van bedrijfsactiviteiten heeft niet dezelfde economische functie als die van de stikstofdispositieruimte, namelijk een vergunning om bepaalde activiteiten te verrichten. Het afboeken op de HIR is daarom dan ook niet mogelijk.

De Belastingdienst heeft een standpunt bekendgemaakt over stikstofdispositieruimte. Het standpunt betreft de mogelijkheid tot afschrijven en het toepassen van de herinvesteringsreserve (HIR) op de stikstofdispositieruimte.
LEES VERDER
Of u kwijtschelding krijgt als erfgenaam voor de belastingschulden van de overledene, hangt af van uw (financiële) situatie. Is er voldoende financiële draagkracht, dan krijgt u geen kwijtschelding.
Let op! U kunt alleen kwijtschelding krijgen als u daarom verzoekt. Dit doet u met een door de Belastingdienst beschikbaar gesteld formulier.
U bent partner van de overledene als u met hem/haar getrouwd was of een geregistreerd partnerschap had. In zo’n geval kijkt de Belastingdienst bij het beoordelen van de kwijtschelding ook naar uw eigen financiële omstandigheden.
Bent u echter alleen erfgenaam en geen partner van de overledene? Dan kijkt de Belastingdienst niet naar uw eigen financiële omstandigheden. De Belastingdienst kijkt dan vooral of de belastingschuld (deels) uit de erfenis betaald kan worden.
Als u van tevoren weet dat de nalatenschap meer schulden dan bezittingen bevat, kunt u deze misschien beter niet aanvaarden, maar verwerpen. Een andere mogelijkheid is beneficiair aanvaarden. In zo’n geval aanvaardt u de erfenis, onder voorwaarde dat u niet privé aansprakelijk bent voor de schulden uit de erfenis.
Tip! De Belastingdienst heeft online informatie over wat u kunt doen bij een belastingschuld van een overledene. Neem voor advies over uw eigen situatie contact op met onze adviseurs.

Als een overledene belastingschulden heeft, kan de Belastingdienst deze in bepaalde gevallen kwijtschelden bij de erfgenamen. Voor erfgenamen die geen partner zijn van de overledene, zijn er wellicht ruimere mogelijkheden.
LEES VERDER
Voor de waarde van maaltijden in bedrijfskantines of soortgelijke ruimtes of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie, bedraagt het normbedrag in 2026 € 4,05. In 2025 bedroeg dit bedrag nog € 3,95.
Let op! Het normbedrag – verminderd met een eventuele bijdrage van uw werknemer – is loon voor uw werknemer.
Tip! U kunt er ook voor kiezen om dit loon aan te wijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte. In dat geval betaalt u werknemer hier geen loonbelasting over. U bent dan 80% eindheffing verschuldigd als het totaal van aangewezen loonbestanddelen de vrije ruimte in een jaar overschrijdt.
Voor de extra kosten die verbonden zijn aan thuiswerken kunt u, onder voorwaarden, een onbelaste vergoeding geven aan uw werknemer. Deze onbelaste vergoeding bedraagt in 2026 € 2,45 per dag. In 2025 was dit nog € 2,40.
Verzorgt u huisvesting op de werkplek, dan kan daar onder voorwaarden een nihilwaardering voor gelden. Als deze nihilwaardering niet van toepassing is en er geen sprake is van een (dienst)woning, kunt u onder voorwaarden voor de waarde van de huisvesting in 2026 het normbedrag van € 7,00 per dag aanhouden. In 2025 bedroeg dit normbedrag nog € 6,80 per dag.
Het bedrag van de onbelaste reiskostenvergoeding is in 2026 net als in 2025 € 0,23 per kilometer.

Binnen de werkkostenregeling bestaan verschillende normbedragen, bijvoorbeeld voor maaltijden, thuiswerken, huisvesting op de werkplek en reiskosten. Welke normbedragen gelden in 2026?
LEES VERDER
Veelal wordt geschonken aan kinderen. Hiervoor gelden dan ook de meeste vrijstellingen, die ook voor 2026 zijn geïndexeerd. U mag aan ieder kind in 2026 € 6.908 belastingvrij schenken (2025: € 6.713).
Er geldt ook een tweetal eenmalig verhoogde vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan hun kinderen. Zo mogen ouders in 2026 aan ieder kind in de leeftijd tussen de 18 en 40 jaar – uiterlijk op de 40e verjaardag – eenmalig een bedrag van € 33.129 (2025: € 32.195) schenken.
Let op! Als u dit eenmalig verhogde bedrag in 2026 schenkt, mag u uw kind niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij schenken.
Volgt uw kind een dure studie? Dan mag u eenmalig een bedrag van € 69.009 (2025: € 67.064) aan uw kind tussen 18 en 40 jaar schenken ter financiering hiervan. Aan deze schenking is een aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de studie minstens € 20.000 per jaar kosten, exclusief de kosten van het levensonderhoud. U moet de schenking notarieel vastleggen. Ook moet u kunnen aantonen dat de schenking daadwerkelijk voor de studie gebruikt is.
Let op! Ook hier geldt dat als u dit bedrag schenkt, u uw kind in dat jaar niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij mag schenken.
Let op! U mag de verhoogde vrijstellingen alleen gebruiken als er in het verleden niet eerder gebruikgemaakt is van een verhoogde vrijstelling. Dit geldt ook voor de verhoogde vrijstelling die enige jaren gold ten behoeve van een eigen woning.
Schenkt u een bedrag aan een ander dan uw kind, bijvoorbeeld aan uw kleinkind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 2.769 (2025: € 2.690).
Let op! Alle genoemde vrijstellingen gelden per kalenderjaar.
Schenkt u meer dan de genoemde bedragen, dan betalen uw kinderen in 2026 10% belasting over een bedrag tot € 158.669 (2025: € 154.197). Over het meerdere betalen ze 20% belasting. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18% belasting over een bedrag tot € 158.669 en 36% over het meerdere. Voor alle anderen bedraagt het tarief 30% tot € 158.669 en 40% over het meerdere.
Naast de bedragen van de vrijstellingen in de schenkbelasting, zijn ook de vrijgestelde bedragen in de erfbelasting verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Dit levert de onderstaande vrijstellingen op:
| 2025 | 2026 | |
| Vrijstelling partner | € 804.698 | € 828.035 |
| Vrijstelling invalide kind | € 76.453 | € 78.671 |
| Vrijstelling (klein)kinderen | € 25.490 | € 26.230 |
| Vrijstelling ouder | € 60.359 | € 62.110 |
Met betrekking tot bovenstaande vrijstellingen is van belang dat kinderen die geen juridische band hebben met hun biologische ouder gelijkgesteld worden aan kinderen die deze band wel hebben. Over schenkingen en erfenissen van hun biologische, maar niet juridische ouder, gelden voortaan dus dezelfde vrijstellingen.

Ook in 2026 kunt u weer gebruikmaken van de jaarlijkse schenkvrijstellingen. Tot welke bedragen kunt u belastingvrij schenken? Wat is er daarnaast nog gewijzigd met betrekking tot belastingvrij schenken?
LEES VERDER
De gebruikelijkloonregeling geldt voor elke aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een bv die ook werkzaamheden verricht voor die bv.
Let op! Verricht uw fiscale partner ook werkzaamheden voor de bv, dan moet ook voor uw partner een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen.
Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan in 2025 toen dit nog € 56.000 bedroeg.
Tip! Komt het berekende loon hoger uit dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag u uw gebruikelijk loon vaststellen op dat lagere loon. De discussie met de Belastingdienst hierbij zal met name gaan over de vraag of het door u gestelde loon inderdaad het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.

Een dga die werkt voor zijn eigen bv moet een gebruikelijk loon genieten uit zijn bv. Het normbedrag binnen de gebruikelijkloonregeling stijgt per 2026 naar € 58.000.
LEES VERDER
Bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding dient onder meer gekeken te worden naar eerdere dienstverbanden als deze zes maanden of korter geleden zijn beëindigd. In een aan de Hoge Raad voorgelegde zaak, ging het om een werknemer die door de werkgever binnen zes maanden na diens ontslagname was teruggevraagd. Er was vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten. Naar de letter van de wet telt dan het oude dienstverband mee.
De nieuwe arbeidsovereenkomst werd later door de kantonrechter ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie (de zogenaamde g-grond). De werknemer was het vervolgens niet eens met de berekening van de transitievergoeding.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het meenemen van het eerdere dienstverband, beëindigd door de werknemer zelf, niet overeenkomstig de geest van de wet is zoals deze naar voren komt uit de parlementaire stukken en de wet dus niet zo moet worden uitgelegd.
Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke wetsuitleg mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer – zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever – niet worden meegerekend bij de toepassing van de wet, waar het gaat om de samentelling van dienstverbanden ter bepaling van de hoogte van de transitievergoeding.
In deze casus hoefde de werkgever bij het vaststellen van een transitievergoeding dus niet de eerdere arbeidsovereenkomst mee te rekenen in de uiteindelijke transitievergoeding.

De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het brutomaandsalaris verschuldigd. Is dat altijd het geval?
LEES VERDER
Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad.
Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.
Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.
Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.
Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.
U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.
LEES VERDER
Mag dan bij de waardebepaling hiervan rekening worden gehouden met een lagere waarde vanwege duurzame bewoning? En zo ja, in welke mate?
In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Holland kwam deze vraag aan de orde bij de aangifte van een fysiotherapeut die zijn bedrijf gestaakt had. Hij voerde zijn praktijk vanuit het bedrijfsdeel van een woon-bedrijfspand, die hij als ondernemingsvermogen had aangemerkt. Bij het staken van zijn bedrijf ging dit bedrijfsdeel over naar privé en moest hij fiscaal afrekenen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het bedrijfsdeel. Bij de berekening van de werkelijke waarde had hij met lagere waarde vanwege duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel rekening gehouden.
De Belastingdienst accepteerde die lagere waarde niet, omdat het bedrijfsdeel alleen gebruikt werd voor ondernemingsactiviteiten en niet voor duurzame zelfbewoning.
De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast dat er sprake is van een lagere waarde door duurzame zelfbewoning, bij de fysiotherapeut lag. Verder stelde de rechtbank dat volgens eerdere rechtspraak het bedrijfsdeel voor de overgang naar privé al duurzaam bewoond moet zijn.
De fysiotherapeut moest dus aannemelijk maken dat ook het bedrijfsgedeelte al voor de staking van zijn onderneming duurzaam door hem bewoond werd. Dat deed hij onder meer door aannemelijk te maken dat het bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk kon worden verhuurd of verkocht, zonder vergaande afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte. Het praktijkgedeelte van het pand had daarnaast weliswaar een eigen opgang, maar had geen eigen sanitair of aansluitingen voor gas en elektra. Ook was er slechts een dunne scheidingswand met het privégedeelte aanwezig en bevond zich hierin een doorgang. Tot slotvormde het pand één kadastraal geheel, zodat het bedrijfsdeel niet zelfstandig verkocht kon worden.
De rechtbank stelde op grond van de argumenten en aangevoerde feiten door de fysiotherapeut vast, dat het pand na staking uitsluitend voor privédoeleinden bestemd was. De conclusie luidde dan ook dat met de duurzame zelfbewoning rekening moest worden gehouden bij de waardebepaling van het bedrijfsdeel.
De Belastingdienst probeerde het nog wel over een andere boeg. De rechtbank ging echter niet mee met de stelling van de inspecteur dat het bedrijfsdeel ten onrechte tot het ondernemingsvermogen was gerekend. De rechtbank gaf aan dat over het algemeen de wil van belastingplichtige beslissend is om een gemengd pand al dan niet (deels) tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij dit de redelijkheid te buiten gaat. Dit was hier niet het geval.
De rechtbank besloot vervolgens de waardevermindering vanwege duurzame zelfbewoning vast te stellen op 15%, zich baserend op een goedkeurend besluit van de Belastingdienst uit 2018. De waarde van het praktijkdeel werd overeenkomstig deze vermindering vastgesteld.

Als u voor uw onderneming in de inkomstenbelasting gebruikmaakt van een gedeelte van een pand, terwijl u in het andere deel woont, kunt u het bedrijfsdeel over het algemeen als ondernemingsvermogen aanmerken. Bij staking van uw onderneming gaat het bedrijfsdeel dan over naar privé en moet u hierover fiscaal afrekenen.
LEES VERDER
Let op!Een hoorgesprek hoeft niet plaats te vinden als u verklaart ervan af te willen zien of als u niet binnen een redelijke termijn verklaart ervan gebruik te willen maken.
In een zaak die onlangs tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten, ging het om de vraag of de door de inspecteur gestelde termijn voor het hoorgesprek te kort was. In deze zaak hadden eerst de belastingplichtige en daarna de inspecteur een eerdere afspraak over het hoorgesprek geannuleerd.
De inspecteur stelde daarop een nieuwe termijn voor een hoorgesprek vast, maar het hoorgesprek moest dan al vier of vijf dagen later plaatsvinden. Tussen de verzenddatum van de uitnodigingbrief en de genoemde termijnen lag bovendien een weekend. Omdat hierop niet werd gereageerd, werd het bezwaar door de inspecteur afgewezen.
De belastingplichtige stelde dat de termijn voor het hoorgesprek te kort was. Hij kreeg van de rechtbank en het gerechtshof geen gelijk, maar in cassatie van de Hoge Raad wel. Die noemde de door de inspecteur gestelde termijn onaanvaardbaar kort.
De inspecteur had gesteld dat hij de eerdere afspraak voor het hoorgesprek had geannuleerd, omdat hij in afwachting was van nadere informatie over het geschil. De Hoge Raad vond dit niet van belang. Dat de zaak al langere tijd speelde en dat de belastingplichtige dus genoeg tijd had gehad zich op het hoorgesprek voor te bereiden, was in de ogen van de Hoge Raad evenmin een argument een dermate korte termijn te stellen. Dat gold ook voor het feit dat de inspecteur gedwongen was op korte termijn op het bezwaar te beslissen, omdat anders een dwangsom verschuldigd zou zijn.
De Hoge Raad besliste dan ook dat de inspecteur opnieuw uitspraak moest doen op het bezwaar.

Als u het met een belastingaanslag niet eens bent, kunt u bezwaar aantekenen. Voordat de inspecteur op uw bezwaar beslist, stelt hij u in de gelegenheid over uw bezwaar te worden gehoord. De inspecteur dient u van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. De termijn hiervoor moet redelijk zijn en niet te kort. Wanneer is sprake van ‘te kort’? Een casus.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE