ACTUEEL

Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.
Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.

Met welke belastingen je te maken krijgt bij de aankoop van een vakantiewoning, is afhankelijk van je (persoonlijke) omstandigheden en de wijze van gebruik van de vakantiewoning. Deze advieswijzer bevat algemene informatie en kan niet zonder meer uitsluitsel geven over jouw specifieke situatie.

Let op! Houd bij de aanschaf van een vakantiewoning rekening met het feit dat de heffing in box 3 over je vermogen, waaronder een vakantiewoning, is veranderd en in de toekomst (hoogstwaarschijnlijk vanaf 2028) weer verandert. Gezien deze (toekomstige) wijzigingen in box 3 en de verhoging van het btw-tarief op de verhuur van de vakantiewoning van 9 naar 21% vanaf 2026, is het van belang dat je je extra goed laat informeren.

Omzetbelasting

Omzetbelasting bij aankoop

Koopt je een nieuwe – nog niet eerder gebruikte – vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden. Koop je een vakantiewoning die al meer dan twee jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, dan zal hierover geen btw berekend worden. Op verzoek van zowel koper als verkoper kan in een dergelijk geval toch btw berekend worden als je de vakantiewoning voor 90% of meer gaat gebruiken voor met btw belaste activiteiten. De keuze om toch btw te berekenen, kunje vastleggen in de notariële akte van levering.

Let op! De hiervoor beschreven gevolgen voor de btw gelden als de vakantiewoning als ‘onroerend’ wordt aangemerkt. De vakantiewoning is onroerend als deze duurzaam met de grond verenigd is of in ieder geval naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. In sommige situaties zal een vakantiewoning roerend zijn en kunnen andere gevolgen voor de btw gelden.

De btw die bij de aankoop berekend wordt, kunje in sommige gevallen terugvragen bij de Belastingdienst. Dit is afhankelijk van de wijze van gebruik van de vakantiewoning: koop je de vakantiewoning alleen voor eigen gebruik of verhuur je deze ook (gedeeltelijk)?

Eigen gebruik vakantiewoning

Als je de vakantiewoning alleen zelf gebruikt en niet verhuurt aan anderen, kun je de btw die bij de aankoop berekend is niet terugvragen bij de Belastingdienst.

Verhuur vakantiewoning

Verhuur je de vakantiewoning aan anderen, dan kun je mogelijk de btw die bij de aankoop berekend is wel (gedeeltelijk) terugvragen bij de Belastingdienst. De verhuur van de vakantiewoning moet dan zodanig zijn dat sprake is van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. De vraag is wanneer hiervan sprake is. Die vraag is niet in alle gevallen eenvoudig te beantwoorden en afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Van belang daarbij is met name of de verhuur van de vakantiewoning erop gericht is om duurzaam opbrengst hieruit te krijgen. Daarvan zal bij een incidentele verhuur van de vakantiewoning geen sprake zijn. Vraag daarbij is uiteraard wanneer de verhuur incidenteel is. Daar zijn helaas geen harde cijfers voor beschikbaar.

Let op! Twijfel je of je wel of niet btw-ondernemer bent voor de verhuur van je vakantiewoning? Je kunt door middel van een verzoek tot vooroverleg de Belastingdienst vragen een standpunt hierover in te nemen. Verschil je van mening, dan kun je de zaak altijd voorleggen aan de belastingrechter door in beroep te gaan tegen de beslissing van de Belastingdienst over al dan niet in rekening gebrachte btw.

Of je de btw geheel dan wel gedeeltelijk terug kunt vragen, is afhankelijk van je eigen gebruik van de vakantiewoning. Gebruikje de vakantiewoning zelf niet, maar wordt deze alleen verhuurd, dan kunje de volledige btw over de aankoop terugvragen. Gebruikje de vakantiewoning ook voor eigen gebruik, dan kunje slechts het deel dat betrekking heeft op de verhuur terugvragen.

Voorbeeld
Je koopt in 2026 een vakantiewoning voor € 121.000 (inclusief btw). De vakantiewoning wordt in 2026 voor 70% verhuurd en voor 30% door jezelf gebruikt. Van de btw bij aankoop (€ 21.000) kunje dan in 2026 € 14.700 (70%) terugvragen bij de Belastingdienst.

Let op! Om btw te kunnen terugvragen, dien je je als ondernemer voor de omzetbelasting aan te melden bij de Belastingdienst. Inschrijven als ondernemer bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel is niet nodig.

Als de Belastingdienst van mening is dat je voor de verhuur van de vakantiewoning ondernemer bent voor de btw en je dus uw btw kunt terugvragen, dienje in 2026 21 % btw over de huur te berekenen en af te dragen aan de Belastingdienst. Dit lijkt financieel nadelig, maar hier staat tegenover dat je de btw bij aankoop, en ook de btw met betrekking tot de bij je in rekening gebrachte kosten voor de vakantiewoning, in aftrek kunt brengen (na toepassing van een correctie voor het eigen gebruik van de vakantiewoning).

Vervolg voorbeeld
In 2026 ontvang je € 6.050 (inclusief 21% btw) uit de verhuur van de vakantiewoning. Je betaalt € 1.210 (inclusief 21% btw) aan kosten voor de vakantiewoning. In 2026 draag je € 1.050  btw af. Van de € 210 btw over de kosten die je hebt gemaakt, kunje 70% (€ 147) terugvragen, omdat de woning voor 70% wordt verhuurd. Per saldo bedraagt jouw teruggaaf in 2026 € 13.797  (€ 14.700 btw + € 147 btw - € 1.050  btw).

KOR

Moet je in een jaar per saldo btw betalen, dan kun je mogelijk gebruikmaken van de kleineondernemersregeling (de KOR).

De KOR betekent dat je tot een omzet van € 20.000 kunt kiezen om geen btw in rekening te brengen. In dat geval kunje ook geen btw terugvragen.

Als je de KOR wil toepassen, dien je dit uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het aangiftetijdvak waarin je de KOR wil laten ingaan te melden bij de Belastingdienst.

Let op! Als je in een jaar tussentijds de omzetgrens van € 20.000 per jaar bereikt, geldt de KOR vanaf dat moment niet meer. Je moet je dan afmelden voor de KOR. Afmelden kan overigens ook vrijwillig zonder dat de omzetgrens van € 20.000 per jaar wordt overschreden. Is jouw deelname aan de KOR beëindigd en wil je opnieuw deelnemen, houd dan rekening met een periode waarin je niet kunt deelnemen aan de KOR. Dit is de rest van het kalenderjaar waarin je je hebt g afgemeld én het kalenderjaar daarop.

Let op! Je moet wellicht een deel van de afgetrokken btw op de vakantiewoning terugbetalen als je er in 2026 voor kiest om deel te nemen aan de KOR. Dit is het geval als er na het jaar van aankoop van de vakantiewoning minder dan negen jaar zijn verstreken. Neem dit mee bij jouw keuze of neem hierover contact met ons op.

Wanneer je een jaaromzet van maximaal € 2.200 hebt, dan kunje de KOR voor de btw toepassen zonder dit te melden bij de Belastingdienst. Heb je je echter al eerder aangemeld als btw-ondernemer bij de Belastingdienst, dan kun je niet gebruikmaken van deze regel. Je moet je dan alsnog aanmelden voor de KOR bij de Belastingdienst als je de KOR wilt toepassen.

Ontvangen of terugbetalen aankoop-btw bij gewijzigd gebruik of verkoop

Als het eigen gebruik van de vakantiewoning wijzigt, wordt de btw die je in aftrek hebt gebracht herzien. Wordt het eigen gebruik groter, dan zul je mogelijk btw terug moeten betalen. Daalt het eigen gebruik, dan krijgje mogelijk (extra) btw terug. Deze herziening moet je gedurende de negen jaar volgend op het jaar van ingebruikneming jaarlijks uitvoeren. De herziening vindt plaats op 1/10 deel van de aankoop-btw. Herziening blijft achterwege als deze minder dan 10% bedraagt van de aan het jaar toe te rekenen reeds in aftrek gebrachte btw.

Voorbeeld
In 2027 wordt de vakantiewoning voor 60% verhuurd en voor 40% door jezelf gebruikt. Je moet een herziening toepassen op 1/10 van € 21.000 = € 2.100. Van deze € 2.100 heb je 70% (= € 1.470) terugontvangen. In 2027 heb je echter maar recht op 60% (= € 1.260). Het verschil bedraagt € 210. Dit is hoger dan 10% van de aan 2027 toe te rekenen al in aftrek gebrachte btw (10% van € 1.470 = € 147). De herziening blijft daarom niet achterwege en je moet in 2027 € 210 aan btw terugbetalen.

Let op! Als je de aankoop-btw hebt teruggevraagd, wordt jouw vakantiewoning in het jaar van aankoop en de negen jaren daaropvolgend voor de btw dus gevolgd. Herziening van btw vindt niet alleen plaats bij wijziging in het gebruik zoals in het voorbeeld hiervoor, maar ook als je bijvoorbeeld de woning alleen nog maar zelf gebruikt (en dus niet meer verhuurt) of als je de woning verkoopt zonder btw. In de laatste twee gevallen zulje de volledige btw over de nog resterende jaren in één keer moeten terugbetalen.

Voorbeeld
Op 1 januari 2028 verkoopje de vakantiewoning aan een particulier, die deze gaat gebruiken voor eigen gebruik. Volgens de wettelijke regels kunje geen btw berekenen over deze verkoop. Heb jede vakantiewoning in 2022 gekocht, dan moet je de in 2022 in aftrek gebrachte btw over de nog resterende periode herzien. Op 1 januari 2028 zijn vijf van de negen herzieningsjaren verlopen. Dit betekent dat je nog voor vier jaren 1/10 van € 14.700 moet terugbetalen aan de Belastingdienst, tezamen € 5.880 (= viermaal € 1.470).

Tip! Verkoop je de vakantiewoning uit het voorbeeld na 31 december 2031, dan heeft dit geen gevolgen meer voor de in 2022 in aftrek gebrachte btw bij aankoop.

Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden waardoor je de btw die je bij aankoop hebt teruggekregen niet hoeft terug te betalen. Gaat de koper de woning bijvoorbeeld voor meer dan 90% voor met btw belaste activiteiten gebruiken, dan kun je mogelijk op verzoek de vakantiewoning toch met btw verkopen. Het voordeel hiervan is dat je dan niet de aankoop-btw hoeft te herzien. Ook bij verkoop binnen twee jaar na de eerste ingebruikname van de vakantiewoning wordt de verkoop met btw belast en treedt hetzelfde effect op. Zet de koper van jouw vakantiewoning jouw activiteiten van verhuur ongewijzigd voort, dan is het misschien zelfs mogelijk om de woning zonder btw te verkopen en hetzelfde effect te bereiken. Hiervoor moet de verkoop van de woning kunnen worden aangemerkt als overdracht van een algemeenheid van goederen.

Tip!  De verkoop van je vakantiewoning kan diverse btw-gevolgen hebben. Laat je daarom, voordat tot verkoop wordt overgegaan, altijd eerst adviseren.

Ontvangen of terugbetalen btw diensten bij gewijzigd gebruik of verkoop

Vanaf 2026 geldt ook een btw-herzieningsregeling voor diensten aan onroerende zaken van minimaal € 30.000 (exclusief btw). Herziening kan bij gewijzigd gebruik of verkoop aan de orde zijn in het jaar van ingebruikname van de dienst en in de vier daaropvolgende jaren.

De btw-herzieningsregeling geldt alleen voor diensten die de vakantiewoning meerjarig dienen (investeringsdiensten). Denk hierbij aan het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van de vakantiewoning, maar ook aan met een verbouwing samenhangende sloopwerkzaamheden.

Ook materialen, installaties, machines en werktuigen die opgaan in dienst en na installatie of montage hun zelfstandigheid verliezen, worden gezien als onderdeel van de investeringsdienst.

Alleen investeringsdiensten van minimaal € 30.000 (excl. btw) worden geraakt door de btw-herzieningsregeling voor diensten. De grens van € 30.000 geldt per dienst. Als bijvoorbeeld een schilder voor € 25.000 (excl. btw) de buitenkozijnen en deuren van de vakantiewoning schildert en een elektricien voor € 10.000 (excl. btw) werkzaamheden aan de binnenkant van de vakantiewoning verricht, is de btw-herzieningsregeling niet van toepassing. Beide diensten blijven immers onder de € 30.000.

Box 3-heffing nu

De vakantiewoning zal over het algemeen onderdeel zijn van jouw vermogen in box 3. 

Let op!  Als de exploitatie van je vakantiewoning dusdanige vormen aanneemt dat deze het normale actieve vermogensbeheer te buiten gaat, wordt de vakantiewoning niet belast in box 3, maar worden de inkomsten belast in box 1. Neem voor de beoordeling van jouw situatie contact op met onze adviseurs.

Hoeveel belasting je over jouw vakantiewoning in box 3 in 2026verschuldigd bent, is afhankelijk van de samenstelling van je totale vermogen. Bovendien is dit afhankelijk van de vraag of je werkelijke rendement lager is dan het berekende wettelijke rendement. In dat geval kun je namelijk een beroep doen op de tegenbewijsregeling box 3. Heel kort samengevat:

  • Onder het huidige wettelijke systeem vormt de vakantiewoning een ‘overige bezitting’. Het wettelijke rendement over deze vakantiewoning bedraagt in 2026 6,00  % van de WOZ-waarde. Voor schulden geldt hierbij een negatief wettelijk rendement van voorlopig 2,70 % van de schulden. Het definitieve wettelijke percentage hiervoor wordt begin 2027 vastgesteld. Je betaalt in 2026 een tarief van 36% over het totale berekende wettelijke rendement van jouw gehele vermogen, waarbij je nog rekening kunt houden met een heffingsvrij vermogen van in 2026 € 59.357 per belastingplichtige.
  • Is je werkelijke rendement op je gehele vermogen lager dan het totale berekende wettelijke rendement? Dan kun je een beroep doen op de tegenbewijsregeling box 3. In dat geval betaal je in 2026 een tarief van 36% over je werkelijke rendement. Houd er rekening mee dat wat jij waarschijnlijk verstaat onder  werkelijke rendement iets anders is dan waar de tegenbewijsregeling box 3 van uitgaat. Zo omvat bijvoorbeeld het werkelijke rendement over jouw vakantiewoning niet alleen de ontvangen huur, maar ook de waardeverandering van de vakantiewoning. Kosten mag je daarop voor de berekening van het werkelijke rendement bovendien niet in aftrek brengen, met uitzondering van betaalde rente op schulden. Voor de berekening van het werkelijke rendement hoefde in 2025 nog geen rekening gehouden te worden met een voordeel vanwege eigen gebruik van de vakantiewoning. Vanaf 2026 is dat anders: als werkelijk rendement van eigen gebruik van de vakantiewoning moet de economische huurwaarde worden aangehouden.

Let op! De berekening van de box 3-gevolgen van een vakantiewoning is mede afhankelijk van de samenstelling van je andere vermogen. Ook de berekening van het werkelijke rendement voor de tegenbewijsregeling box 3 is hiervan afhankelijk en bovendien complex. Hoe het een en ander uitpakt, is voor elke belastingplichtige en elke situatie weer anders. Neem voor een advies over jouw situatie daarom contact op met onze adviseurs.

Box 3-heffing vanaf hoogstwaarschijnlijk 2028

Het plan is om vanaf hoogstwaarschijnlijk 2028 een box 3-heffing in te voeren op basis van werkelijk rendement. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. Er zijn echter nog wijzigingen voorzien. Die zijn opgenomen in een op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden novelle op het wetsvoorstel. De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten.

Het werkelijke rendement in het wetsvoorstel wordt anders berekend dan onder de tegenbewijsregeling box 3. Zo is vanaf 2028 waarschijnlijk wel plek voor aftrek van kosten. Voor de vakantiewoning betekent het wetsvoorstel waarschijnlijk grofweg het volgende:

  1. Wordt de vakantiewoning voor minimaal 328 dagen (in een schrikkeljaar 329 dagen) per kalenderjaar verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement de huurinkomsten, verminderd met de jaarlijkse onderhoudskosten en andere periodieke kosten.
  2. Wordt de vakantiewoning het hele kalenderjaar niet verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement een vastgoedbijtelling van 3,35% over de WOZ-waarde, verminderd met de jaarlijkse onderhoudskosten en andere periodieke kosten.
  3. Wordt de vakantiewoning voor minder dan 328 dagen (in een schrikkeljaar 329 dagen) per kalenderjaar verhuurd? Dan bedraagt het werkelijke rendement het hoogste bedrag van de berekening onder punt 1 of 2.

Bij verkoop van de vakantiewoning wordt de vermogenswinst ook tot het werkelijke rendement gerekend.

Let op! Het wetsvoorstel  is dus nog niet definitief.

Overdrachtsbelasting

Bij verkoop van een onroerende zaak is overdrachtsbelasting verschuldigd. Koop je een nieuwe, nog niet eerder gebruikte vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden en geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Dat is mogelijk ook het geval als de woning binnen twee jaar na ingebruikname wordt verkocht. In alle overige gevallen is in 2026  8% overdrachtsbelasting verschuldigd. Dit tarief bedraagt vanaf 2027 7 %.

Tip! Koop je een vakantiewoning inclusief inventaris, dan wordt over het aandeel van de inventaris in de koopsom geen overdrachtsbelasting berekend.

Let op! Het tarief van 2% overdrachtsbelasting geldt alleen voor de woning waarin je zélf voor langere tijd gaat wonen en dus niet voor een tweede woning.

Vrijstelling voor jongeren reguliere woning

Voor jongeren tussen 18 en 35 jaar die zélf voor langere tijd in een woning gaan wonen, geldt in 2026 – onder voorwaarden – een vrijstelling voor woningen met een waarde t/m €  555.000. Maar ook dan moet de woning als hoofdverblijf gaan dienen. De vrijstelling geldt dus niet voor een vakantiewoning.

Onroerendezaakbelasting (ozb)

Voor de heffing van de onroerendezaakbelasting (ozb) is bij vakantiewoningen de vraag van belang of ze ook als woning kunnen worden aangemerkt. De rechter heeft beslist dat niet van belang is of een vakantiewoning al dan niet permanent bewoond mag worden en als dit niet is toegestaan, of dit bewonen al dan niet gedoogd wordt. Wel van belang is of de woning beschikt over eigen voorzieningen, zoals een badkamer, sanitair en kookgelegenheid. Zo ja, dan is de woning bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De vakantiewoning is dan naar aard en inrichting bestemd en geschikt om enigszins duurzaam als bewoning te dienen en wordt dan ook als woning aangemerkt.

Kan een vakantiewoning als woning worden aangemerkt, dan betekent dit dat voor de ozb alleen een aanslag eigenarenheffing kan worden opgelegd. Een aanslag gebruikersheffing kan de gemeente niet opleggen. Bovendien geldt voor woningen meestal een lager ozb-tarief dan voor niet-woningen. Bij een vakantiewoning die aan bovengenoemde eisen voldoet, krijgje dus slechts één heffing opgelegd en is op deze heffing veelal een lager tarief van toepassing.

Verbod op permanente bewoning

Is permanente bewoning verboden, dan drukt dit wel de WOZ-waarde, zo besliste de rechter in het verleden. Ga dus na of een eventueel verbod op permanente bewoning in de WOZ-waarde is meegenomen.

Forensenbelasting

Een gemeente heeft de mogelijkheid forensenbelasting te heffen. Dit kan als je in een andere plaats dan je woonplaats een woning voor minstens 90 dagen per jaar ter beschikking hebt. Het is niet van belang of je ook daadwerkelijk 90 dagen of meer in de woning verblijft. Verblijfje permanent in je vakantiewoning, dan is forensenbelasting niet van toepassing.

Dagen dat je de woning verhuurt dan wel de woning gebruikt om de woning beschikbaar te maken of te houden voor verhuur, tellen dus niet mee. Bij het beschikbaar maken of houden voor verhuur kunje bijvoorbeeld denken aan het plegen van onderhoud, zoals het verven van het houtwerk. Verhuurje de woning voor een bepaalde periode via een derde, maar kunjezelf gebruikmaken van de woning als deze in de betreffende periode niet verhuurd wordt, dan tellen deze dagen wel mee. De woning staat je dan immers ter beschikking.

Tot slot

Met betrekking tot de aankoop en het gebruik van een vakantiewoning kunje met verschillende belastingen te maken krijgen. In deze advieswijzer hebben wij geprobeerd een algemeen beeld te schetsen. Neem voor de fiscale gevolgen in jouw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

advieswijzer
31/8/2026
Advieswijzer Aanschaf van een vakantiewoning

Advieswijzer Aanschaf van een vakantiewoning

Als je een vakantiewoning op het oog hebt in Nederland, zijn er fiscale regels bij de aankoop en het gebruik hiervan. Denk aan omzetbelasting, overdrachtsbelasting, box 3-heffing, onroerendezaakbelasting en mogelijk ook forensenbelasting.

LEES VERDER

Opgaaf gegevens voor de loonheffingen

Met de modellen opgaaf gegevens voor de loonheffingen geven werknemers, uitkeringsgerechtigden, scholieren en studenten hun gegevens door aan de werkgever of uitkeringsinstantie. Het betreft gegevens die van belang zijn voor de loonheffingen.

Let op! Er zijn twee modellen: een voor werknemers en uitkeringsgerechtigden en een voor scholieren en studenten.

Loonheffingskorting

Met de modellen wordt onder meer ook doorgegeven of de werkgever of uitkeringsinstantie de loonheffingskorting moet toepassen.

Bij één werkgever/uitkeringsinstantie

De loonheffingskorting kan maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie worden toegepast. Dat gaat nog weleens mis. De werknemer of uitkeringsgerechtigde moet dan bij de aangifte inkomstenbelasting vaak belasting bijbetalen.

Om te voorkomen dat (onbewust) de loonheffingskorting bij meerdere werkgevers of uitkeringsinstanties wordt toegepast, zijn de modellen aangepast.

Wat is er aangepast?

De vragen in de modellen zijn duidelijker om te voorkomen dat de loonheffingskorting dubbel wordt toegepast. Verder is de toelichting uitgebreid. Er wordt ook uitgelegd hoe een werknemer of uitkeringsgerechtigde kan controleren of een andere werkgever of uitkeringsinstantie de loonheffingskorting al toepast. En hoe ze de loonheffingskorting kunnen laten stopzetten.

Maak gebruik van de nieuwe modellen

Het is raadzaam om de nieuwe modellen te gebruiken. Je werknemer wordt hiermee beter voorgelicht over het maar eenmaal mogen toepassen van de loonheffingskorting. Bovendien moet de werknemer ook expliciet verklaren in het model dat hij begrijpt dat hij de loonheffingskorting maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie mag laten toepassen.

 
nieuws
31/8/2026
Nieuwe modellen opgaaf gegevens loonheffingen

Nieuwe modellen opgaaf gegevens loonheffingen

Er zijn nieuwe modellen voor de opgaaf van gegevens voor de loonheffingen. Het betreft het model voor werknemers en uitkeringsgerechtigden en het model voor studenten en scholieren.

LEES VERDER

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen,
  • de opzegging of ontbinding kan maximaal tot 30 dagen na het afsluiten van de lijfrenteovereenkomst worden ingeroepen,
  • alleen de gehele lijfrenteovereenkomst kan worden opgezegd of ontbonden, en de lijfrenteovereenkomst die wordt opgezegd of ontbonden is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst.

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst, maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.

 
nieuws
31/8/2026
Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

Als je een lijfrenteverzekering kort na afsluiten daarvan weer opzegt, kan het zijn dat je voor 1 januari al een premie hebt betaald die je na 1 januari weer terugontvangt. Hoe moet je dat verwerken in box 3?

LEES VERDER

Verband met dienstbetrekking

Als een werknemer iets krijgt op grond van zijn dienstbetrekking, vormt dit loon waarover loonbelasting verschuldigd is. Niet alles wat een werknemer van of namens de werkgever krijgt, is echter loon. Soms ontbreekt namelijk het duidelijke verband met de dienstbetrekking omdat sprake is van een persoonlijke attentie. Dit is bijvoorbeeld het geval als je een fruitmand geeft aan een zieke werknemer.

Kleine geschenken regeling

De grens tussen een duidelijk verband met de dienstbetrekking en een persoonlijke attentie is niet altijd helder. Om bij kleine geschenken duidelijkheid te scheppen, bestaat de kleine geschenkenregeling. Als de werkgever aan drie voorwaarden voldoet, mag ervan uit gegaan worden dat het kleine geschenk geen loon is. 

De voorwaarden zijn:

  • Het gaat om een persoonlijke attentie in situaties waarin ook anderen die niet de werkgever zijn, zo’n attentie zouden geven.
  • De factuurwaarde (inclusief btw) van de attentie is maximaal € 25.
  • De attentie is geen geld of een waardebon.

Bos bloemen is loon

De bos bloemen die een werknemer krijgt op de eerste werkdag heeft een duidelijk verband met de dienstbetrekking. De werknemer krijgt dit namelijk omdat hij/zij in dienst is gekomen. De bos bloemen vormt daarom loon voor de werknemer.

De kleine geschenken regeling kan in dit geval niet worden toegepast omdat de bos bloemen geen persoonlijke attentie is in een situatie waarin ook anderen zo’n attentie zouden geven.

Let op! De werkgever kan de € 22,50 wel aanwijzen in de vrije ruimte.

nieuws
28/8/2026
Bloemen voor nieuwe werknemer belast?

Bloemen voor nieuwe werknemer belast?

Je geeft een nieuwe werknemer een bos bloemen op de eerste werkdag. De bos bloemen kost € 22,50. Is dit belast voor de loonbelasting?

LEES VERDER

Ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek bestaat uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek. Genoemde aftrekken mogen op de winst uit onderneming in de inkomstenbelasting in mindering worden gebracht. 

Buitenlands belastingplichtigen

Buitenlands belastingplichtigen worden in Nederland belast voor zover ze Nederlands inkomen genieten. Nederlands inkomen is onder meer de winst die behaald is met een vaste inrichting van de buitenlandse ondernemer in Nederland. De vraag is of de ondernemersaftrek volledig in mindering mag worden gebracht op de winst van deze vaste inrichting of dat een andere toerekening plaats moet vinden?

Wereldwinst is uitgangspunt

Voor het in Nederland te belasten deel van de winst van de buitenlandse ondernemer moet naar de letter van de wet eerst de wereldwinst worden bepaald, ofwel de gehele winst van de buitenlandse ondernemer inclusief de buiten Nederland behaalde winst. De Belastingdienst antwoordt dat op deze wereldwinst de ondernemingsaftrek en mkb-winstvrijstelling volledig in mindering wordt gebracht. De in Nederland belastbare winst is het deel van de wereldwinst na aftrek van de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling, dat valt toe te rekenen aan de Nederlandse vaste inrichting.

De ondernemersaftrek komt dus niet volledig in mindering op de winst van de vaste inrichting, maar naar evenredigheid van de winstverhouding Nederlandse winst versus totale wereldwinst.

Ook mkb-winstvrijstelling

De Belastingdienst geeft aan dat welk deel van de mkb-winstvrijstelling ten laste van de in Nederland te belasten winst kan worden gebracht op dezelfde manier moet worden bepaald als bij de ondernemersaftrek.

Let op! Dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling op bovenomschreven manier dienen te worden bepaald, vloeit volgens de Belastingdienst ook voort uit een arrest van de Hoge Raad uit 2010.

nieuws
27/8/2026
Heeft een buitenlands belastingplichtige recht op volledige ondernemersaftrek?

Heeft een buitenlands belastingplichtige recht op volledige ondernemersaftrek?

De Belastingdienst heeft antwoord gegeven op de vraag of een in het buitenland woonachtige ondernemer recht heeft om de ondernemersaftrek volledig af te trekken van zijn Nederlandse winst.

LEES VERDER

Keuze: ondernemingsvermogen of privévermogen?

De opbrengst van de liquide middelen die tot je ondernemingsvermogen horen behoort tot de winst en wordt belast in box 1. Private liquide middelen behoren daarentegen tot het privévermogen en worden belast in box 3. Je mag in beginsel zelf kiezen of je liquide middelen in je onderneming als ondernemings- of als privévermogen aanmerkt. In bepaalde gevallen kunnen de liquide middelen echter verplicht tot het privévermogen horen. Dat is het geval als de liquide middelen duurzaam overtollig zijn in je onderneming.

Duurzaam overtollig of niet?

In een geschil dat speelde voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een deel van de als ondernemingsvermogen aangegeven liquide middelen als ‘duurzaam overtollig’ moest worden aangemerkt. De Belastingdienst vond van wel. De Belastingdienst vond dat dit deel dus niet als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt. De ondernemer had een bedrag van ruim € 450.000 aan liquide middelen als ondernemingsvermogen opgegeven, maar de Belastingdienst accepteerde dit maar voor een bedrag van € 165.000. Het verschil van ruim € 285.000 was duurzaam overtollig en diende in box 3 belast te worden. 

Bewijslast bij Belastingdienst

De bewijslast dat liquide middelen duurzaam overtollig zijn, ligt bij de Belastingdienst. Voor de rechtbank diende de Belastingdienst daarom de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen.

Geringe omzet

De Belastingdienst voerde om te beginnen aan dat sprake was van een eenmanszaak van geringe omvang met slechts een beperkte omzet van € 6.298 in het voorgaande jaar en € 7.855 in het jaar zelf. Die omzet zou naar verwachting in de toekomst niet veel stijgen.

Investering laat op zich wachten

De Belastingdienst voegde hieraan toe dat niet aannemelijk was dat er op korte termijn extra liquide middelen nodig waren voor een investering in kantoorruimte, zoals de ondernemer beweerde. Een niet door de verkoper ondertekende koopovereenkomst voor een kavel grond was daarvoor onvoldoende. Tekenend was bovendien dat ten tijde van de procedure voor de rechtbank in 2026 de kantoorruimte nog steeds niet was gerealiseerd, zodat niet aannemelijk was dat hiervoor in 2020 liquide middelen gereserveerd dienden te worden.

Parallel met 2018

De ondernemer had in 2018 ook over de omvang van zijn ondernemingsvermogen geprocedeerd. Daarbij was toen een bedrag van € 165.000 aan ondernemingsvermogen door het gerechtshof geaccepteerd. Dit bedrag diende als dekking voor de fiscale oudedagsreserve en als reservering voor een aan te schaffen bedrijfsauto en zonnepanelen. 

Rechtbank laat correctie in stand

Uit bovenstaande feiten leidde de rechtbank af dat de Belastingdienst in de bewijslast was geslaagd dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen. De Belastingdienst had daarom terecht een deel van het aangegeven ondernemingsvermogen als duurzaam overtollig aangemerkt en overgeheveld naar box 3. De correctie bleef dan ook in stand. 

Let op! Of de liquide middelen in jouw onderneming in de inkomstenbelasting duurzaam overtollig zijn of niet, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in jouw situatie. Zorg er in ieder geval voor dat je kunt onderbouwen waarom de liquide middelen in je onderneming nodig zijn. Op die manier wordt het voor de Belastingdienst lastiger om aan de bewijslast te voldoen dat sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen.

nieuws
27/8/2026
Duurzaam overtollige liquiditeiten onderneming belast in box 3

Duurzaam overtollige liquiditeiten onderneming belast in box 3

Liquide middelen die je als ondernemer in de inkomstenbelasting in je bedrijf gebruikt, behoren tot je ondernemingsvermogen. Dit is niet het geval als deze liquide middelen duurzaam overtollig zijn.

LEES VERDER

Premie Werkhervattingskas (Whk)

Werkgevers zijn verplicht tot het betalen van een gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). De premie voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) is onderdeel van deze premie Whk. 

De werkgever mag maximaal 50% van de gedifferentieerde premie Whk op de werknemer verhalen. Als een werkgever dat doet, is deze verhaalde premie niet aftrekbaar van het brutoloon. Dit is expliciet zo opgenomen in de wet (artikel 11c van de Wet op de loonbelasting). De werknemer betaalt deze verhaalde premie dus uit zijn nettoloon.

Premie WGA-hiaatverzekering

De WGA-uitkering is over het algemeen onvoldoende om de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid te dekken. Om die reden is in veel cao’s de verplichting opgenomen voor werkgevers om aan hun werknemers een WGA-hiaatverzekering aan te bieden. Deze verzekering voorziet in een aanvulling op de WGA-uitkering.

Als de werkgever (een deel van) de premie voor de WGA-hiaatverzekering op de werknemer verhaalt, is deze verhaalde premie wel aftrekbaar van het brutoloon. Deze verhaalde premie is namelijk niet expliciet in de wet uitgezonderd van aftrek. De werknemer betaalt deze dus niet uit zijn nettoloon maar uit zijn brutoloon. De Belastingdienst heeft dit bevestigd.

nieuws
26/8/2026
WGA-hiaatverzekering aftrekbaar van brutoloon

WGA-hiaatverzekering aftrekbaar van brutoloon

Als een werkgever de verschuldigde premie voor een WGA-hiaatverzekering in rekening brengt bij een werknemer, dan is deze aftrekbaar van het brutoloon. Dit in tegenstelling tot een werknemer verhaalde gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). Hoe zit dat?

LEES VERDER

Compensatie werkelijke schade

Bij de compensatie van gedupeerden van de toeslagenaffaire werd in beginsel uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Kan je aantonen dat jouw werkelijke schade groter was, dan kun je de Commissie Werkelijke Schade laten beoordelen of je recht hebt op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Raad van State: bij niet tijdig beslissen geen dwangsom

Bij het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade, kunnen in principe dwangsommen worden opgelegd. De Raad van State besliste hierover op 3 juni 2026 dat de normale wettelijke termijn geldt. Ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verzonden. Wanneer deze termijn wordt overschreden hoeft er van de Raad van State tot 3 juni 2027 echter geen dwangsom betaald te worden. 

Reden hiervoor is dat de dwangsom er niet toe leidt dat de Dienst Toeslagen eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade gaat beslissen. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Rechtbank Midden-Nederland: wel een dwangsom

Rechtbank Midden-Nederland wijkt op 27 juli 2026 in drie uitspraken hiervan af en legt toch dwangsommen op aan de Dienst Toeslagen. Hoewel de rechtbank de problemen bij de Dienst Toeslagen herkent, oordeelt de rechtbank dat de wet aan de rechter geen mogelijkheid geeft om geen dwangsom op te leggen in een procedure over niet tijdig beslissen.

Rechtbank Midden-Nederland houdt daarbij wel een langere beslistermijn aan dan de Raad van State. De Dienst Toeslagen krijgt in deze drie zaken van de rechtbank een beslistermijn van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Haalt de Dienst Toeslagen deze termijn niet, dan is de dwangsom € 50 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Let op! In casu betekent dit in de drie zaken die bij rechtbank Midden-Nederland dat de uiterste beslistermijn van de Dienst Toeslagen voordat de dwangsom gaat lopen 6 juli 2027, 15 juli 2027 en 3 augustus 2027 is. Al met al gaat de dwangsom dus in deze drie zaken niet eerder lopen dan 3 juni 2027, de datum waarop de dwangsomloze periode van de Raad van State eindigt.

nieuws
25/8/2026
Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?

Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?

De Raad van State besliste op 3 juni 2026 dat de Dienst Toeslagen tot 3 juni 2027 geen dwangsommen hoeft te betalen als ze niet of te laat beslissen op verzoeken om vergoeding van de werkelijke schade in de toeslagenaffaire. Rechtbank Midden-Nederland gaat hier niet in mee en legt toch dwangsommen op, maar geeft wel een langere beslistermijn.

LEES VERDER

Arbeidskorting

De arbeidskorting is een korting op de te betalen belasting waarop iemand recht heeft als hij werkt. De hoogte van de korting is onder meer afhankelijk van de hoogte van het arbeidsinkomen en bedraagt in 2026 maximaal € 5.685.

Arbeidskorting op uitkering

In bepaalde situaties ontvangt een werknemer behalve loon ook een uitkering. Deze kan rechtstreeks door het UWV betaald worden of via de werkgever.

Het UWV kan op de belasting die geheven wordt over de uitkering geen arbeidskorting inhouden omdat de arbeidskorting alleen geldt als iemand werkt. Werkgevers kunnen op de belasting over de uitkering, onder voorwaarden, wel arbeidskorting inhouden. Op 15 november 2024 oordeelde de Hoge Raad dat dit verschil in behandeling in strijd is met het discriminatieverbod.

Tot en met 2026

Vanwege het discriminatieverbod is vorig jaar al besloten dat 2026 het laatste jaar is waarin een werkgever een arbeidskorting kan inhouden op de belasting over een uitkering. Vanaf 2027 mag dat dus niet meer.

Let op! Deze aanpassing treft ongeveer 11.000 werknemers die een van de volgende uitkeringen via hun werkgever krijgen uitgekeerd: WAO, WAZ, Wajong, WIA, ZW die is ingegaan voordat de werknemer bij je in dienst kwam, WAMIL en WW bij onwerkbaar weer en vanwege werktijdverkorting.

Lager nettoloon

Door het niet meer toepassen van de arbeidskorting wordt het nettoloon van de werknemer waarschijnlijk lager. Hoeveel lager is afhankelijk van de hoogte van het loon en de uitkering. De extra belasting die een werkgever moet gaan inhouden door het niet meer toepassen van de arbeidskorting kan oplopen tot maximaal 31% van de bruto-uitkering.

Let op! Dit geldt alleen voor werknemers die de uitkering via hun werkgever krijgen uitbetaald. Voor werknemers die de uitkering van het UWV ontvangen, verandert er vanaf 2027 niets.

Tip! De Belastingdienst geeft in de Nieuwsbrief Loonheffingen 2027, uitgave 1, 19 augustus 2026, meer uitleg over het niet meer toepassen van de arbeidskorting. Hierin zijn een stappenplan voor 2026 en 2027 en diverse voorbeelden opgenomen.

nieuws
25/8/2026
Geen arbeidskorting over uitkering vanaf 2027

Geen arbeidskorting over uitkering vanaf 2027

Betaal je naast loon ook een uitkering aan een werknemer? Houd er dan rekening mee dat je vanaf 2027 geen arbeidskorting meer mag berekenen over die uitkering.

LEES VERDER

Behandelingen

Aan de Belastingdienst is gevraagd of een schoonheidsspecialist op de volgende behandelingen de medische btw-vrijstelling kan toepassen:

  1. Het ontharen met laserapparatuur of IPL bij hirsutisme (= overmatige haargroei bij vrouwen volgens een mannelijk beharingspatroon)
  2. Het behandelen van acné
  3. Camouflagebehandeling/permanente make-up

De Belastingdienst heeft geantwoord dat deze behandelingen door de schoonheidsspecialist in principe niet onder de medische btw-vrijstelling vallen. Alleen onder strikte voorwaarden kan dit wel.

Therapeutisch doel

Voor de medische btw-vrijstelling moet allereerst het therapeutische doel van de behandeling aantoonbaar vaststaan. De behandeling mag dus niet alleen een cosmetisch doel hebben, maar moet aantoonbaar therapeutisch van aard zijn.

Het is onvoldoende dat bijvoorbeeld een aandoening als hirsutisme een psychosociale impact kan hebben of dat acné kan leiden tot chronische en/of terugkerende ontstekingen en infecties. Het therapeutische doel moet objectief aangetoond worden aan de hand van een medische diagnose.

Let op! De schoonheidsspecialist mag dit therapeutische doel niet zelf vaststellen. Dit moet blijken uit bijvoorbeeld een diagnose door een BIG-geregistreerde medicus. De diagnose moet de schoonheidsspecialist in de administratie vastleggen.

Tip! De Belastingdienst heeft aangegeven dat het therapeutische doel kan worden aangenomen als een tepel en tepelhof met permanente make-up worden gereconstrueerd na een borstverwijdering.

Kwaliteitsniveau vergelijkbaar met BIG-medicus

Als het therapeutische doel aantoonbaar vaststaat, is de medische btw-vrijstelling alleen van toepassing als de behandeling van de schoonheidsspecialist qua kwaliteitsniveau vergelijkbaar is met een BIG-geregistreerde medicus.

De schoonheidsspecialist moet daarvoor aantonen dat hij/zij minimaal beschikt over een afgeronde gezondheidskundige beroepsopleiding gecombineerd met relevante kennis en ervaring.

Let op! Voornoemde behandelingen zouden vergelijkbaar kunnen zijn met de behandelingen van een Wet-BIG huidtherapeut.

De Belastingdienst zal van geval tot geval beoordelen of sprake is van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau. Van belang daarbij zijn de diploma’s en certificaten en het aantal jaren kennis en ervaring van de schoonheidsspecialist.

nieuws
24/8/2026
Kan een schoonheidsspecialist de medische btw-vrijstelling toepassen?

Kan een schoonheidsspecialist de medische btw-vrijstelling toepassen?

De behandelingen van een schoonheidsspecialist zijn in principe met btw belast. De Belastingdienst heeft echter aangegeven dat in uitzonderingssituaties bepaalde behandelingen zonder btw verricht kunnen worden.

LEES VERDER

Entrepreneur’s allowance 

The entrepreneur’s allowance comprises the self-employed person’s allowance (in Dutch: zelfstandigenaftrek), the allowance for research and development (in Dutch: aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk), the co-worker’s allowance (in Dutch: meewerkaftrek), the start-up allowance in the event of incapacity for work (in Dutch: startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid), and the cessation allowance (in Dutch: stakingsaftrek). These allowances may be deducted from business profits for the purposes of income tax. 

Foreign taxpayers 

Foreign taxpayers are taxed in the Netherlands to the extent that they receive Dutch income. Dutch income includes, amongst other things, the profit generated by a foreign entrepreneur’s permanent establishment in the Netherlands. The question is whether the entrepreneur’s allowance may be deducted in full from the profit of this permanent establishment or whether a different allocation must be made?  

Worldwide profit is the starting point 

For the portion of the foreign entrepreneur’s profit that is taxable in the Netherlands, the letter of the law first requires the global profit to be determined, i.e. the foreign entrepreneur’s total profit, including profit earned outside the Netherlands. The Tax and Customs Administration states that the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption (in Dutch: mkb-winstvrijstelling)are deducted in full from these worldwide profits. The profit taxable in the Netherlands is that part of the worldwide profit, after deduction of the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption, which is attributable to the Dutch permanent establishment.  

The business allowance is therefore not deducted in full from the profits of the permanent establishment, but in proportion to the ratio of Dutch profits to total worldwide profits.

SME profit exemption 

The Tax and Customs Administration states that the portion of the SME profit exemption that may be charged against the profit taxable in the Netherlands must be determined in the same way as for the entrepreneur’s allowance. 

Please note! According to the Tax and Customs Administration, the fact that the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption must be determined in the manner described above also follows from a 2010 ruling by the Supreme Court (in Dutch: Hoge Raad). 

nieuws
27/8/2026
Is a foreign taxpayer entitled to the full business expense allowance?

Is a foreign taxpayer entitled to the full business expense allowance?

The Tax and Customs Administration has provided an answer to the question of whether an entrepreneur residing abroad is entitled to deduct the full business allowance (in Dutch: ondernemersaftrek) from their Dutch profits.

READ MORE

Eight weeks 

In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed. 

Example 
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026. 

Calculation of tax interest 

The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision. 

Continuation of example 
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026. 

Timely appeal against the rejection of a VAT refund claim 

Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest. 

Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late. 

news
17/8/2026
Portemonnee

Tax interest in the event of delays in processing VAT refunds

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.

READ MORE

Right of access to tax records 

It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.  

Fragmented 

At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years. 

‘Keuze digitaal’ programme 

Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return. 

 Timeline 

The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:  

  • Phase 1 covers access to formal correspondence, such as tax assessments, decisions, formal letters and submitted forms. The plan is to introduce this for VAT in 2026, for vehicle taxes, payroll taxes, corporation tax and gift and inheritance tax in the period 2027–2028, and for income tax in 2029. 
  • Phase 2 provides access to the reasoning behind decisions, such as the grounds for an assessment and the progress of a case. This is planned for all the taxes listed in Phase 1 during the period 2029 to 2031 inclusive. 
  • Phase 3 will provide access to a comprehensive and coherent case file. This is planned from 2032 onwards. 

Exception for excise duties and consumption taxes 

For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

news
10/8/2026
Tweede Kamer

Phased introduction of the right of access to tax records

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.

READ MORE

Employment contract for an hourly rate below €38? 

The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.

If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal 

Not applicable to the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate 

The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority. 

Immediate effect from 31 December 2026 

The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you. 

news
21/7/2026
Juridisch

From 31 December 2026: employment contracts with an hourly rate below €38

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?

READ MORE

What is Solvit?

Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.

What kinds of problems?

The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.

Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.

Procedure

A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.

Examples

On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.

Also for advice

Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

news
4/6/2026
Internationaal

Solvit helps with cross-border issues within the EU

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.

READ MORE

What does this mean for you?

If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.

Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.


The most commonly used new account number for the Tax and Customs Administration is NL04 RABO 0200112244. However, please note that different new account numbers are used for some taxes.

Note regarding recurring payments

If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.

You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.

Using the old number is (still) fine

If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.

New income tax account number effective April 20, 2026

To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026. 

Benefits

The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.

Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.

Tax and Customs Administration warns against phishing

Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number. 

news
26/5/2026
Belastingdienst

New account number for the Tax Authority effective May 1

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.

READ MORE

Cash payments of €3,000 or more

For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.

Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.

The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.

Base fine amount: €10,000

The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.

Lower or higher fine

Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.

Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

news
20/5/2026
Geld

Base fine of €10,000 for cash payments of €3,000 or more

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.

READ MORE

Deduction of housing costs

It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.

Phasing out and abolition

The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.

The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.

 Year  Maximum deduction percentage
2025  25
2026  20
2027  15
2028  10
2029  5
2030  0

Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.

Internet consultation

The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

news
5/6/2025
Agrarisch

Phasing out deduction the amount for accommodation employers

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.

READ MORE