Een pand in privé-eigendom valt in principe in box 3. Voorwaarde is wel dat met betrekking tot het pand sprake is van normaal vermogensbeheer. Is sprake van meer dan normaal vermogensbeheer, dan valt het pand in box 1. Daar wordt het dan belast als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.
Rechtbank Den Haag gaf aan dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of de activiteiten/werkzaamheden dusdanig zijn dat de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. De rechtbank stelde dat deze beoordeling in principe per pand moet plaatsvinden. Voor de vraag of vervolgens sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zal daarna een beoordeling van alle activiteiten voor alle panden in box 1 moeten plaatsvinden.
In de casus die voorlag bij de rechtbank, oordeelde de rechtbank dat de Belastingdienst voor vier panden aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden voor deze panden bestonden uit veel meer dan bijvoorbeeld een verbouwen van een keuken of een badkamer. Deze werkzaamheden kwalificeerden volgens de rechtbank als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschreed. Het ging daarbij om:
Deze panden vielen volgens de rechtbank in box 1, voor de andere panden gold dat niet. Die werden belast in box 3.
De rechtbank volgde het standpunt van de belanghebbende dat als de panden in box 1 vielen, er sprake was van winst uit onderneming en niet van resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank volgde dit standpunt omdat dit voor de belanghebbende gunstiger was in verband met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Let op! Zoals de rechtbank al aangaf, is er geen harde grens tussen box 3 en box 1 en is een en ander afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg over je eigen panden daarom met onze adviseurs.

Een pand dat je in privé verhuurt, valt in principe in box 3. Verricht je dusdanige activiteiten/werkzaamheden dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer? Dan is je pand belast in box 1. Rechtbank Den Haag deed daar in juni 2026 een uitspraak over.
LEES VERDER
Op 2 juli stuurden de ministers Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Aartsen van Werk en Participatie een Kamerbrief met de vooraankondiging van een wetswijziging. Het kabinet wil dat iedereen die daartoe in staat is mee gaat doen op de arbeidsmarkt. Om die reden wordt onder meer de doelgroep van de banenafspraak verbreed. Daarnaast gaat de loonkostensubsidie (LKS) het leidende, rijksbrede instrument worden om de verminderde loonwaarde van een werknemer te compenseren.
Op 20 februari 2024 is het principebesluit genomen dat de doelgroep van de banenafspraak wordt uitgebreid met personen met een WIA- of een WW-uitkering die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Dit betekent dat deze personen straks ook gebruik kunnen maken van de instrumenten van de banenafspraak: no-riskpolis, een loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak en straks ook de loonkostensubsidie (LKS). Er komt een wetsvoorstel waarin deze personen aan de doelgroep van de banenafspraak worden toegevoegd.
Voor de WW en de WIA wordt de LKS beschikbaar gesteld. Dit geeft het UWV een instrument om de verminderde loonwaarde van werknemers te compenseren voor werkgevers. Bij de LKS gaat het om een financiële regeling voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking of afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen.
De LKS compenseert het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de lagere arbeidsproductiviteit (loonwaarde) van de werknemer. De werkgever betaalt op deze manier alleen voor de werkelijke productiviteit. Hiermee wordt hij gestimuleerd om iemand met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen en houden.
In de Wajong wordt de loondispensatie vervangen door de LKS. Loondispensatie houdt in dat aan een werkgever toestemming wordt verleend om een Wajong gerechtigde een loon uit te betalen dat lager ligt dat het wettelijk minimumloon. Dit maakt de regels voor werkgevers eenvoudiger en herkenbaarder.
Let op! Er komt overgangsrecht dat inhoudt dat de LKS pas wordt ingezet als de beschikking loondispensatie afloopt. Het UWV verstrekt op dit moment maximaal vijf jaar loondispensatie. Hierdoor kan het overgangsrecht maximaal vijf jaar doorlopen.
Als de LKS wordt ingevoerd, wordt ook de loondispensatie in de Wajong vervangen door de LKS. De hoogte van de LKS wordt bepaald aan de hand van de loonwaarde van de werknemer. Daarvoor is nu nog een loonwaardemeting nodig.
Het is de bedoeling dat vanaf 2028 geen loonwaardemeting meer nodig is. De LKS wordt vanaf dat moment, ook voor de Wajong, standaard vastgesteld op 68% van het wettelijk minimumloon. Werkgevers krijgen daarmee een vaste LKS als zij iemand aannemen met een WW, WIA- of Wajong-uitkering die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon per uur kan verdienen.
Let op! Het betreft nog een voornemen dat nog in wetgeving moet worden omgezet.

Het kabinet wil de doelgroep banenafspraak uitbreiden. Het kabinet wil daarnaast de loonkostensubsidie leidend maken om de verminderde loonwaarde van een werknemer te compenseren.
LEES VERDER
Het is niet eenvoudig om te beoordelen wat voordeliger is: een auto op de zaak of in privé rijden. De beoordeling is namelijk afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals de hoogte van de afschrijvingen, de onderhoudskosten, de verzekeringskosten, de motorrijtuigenbelasting, eventuele financieringskosten, de CO2-uitstoot van de auto, het aantal in een jaar te rijden privé- en zakelijke kilometers, de btw-gevolgen, de bijtelling en vanaf 2027 de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.
Als je deze gegevens helder voor ogen zou hebben, kun je berekenen wat het voordeligst is. Over het algemeen zijn deze gegevens echter niet volledig bekend en zal van schattingen moeten worden uitgegaan. De werkelijkheid kan dan afwijken van de berekeningen. Vervolgens moet je ook nog rekening houden met belastingtarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en andere fiscale regelingen, die regelmatig wijzigen.
Let op! Ben je ondernemer in de inkomstenbelasting, dan mag je bij de aanschaf doorgaans kiezen of je de auto tot je ondernemingsvermogen rekent of tot je privévermogen. Die keuze heb je echter niet als je maar maximaal 500 kilometer per jaar privé met de auto rijdt. Je moet de auto dan verplicht tot het ondernemingsvermogen rekenen. Rijd je minder dan 10% van het aantal kilometers zakelijk, dan moet je de auto verplicht tot het privévermogen rekenen.
De auto van de zaak heeft een aantal voordelen:
| Soort auto | MIA % | Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag |
| Waterstofpersonenauto | 45% over 90% van investeringsbedrag | € 75.000 |
| Zonnecel-personenauto | 36% over 90% van investeringsbedrag | € 100.000 |
De auto van de zaak brengt ook een aantal nadelen met zich mee:
Let op! Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan kan sowieso een deel van de btw niet in aftrek worden gebracht. Verricht je bijvoorbeeld voor 40% vrijgestelde prestaties, dan kan ook 40% van de btw niet in aftrek worden gebracht. Ook de niet-aftrekbare btw vanwege het privégebruik wordt dan naar rato verminderd. Bij 40% vrijgestelde prestaties is de correctie dan niet 2,7%, maar 60% (100% -/- 40%) x 2,7%. Je kunt immers ook maar 60% van alle btw aftrekken.
De fiscale spelregels voor de bijtelling privégebruik auto zijn afhankelijk van jouw ondernemingsvorm. Ben je directeur-grootaandeelhouder (dga) en opereer je vanuit een bv, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de loonbelasting. Vanaf 2027 moet de bv van een dga ook rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.
Ben je echter een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak, vof, cv of maatschap, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de inkomstenbelasting. Voor de laatste categorie kan de bijtelling nooit méér bedragen dan de werkelijke kosten van de auto in dat jaar (inclusief afschrijving). Een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak krijgt voor zichzelf niet te maken met de peudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (mogelijk wel voor zijn personeel).
Voor de meeste auto’s die vanaf 2017 op kenteken zijn gezet, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een lagere bijtelling. De lage bijtelling is beperkt tot een deel van de cataloguswaarde (met uitzondering van auto’s op waterstof en op zonnecellen). Over het meerdere geldt de normale bijtelling van 22%.
Voor een nieuwe auto gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:
| CO2-uitstoot | Bijtelling |
| 0 (op batterij) | 18% tot € 30.000, daarboven 22% |
| 0 (op waterstof of op zonnecellen) | 18% onbeperkt |
| Meer dan 0 | 22% |
Je wordt in beginsel niet elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.
Let op! Voor een in 2027 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt in 2027 een bijtellingspercentage van 20% tot € 30.000 en 22% daarboven. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen is dat 20% over de gehele cataloguswaarde. Voor een in 2028 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt geen lagere bijtelling meer.
Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een elektrische auto betreft met een CO2-uitstoot van nul. Hiervoor wordt de bijtelling in 2026 21% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en 25% over het meerdere.
Een bijtelling kan achterwege blijven als je kunt bewijzen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto hebt gereden. Woon-werkkilometers worden voor de inkomstenbelasting gezien als zakelijk, ook als je thuis gaat lunchen. Voor de btw gelden die kilometers echter als privé.
Let op! Is jouw auto ouder dan 16 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling in 2026 geen 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde van de auto in het economisch verkeer. Eind 2025 is een wetswijziging aangenomen waarin de leeftijdsgrens per 2027 verhoogd wordt naar 25 jaar en ouder.. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad waarbij bijvoorbeeld de verhoging naar 25 jaar niet in een keer maar geleidelijk gebeurd of alleen voor auto’s die in 2026 jonger dan 16 jaar zijn.
Let op! Het kabinet denkt na over een regeling om gebruikte, elektrische auto’s aantrekkelijker te maken voor zakelijke rijders. Gedacht wordt aan een vermindering van de bijtelling voor elektrische auto van vijf tot acht jaar oud. In de augustusbesluitvorming 2026 beslist het kabinet over de invoering van deze greentimerregeling.
Er wordt per 2027 een pseudo-eindheffing ingevoerd voor werkgevers die hun personeel een personenauto ter beschikking stellen die CO2 uitstoot. Ook voor een dga die in dienst is bij zijn eigen bv en over een personenauto van de zaak beschikt die CO2 uitstoot, is de pseudo-eindheffing van toepassing. De pseudo-eindheffing geldt echter niet voor een ondernemer in de inkomstenbelasting die over een personenauto van de zaak beschikt, maar wel voor de personenauto’s die hij aan zijn werknemers ter beschikking stelt. De pseudo-eindheffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde per jaar en komt voor rekening van de werkgever.
De pseudo-eindheffing geldt niet:
Het kabinet heeft aangekondigd ook nog uitzonderingen te willen invoeren:
De auto die je in privé aanschaft, heeft een aantal voordelen:
De auto in privé brengt ook een aantal nadelen met zich mee:
Let op! Als jouw onderneming nagenoeg alle kosten van jouw privéauto aan je vergoedt, kan jouw privéauto door de Belastingdienst alsnog als auto van de zaak worden aangemerkt.
Het antwoord op de vraag wat voordeliger is, de auto zakelijk of privé, is afhankelijk van allerlei, vaak niet precies bekende omstandigheden en factoren. Dit maakt het lastig om exact te berekenen wat voordeliger is. Toch is er wel een aantal grove vuistregels te geven. Zo is bij lage afschrijvingskosten of bij veel zakelijke kilometers een privéauto over het algemeen voordeliger. Maak echter geen ondoordachte keuze. Wij kunnen aan de hand van alle gegevens een berekening voor jou maken.
Staat een auto eenmaal op de zaak, dan kun je als ondernemer in de inkomstenbelasting deze in beginsel niet overbrengen naar privé. Overbrengen naar privé kan alleenals er fiscaal sprake is van een zogenaamde bijzondere omstandigheid. Daarvan is niet vaak sprake. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld een wetswijziging of rechterlijke uitspraak waardoor je een andere keuze gemaakt zou hebben als je dit zou hebben geweten voordat je besliste de auto op de zaak te zetten. Of als je de auto helemaal niet meer zakelijk zou gebruiken (bijvoorbeeld omdat je een nieuwe auto koopt). Dan ben je zelfs verplicht de auto voortaan tot het privévermogen te rekenen. Deze overgang moet plaatsvinden voor de werkelijke waarde, waardoor je – afhankelijk van de fiscale boekwaarde – een boekwinst of -verlies realiseert. Ook voor de btw kan dit gevolgen hebben.
Een auto op naam van uw bv is in beginsel altijd zakelijk. Bij een bv is overbrengen naar privé wel mogelijk, zelfs als er geen bijzondere omstandigheden zijn. Je kunt namelijk de auto altijd van jouw bv aan jezelf als dga verkopen. Vervolgens kun je zakelijke ritten voor de bv maken tegen een vergoeding van € 0,25 per kilometer.
Let op! Er is onduidelijkheid over de vraag over welk bedrag btw verschuldigd is als een dga de auto overneemt van de bv tegen een lagere prijs dan de marktwaarde. Moet de btw dan berekend worden over deze lagere prijs of over de werkelijke waarde? Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseerde eind 2025 de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde. In een soortgelijke situatie kun je de btw over de marktwaarde van de auto afdragen en bezwaar maken tegen jouw eigen aangifte. Op die manier stel je jouw rechten zeker als de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt welke visie de juiste is. Bovendien voorkom je op deze manier een boete.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Zet ik de auto op de zaak of houd ik hem liever privé? Wat is fiscaal de beste optie? Wat zijn voor mij de belangrijkste voor- en nadelen van zakelijk rijden en wat weegt dan het zwaarst? Vragen waar veel ondernemers mee worstelen. In deze advieswijzer zetten we een aantal regels voor je op een rij, zodat je voor jezelf de balans kunt opmaken. Hierbij hebben we ook alvast enkele wijzigingen vermeld die per 2027 van kracht worden.
LEES VERDER
De expatregeling komt er in het kort op neer dat werkgevers een buitenlandse werknemer met een specifieke deskundigheid een percentage van het salaris netto mogen uitbetalen als kostenvergoeding. Het gebruik van de regeling is optioneel. Men mag er dus ook voor kiezen de extra kosten van de werknemer belastingvrij te vergoeden, als dit mogelijk is op basis van de bestaande regelgeving. Je moet deze extra kosten dan wel aannemelijk kunnen maken.
De expatregeling kent een aantal voorwaarden. Een belangrijke is de deskundigheidseis. In de wettelijke bepalingen is opgenomen dat aan die deskundigheidseis wordt voldaan als de werknemer tenminste een bepaald salaris verdient (de looneis). Voor 2026 is dit €48.013, in bepaalde gevallen is dit € 36.497. In bovengenoemde rechtszaak ging het erom of een helikopterpilote aan de gestelde looneis voldeed.
Bij indiensttreding moest de pilote eerst een opleiding volgen en met succes afronden. Tijdens de opleiding verdiende ze een lager salaris, dat na voltooiing van de opleiding wijzigde in een hoger salaris. Op basis van het lagere salaris voldeed de pilote niet aan de looneis De centrale vraag was of voor de expatregeling ook al van het hogere afgesproken salaris mocht worden uitgegaan.
Rechtbank Noord-Holland vond dat dit inderdaad is toegestaan. Het hogere loon was immers al afgesproken bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst. Verder bleek uit de feiten onder meer dat de slagingskans voor de pilote vrijwel 100% bedroeg, onder andere als gevolg van haar ervaring. Volgens de rechtbank was dit zo goed als zeker en was daardoor te verwachten dat ze aan de looneis zou voldoen. De rechtbank stond het gebruik van de expatregeling dan ook toe.
Let op!De rechtbank gaf in de uitspraak ook aan dat een en ander getoetst moet worden bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Als dan niet voldaan wordt aan de looneis, kan een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat alsnog met terugwerkende kracht of vanaf dat moment, voldaan wordt aan de looneis.
Voor de expatregeling is ook van belang wat onder een stage moet worden verstaan. De werknemer die van de regeling gebruik wil maken moeten namelijk uit een ander land aangeworven zijn. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst mag de werknemer nog niet in Nederland werkzaam zijn. Werkzaamheden in het kader van een stage in Nederland worden daarbij niet aangemerkt als werkzaamheden in Nederland. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat het begrip stage ruim moet worden opgevat.
In deze zaak stelde de Belastingdienst dat de gevolgde stage niet aan de eisen voor een stage voldeed, omdat deze niet was gevolgd in het kader van een opleiding. De rechtbank was van mening dat om van een stage te kunnen spreken niet vereist is dat dit in het kader van een opleiding is. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet vereist dat sprake is van een opleiding aan een erkende onderwijsinstelling. De gevolgde stage stond in dit geval dan ook niet aan toepassing van de expatregeling in de weg.

De expatregeling (voorheen: 30%-regeling) voor buitenlandse werknemers kan in bepaalde situaties ook worden toegepast bij een lager startsalaris, mits naar verwachting de looneis op jaarbasis wordt gehaald. Dit moet worden getoetst bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst. Dit vindt rechtbank Noord-Holland.
LEES VERDER
De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, ook wel de dga-taks genoemd, regelt grofweg dat de dga die te veel heeft geleend bij de eigen bv, hierover belasting betaalt in box 2. In 2026 geldt er een drempel van € 500.000 en bedraagt het tarief 24,5% over de eerste € 68.843 inkomen in box 2 (bij fiscale partners het dubbele) en 31% daarboven.
Let op! Voor toepassing van deze drempel van € 500.000 kan meer meetellen dan alleen een lening aan de dga. Verder zijn ook uitzonderingen op de regel mogelijk. Laat je goed informeren over de toepassing van de wet.
Een belastingplichtige die in 2023 een te grote schuld had aan zijn eigen bv, werd geconfronteerd met de heffing in box 2 over het bedrag van de schuld op 31 december 2023 boven de drempel. De belastingplichtige vond deze heffing in box 2 op stelselniveau in strijd met Europees recht (artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en artikel 6 en 7 van het EVRM). De Belastingdienst vond dat er geen strijd was en zo kwam deze zaak voor rechtbank Den Haag.
De rechtbank vond ook dat de heffing op stelselniveau niet in strijd was met Europees recht. De rechtbank onderbouwde dit met onder meer de volgende argumenten. De wet kent volgens de rechtbank een legitiem doel in het algemeen belang, namelijk het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. De wetgever heeft ook voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van de wet omdat de heffing in september 2018 al is aangekondigd en uiteindelijk pas vanaf 31 december 2023 effectief was, aldus de rechtbank.
Let op! Mogelijk volgt nog een hoger beroep of legt een andere belastingplichtige dezelfde vraag nog voor aan een andere rechtbank of gerechtshof. Hoewel nooit met zekerheid de kans van slagen voorspeld kan worden, is de kans dat een rechter gaat oordelen dat sprake is van strijd met Europees recht waarschijnlijk klein.

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap op stelselniveau niet in strijd is met Europees recht.
LEES VERDER
Een werkneemster die met zwangerschaps- en bevallingsverlof is, heeft recht op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Betaalt het UWV die uitkering aan jou als werkgever en betaal jij die door? Dan vormt dit loon uit tegenwoordige arbeid waarop je de witte tabel toepast. Dit betekent dat op deze WAZO-uitkering de arbeidskorting van toepassing is. De Belastingdienst is het met deze wetsuitleg eens.
Betaal je de werkneemster ook een aanvulling op de WAZO-uitkering, dan geldt voor die aanvulling hetzelfde. De Belastingdienst geeft aan dat ook de aanvulling loon uit tegenwoordige arbeid vormt, waarop je de witte tabel toepast en waarop dus de arbeidskorting van toepassing is.
Als de dienstbetrekking van de werkneemster tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt, kan het zijn dat je nog een WAZO-uitkering en een aanvulling daarop betaalt na het einde van de dienstbetrekking. Vormt dit dan nog steeds loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarop je de witte tabel en de arbeidskorting toepast?
De Belastingdienst geeft aan dat dit wel geldt voor de WAZO-uitkering die je betaalt na het einde van de dienstbetrekking, maar niet voor de aanvulling op de WAZO-uitkering. Op de aanvulling op de WAZO-uitkering kan de arbeidskorting dus niet worden toegepast.
Betaalt het UWV de WAZO-uitkering dan mag ook het UWV de uitkering behandelen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en de witte tabel toepassen.

Kun je als werkgever de arbeidskorting toepassen op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg (WAZO) aan een werkneemster met zwangerschaps- en bevallingsverlof? En kan dat ook op een aanvulling op deze WAZO-uitkering? En wat moet je doen als de werkneemster al uit dienst is? De Belastingdienst geeft antwoord.
LEES VERDER
Een asielzoeker kan alleen bij je werken als je een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor deze asielzoeker hebt. Er gelden dan geen beperkingen in het aantal weken per jaar dat de asielzoeker bij je mag werken. De asielaanvraag moet wel minimaal zes maanden in behandeling zijn voordat de asielzoeker bij je mag werken. Verder moet de asielzoeker een geldig Vreemdelingen Identiteitsbewijs (W-document) hebben.
Let op! Voor statushouders (dat zijn asielzoekers met een asielvergunning) is geen TWV nodig. Datzelfde geldt voor asielzoekers die stage gaan lopen én een opleiding volgen in Nederland. Een asielzoeker die vrijwilligerswerk doet heeft ook geen TWV nodig, maar de werkgever heeft dan wel een vrijwilligersverklaring nodig. Die kan de werkgever aanvragen bij het UWV.
De TWV vraag je als werkgever aan bij het UWV. Het UWV geeft de TWV af en controleert daarbij ook of je als werkgever genoeg loon betaalt. Het loon moet namelijk marktconform zijn.
Vanaf 12 juni 2026 mogen asielzoekers uit veilige landen niet meer werken in Nederland, dus ook niet als hun asielaanvraag al minimaal zes maanden in behandeling is. Hetzelfde geldt voor asielzoekers die liegen bij hun asielaanvraag of die een overdrachtsbesluit hebben. Een overdrachtsbesluit betekent dat een andere EU-lidstaat beslist over de asielaanvraag.
Let op! Deze regels gelden voor asielzoekers met een asielaanvraag vanaf 12 juni 2026.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt tot welke categorie een asielzoeker hoort (wel toegestaan om te werken of niet toegestaan om te werken).
De regels voor asielzoekers om te mogen werken, gaan nog verder veranderen. Nu mogen asielzoekers die in de asielprocedure zitten na zes maanden gaan werken, straks mag dat al na drie maanden nadat hun asielprocedure is gaan lopen.
Let op! Het is nog niet bekend vanaf wanneer deze verandering ingaat.

Als je wilt werken met asielzoekers, dien je goed op de hoogte te zijn van de regels. Per 12 juni 2026 zijn er regels gewijzigd. En ook een andere wijziging is al aangekondigd.
LEES VERDER
Zo loopt er van 2 juli tot en met 28 augustus 2026 een internetconsultatie over het wetsvoorstel Passende huurcontracten. De bedoeling is om aan de ene kant huurders sneller huurbescherming te bieden, maar aan de andere kant voor studenten en arbeidsmigranten de mogelijkheid te bieden om een tijdelijk huurcontract af te sluiten.
Zo wordt verhuur voor korte duur (short stay) in het wetsvoorstel beperkt tot maximaal 30 dagen. Daarmee kan de short stay zonder huurbescherming eigenlijk alleen nog gebruikt worden voor vakantieverhuur.
Voor studenten komt er wel de mogelijkheid om een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten. Nu kan dat al als een student voor de studie verhuist naar een andere gemeente. Als het wetsvoorstel ongewijzigd wordt aangenomen kan dat straks ook voor een student die al binnen de gemeente woont. Het wordt daarnaast ook mogelijk om met een arbeidsmigrant een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten.
Let op! Het kabinet staat open om ook andere knelpunten op te lossen die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten op 1 juli 2024. In reactie op de internetconsultatie kan iedereen ideeën daarvoor aandragen.
Om hospitaverhuur aantrekkelijker te maken is bij de Tweede Kamer een wetswijziging ingediend om hospitaverhuur te stimuleren. Het streven is om met ingang van 1 januari 2027 het mogelijk te maken om:
Eigenaren van huurwoningen zijn verplicht om hun woningen dusdanig te verduurzamen dat deze uiterlijk op 1 januari 2029 minimaal het energielabel D hebben. Huurwoningen mogen dan niet meer de energielabels E, F of G hebben. Het ontwerpbesluit voor deze wettelijke minimumenergieprestatie-eisen voor huurwoningen is op 10 juli 2026 naar de Tweede en Eerste Kamer gezonden.
Let op! Voor het verduurzamen van je huurwoning kun je als private verhuurder een beroep doen op de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH).
Het kabinet gaat het juridisch makkelijker voor gemeenten maken om het optoppen, splitsen en woningdelen in bestaande gebouwen te faciliteren en belemmeringen weg te nemen. Hierdoor zouden de vergunningstrajecten minder complex en langdurig moeten worden.
Let op!Het kabinet geeft aan dat gemeenten niet hoeven te wachten op de juridische uitwerking van dit voornemen. Via het Nationaal Expertisecentrum Woningbouw (NEW) kunnen gemeenten ook nu al ondersteuning krijgen.

Het kabinet wil de vastgelopen woningmarkt proberen vlot te trekken. Hiervoor en voor de verduurzaming van huurwoningen zijn de afgelopen periode een aantal voorstellen gedaan.
LEES VERDER
Het gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:
Let op! Kun je aannemelijk maken dat het berekende gebruikelijk loon hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag je het gebruikelijk loon vaststellen op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
De bv moet een gebruikelijk loon aan jou uitbetalen als je een aanmerkelijk belang hebt in de bv (je hebt bijvoorbeeld minimaal 5% van de aandelen) én je ook werkzaamheden voor de bv verricht.
Een dga die in een jaar hartfalen had, liet de bv geen loon aan hem uitbetalen. De Belastingdienst was het daar niet mee eens en stelde het gebruikelijk loon vast op het loon van de meest verdiende werknemer, in casu € 26.470.
De dga stelde dat hij vanwege zijn ziekte geen werkzaamheden had verricht voor de bv en dat de gebruikelijkloonregeling daarom niet van toepassing was. De Belastingdienst gaf echter aan dat de dga administratieve werkzaamheden voor de bv had verricht. De Belastingdienst kon dat ook bewijzen omdat de dga had in het jaar diverse contactmomenten met de Belastingdienst gehad over de bv. De rechter vond dan ook dat was bewezen dat de dga werkzaamheden had verricht voor de bv.
De dga moest daarom een gebruikelijk loon in aanmerking nemen. De rechter stelde dit vast op het loon van de meest verdiende werknemer. De rechter gaf daarbij aan dat de dga niet bewezen had dat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking tot een lager loon zou leiden.
Ziekte betekent dus niet automatisch dat je geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te nemen. Dat is alleen het geval als je echt geen werkzaamheden meer hebt verricht voor de bv of dusdanig weinig werkzaamheden dat daarvoor een loon van maximaal € 5.000 per jaar gebruikelijk is.
Een lager loon is mogelijk als je kan bewijzen dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking dat hoort bij de werkzaamheden die je tijdens je ziekte nog kan verrichten, lager is.
Let op! Een en ander is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in je eigen specifieke situatie. Wil je geen of een lager gebruikelijk loon in aanmerking nemen omdat je werkzaamheden sterk zijn verminderd? Overleg dan met onze adviseurs of dit tot de mogelijkheden behoort en hoe je dat kunt onderbouwen richting de Belastingdienst.

Een dga die geen gebruikelijk loon aan zichzelf betaalde omdat hij in het jaar ziek was, kwam daar niet mee weg. Een rechter vond namelijk dat de Belastingdienst bewezen had dat hij werkzaamheden had verricht voor de bv. Wat speelde hier?
LEES VERDER
De verkoop van een bouwkavel vanuit privé is niet automatisch zonder btw. Het kan voorkomen dat de verkoper zogenoemde actieve stappen onderneemt, waardoor de verkoper voor de levering van de bouwkavel kwalificeert als btw-ondernemer. Dit geldt ook als die verkoop slechts eenmalig is. De levering van de bouwkavel is dan belast met 21% btw. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende zaak van een gerechtshof.
In deze zaak ging het een verkoper die in 2007 een landgoed met diverse opstallen kocht, waaronder een monumentenpand, arbeiderswoningen en een molen. De verkoper was van plan om de arbeiderswoningen te slopen en op die plek vier bouwkavels te realiseren. In 2014 sloot de verkoper een intentieovereenkomst met de gemeente en een molenstichting, waardoor de bebouwing van de vier kavels mogelijk werd. Verder had de verkoper onder meer een makelaar ingeschakeld voor de verkoop van de bouwkavels, een archeologisch bodemonderzoek laten uitvoeren, een vijver laten aanleggen en de oude toegangsweg richting de vier kavels laten verharden.
Het gerechtshof oordeelde dat de verkoper met deze inspanningen diverse actieve stappen ondernam die vergelijkbaar waren met die van een projectontwikkelaar. De verkoper had zich immers actief ingezet om de woningbouw mogelijk te maken en het terrein bouwrijp te maken. Daarom gingen de door de verkoper gezette stappen verder dan de loutere uitoefening van een eigendomsrecht en handelde de verkoper als btw-ondernemer. Dit betekende dat de levering van de bouwkavel vanuit privé was belast met 21% btw. De verkrijging van de bouwkavel was vrijgesteld van overdrachtsbelasting.
Stel dat bij de verkoop van de bouwkavel vanuit privé wel sprake is van de loutere uitoefening van een eigendomsrecht. Dan leidt die verkoop niet tot btw-ondernemerschap, omdat sprake is van het beheer van privévermogen. De levering van de bouwkavel is in die situatie vrijgesteld van btw. De verkrijging van de bouwkavel is dan belast met overdrachtsbelasting.
Let op! Er bestaat veel jurisprudentie over deze problematiek. Soms kan de verkoop van een bouwkavel ook meeliften op het voor andere activiteiten al bestaande btw-ondernemerschap van de verkoper. De gevolgen voor de btw en overdrachtsbelasting zijn erg afhankelijk van de exacte feiten en omstandigheden en verschillen daarom per situatie. Breng deze feiten en omstandigheden daarom duidelijk in kaart en beoordeel met onze adviseurs op basis daarvan wat dit betekent voor de btw en de overdrachtsbelasting.

Verkoopt je klant een stuk grond dat hij of zij in privé bezit? Afhankelijk van welke (voorbereidende) handelingen je klant verricht, kan die verkoop leiden tot btw-heffing.
LEES VERDER