De gebruikelijkloonregeling geldt voor elke aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een bv die ook werkzaamheden verricht voor die bv.
Let op! Verricht uw fiscale partner ook werkzaamheden voor de bv, dan moet ook voor uw partner een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen.
Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan in 2025 toen dit nog € 56.000 bedroeg.
Tip! Komt het berekende loon hoger uit dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag u uw gebruikelijk loon vaststellen op dat lagere loon. De discussie met de Belastingdienst hierbij zal met name gaan over de vraag of het door u gestelde loon inderdaad het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.

Een dga die werkt voor zijn eigen bv moet een gebruikelijk loon genieten uit zijn bv. Het normbedrag binnen de gebruikelijkloonregeling stijgt per 2026 naar € 58.000.
LEES VERDER
Bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding dient onder meer gekeken te worden naar eerdere dienstverbanden als deze zes maanden of korter geleden zijn beëindigd. In een aan de Hoge Raad voorgelegde zaak, ging het om een werknemer die door de werkgever binnen zes maanden na diens ontslagname was teruggevraagd. Er was vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten. Naar de letter van de wet telt dan het oude dienstverband mee.
De nieuwe arbeidsovereenkomst werd later door de kantonrechter ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie (de zogenaamde g-grond). De werknemer was het vervolgens niet eens met de berekening van de transitievergoeding.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het meenemen van het eerdere dienstverband, beëindigd door de werknemer zelf, niet overeenkomstig de geest van de wet is zoals deze naar voren komt uit de parlementaire stukken en de wet dus niet zo moet worden uitgelegd.
Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke wetsuitleg mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer – zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever – niet worden meegerekend bij de toepassing van de wet, waar het gaat om de samentelling van dienstverbanden ter bepaling van de hoogte van de transitievergoeding.
In deze casus hoefde de werkgever bij het vaststellen van een transitievergoeding dus niet de eerdere arbeidsovereenkomst mee te rekenen in de uiteindelijke transitievergoeding.

De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het brutomaandsalaris verschuldigd. Is dat altijd het geval?
LEES VERDER
Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad.
Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.
Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.
Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.
Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.
U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.
LEES VERDER
Mag dan bij de waardebepaling hiervan rekening worden gehouden met een lagere waarde vanwege duurzame bewoning? En zo ja, in welke mate?
In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Holland kwam deze vraag aan de orde bij de aangifte van een fysiotherapeut die zijn bedrijf gestaakt had. Hij voerde zijn praktijk vanuit het bedrijfsdeel van een woon-bedrijfspand, die hij als ondernemingsvermogen had aangemerkt. Bij het staken van zijn bedrijf ging dit bedrijfsdeel over naar privé en moest hij fiscaal afrekenen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het bedrijfsdeel. Bij de berekening van de werkelijke waarde had hij met lagere waarde vanwege duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel rekening gehouden.
De Belastingdienst accepteerde die lagere waarde niet, omdat het bedrijfsdeel alleen gebruikt werd voor ondernemingsactiviteiten en niet voor duurzame zelfbewoning.
De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast dat er sprake is van een lagere waarde door duurzame zelfbewoning, bij de fysiotherapeut lag. Verder stelde de rechtbank dat volgens eerdere rechtspraak het bedrijfsdeel voor de overgang naar privé al duurzaam bewoond moet zijn.
De fysiotherapeut moest dus aannemelijk maken dat ook het bedrijfsgedeelte al voor de staking van zijn onderneming duurzaam door hem bewoond werd. Dat deed hij onder meer door aannemelijk te maken dat het bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk kon worden verhuurd of verkocht, zonder vergaande afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte. Het praktijkgedeelte van het pand had daarnaast weliswaar een eigen opgang, maar had geen eigen sanitair of aansluitingen voor gas en elektra. Ook was er slechts een dunne scheidingswand met het privégedeelte aanwezig en bevond zich hierin een doorgang. Tot slotvormde het pand één kadastraal geheel, zodat het bedrijfsdeel niet zelfstandig verkocht kon worden.
De rechtbank stelde op grond van de argumenten en aangevoerde feiten door de fysiotherapeut vast, dat het pand na staking uitsluitend voor privédoeleinden bestemd was. De conclusie luidde dan ook dat met de duurzame zelfbewoning rekening moest worden gehouden bij de waardebepaling van het bedrijfsdeel.
De Belastingdienst probeerde het nog wel over een andere boeg. De rechtbank ging echter niet mee met de stelling van de inspecteur dat het bedrijfsdeel ten onrechte tot het ondernemingsvermogen was gerekend. De rechtbank gaf aan dat over het algemeen de wil van belastingplichtige beslissend is om een gemengd pand al dan niet (deels) tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij dit de redelijkheid te buiten gaat. Dit was hier niet het geval.
De rechtbank besloot vervolgens de waardevermindering vanwege duurzame zelfbewoning vast te stellen op 15%, zich baserend op een goedkeurend besluit van de Belastingdienst uit 2018. De waarde van het praktijkdeel werd overeenkomstig deze vermindering vastgesteld.

Als u voor uw onderneming in de inkomstenbelasting gebruikmaakt van een gedeelte van een pand, terwijl u in het andere deel woont, kunt u het bedrijfsdeel over het algemeen als ondernemingsvermogen aanmerken. Bij staking van uw onderneming gaat het bedrijfsdeel dan over naar privé en moet u hierover fiscaal afrekenen.
LEES VERDER
Let op!Een hoorgesprek hoeft niet plaats te vinden als u verklaart ervan af te willen zien of als u niet binnen een redelijke termijn verklaart ervan gebruik te willen maken.
In een zaak die onlangs tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten, ging het om de vraag of de door de inspecteur gestelde termijn voor het hoorgesprek te kort was. In deze zaak hadden eerst de belastingplichtige en daarna de inspecteur een eerdere afspraak over het hoorgesprek geannuleerd.
De inspecteur stelde daarop een nieuwe termijn voor een hoorgesprek vast, maar het hoorgesprek moest dan al vier of vijf dagen later plaatsvinden. Tussen de verzenddatum van de uitnodigingbrief en de genoemde termijnen lag bovendien een weekend. Omdat hierop niet werd gereageerd, werd het bezwaar door de inspecteur afgewezen.
De belastingplichtige stelde dat de termijn voor het hoorgesprek te kort was. Hij kreeg van de rechtbank en het gerechtshof geen gelijk, maar in cassatie van de Hoge Raad wel. Die noemde de door de inspecteur gestelde termijn onaanvaardbaar kort.
De inspecteur had gesteld dat hij de eerdere afspraak voor het hoorgesprek had geannuleerd, omdat hij in afwachting was van nadere informatie over het geschil. De Hoge Raad vond dit niet van belang. Dat de zaak al langere tijd speelde en dat de belastingplichtige dus genoeg tijd had gehad zich op het hoorgesprek voor te bereiden, was in de ogen van de Hoge Raad evenmin een argument een dermate korte termijn te stellen. Dat gold ook voor het feit dat de inspecteur gedwongen was op korte termijn op het bezwaar te beslissen, omdat anders een dwangsom verschuldigd zou zijn.
De Hoge Raad besliste dan ook dat de inspecteur opnieuw uitspraak moest doen op het bezwaar.

Als u het met een belastingaanslag niet eens bent, kunt u bezwaar aantekenen. Voordat de inspecteur op uw bezwaar beslist, stelt hij u in de gelegenheid over uw bezwaar te worden gehoord. De inspecteur dient u van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. De termijn hiervoor moet redelijk zijn en niet te kort. Wanneer is sprake van ‘te kort’? Een casus.
LEES VERDER
De wettelijke beslistermijn bedraagt acht weken. Dit heeft de wetgever een redelijke termijn gevonden. Als de beslissing niet binnen acht weken kan worden afgegeven, moet het UWV daarover berichten en moet daarbij vermelden wanneer zij de beslissing dan wel kunnen nemen. Het UWV streeft er met ingang van 1 januari 2026 dus naar om mensen binnen zestien weken een beoordeling en duidelijkheid te geven. Dit betekent dat werknemers pas later dwangsommen kunnen gaan verbeuren.
In individuele situaties mag van de beslistermijn worden afgeweken en wel in de volgende gevallen:
De vraag is wel wat de juridische grondslag is voor de voorgenomen generieke verdubbeling. Bij overmacht moet het gaan om “een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen.”
De bestaande tekorten aan verzekeringsartsen zijn niet nieuw en waren voorzienbaar. Deze gang van zaken biedt geen oplossing voor de bestaande problemen bij het UWV waarvan mensen de dupe worden. De vraag is dan ook of deze beslissing dan ook juridisch standhoudt.

Het UWV heeft aangekondigd vanaf januari 2026 ‘tijdelijk’ de beslistermijn voor werknemers die een WIA-uitkering of een herbeoordeling aanvragen te verdubbelen van acht naar zestien weken.
LEES VERDER
De voorlopige aanslag(en) voor 2026 kunt u vanaf eind december terugvinden in uw Berichtenbox in Mijn Belastingdienst. De papieren versie van de aanslag wordt in januari 2026 ook per post bezorgd.
Let op! Betaalt u vóór de dagtekening, dan kunnen de systemen van de Belastingdienst dit mogelijk niet correct verwerken en worden de bedragen teruggestort.
De datum waarop de betaling bij de Belastingdienst binnen moet zijn, is afhankelijk van de wijze van betaling. U kunt ineens betalen, maar ook in termijnen. De uiterste datum van de betaling ineens of in termijnen, staat vermeld op de voorlopige aanslag.
Tip! U kunt ook voor een automatische betaling kiezen, waardoor een betaling bij voldoende saldo op uw rekening nooit te laat wordt gedaan.
De Belastingdienst baseert uw voorlopige aanslag op gegevens uit het verleden, de laatste definitieve aanslag of voorlopige aanslag van het voorgaande jaar. Controleer of de gebruikte gegevens niet te veel afwijken van uw huidige situatie. Is dit wel zo, dan is het verstandig de voorlopige aanslag (online) te wijzigen, zeker als u verwacht bij te moeten betalen.
U kunt uw voorlopige aanslag wijzigen in Mijn Belastingdienst. Als u bent ingelogd kunt u de betreffende gegevens vervangen door de juiste.
Tip! Ontvangt u de voorlopige aanslag 2026, dan kijken wij graag voor u of alles nog klopt.

Veel belastingplichtigen, zo ook ondernemers in de inkomstenbelasting, kunnen al in december 2025 de voorlopige aanslag voor 2026 ontvangen. De Belastingdienst wijst erop dat u deze voorlopige aanslag pas ná de dagtekening moet betalen.
LEES VERDER
Een gemeente kan voor een aantal zaken belasting heffen. Dat geldt onder meer voor parkeren, waarvoor u parkeerbelasting verschuldigd kunt zijn. Betaalt u niet of te weinig, dan kan een naheffingsaanslag worden opgelegd inclusief kosten.
Let op! Deze kosten bedragen dit jaar maximaal € 78,80 en stijgen in 2026 naar € 82.
Rechtbank Den Haag moest de vraag beantwoorden wat de gevolgen zijn als een raming van de kosten achteraf onjuist blijkt en deze raming wordt bijgesteld. In het betreffende geval had een automobilist een naheffing parkeerbelasting gehad met een bedrag van € 51,09 aan kosten. Omdat een gemeente niet meer kosten in rekening mag brengen dan men zelf voor het handhaven van de parkeerbelasting maakt, stond de vraag centraal of de kostenraming wel klopte.
Duidelijk werd dat de raming enkele fouten bevatte. In totaal was er in de raming voor een bedrag van ruim € 37.000 te veel aan kosten geraamd. Daar stond echter tegenover dat in de raming per ongeluk een veel groter bedrag aan kosten niet was opgenomen, onder andere het lidmaatschap van de gemeente van de Coöperatie Parkeerservice. Deze coöperatie beheert de parkeerautomaten en rijdt met scanauto’s rond. Deze kosten hadden ook meegenomen moeten worden, aldus de gemeente.
De rechtbank kwam op grond van rechtspraak uit het verleden tot de conclusie dat het is toegestaan om tijdens een procedure een kostenraming te herzien. Het gaat er immers slechts om dat niet meer kosten in rekening worden gebracht dan de kosten die de gemeente zou hebben geraamd, uitgaande van de juiste cijfers. Daarbij rust op de gemeente de bewijslast.
Nu dit in deze zaak uit de cijfers bleek, werd de gemeente in het gelijkgesteld en bleef de naheffing parkeerbelasting in stand.

Als u een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt, betaalt u ook voor de hiermee verband houdende kosten. De omvang van deze kosten wordt door de gemeente zo goed mogelijk geraamd. Mag een dergelijke raming achteraf ook worden bijgesteld?
LEES VERDER
Nieuwe werknemers krijgen dus vanaf 2028 allemaal dezelfde premie, ongeacht leeftijd. Ook krijgen zij allemaal eenzelfde partnerpensioen, zijnde een vast percentage van het salaris. Dat deze premie afwijkt van een vergelijkbare werknemer qua leeftijd die al werkzaam is, mag op grond van objectieve discriminatie. Iemand is immers in dienst per 2028 of nog niet. Dat laat onverlet dat het ‘scheve ogen’ kan geven, zeker als een nieuwe werknemer meer premie krijgt als een zittende werknemer die al jaren voor het bedrijf werkt. Dat geldt ook voor een oudere werknemer die minder krijgt dan een zittende werknemer van vergelijkbare leeftijd, ook al is deze al lang(er) werkzaam.
Let op! Uitgezonderd zijn werknemers die gebruikmaken van het overgangsregime. Dat zijn werknemers die nu een stijgende beschikbare premiestaffel hebben en per ultimo 2027 in dienst zijn. Zij mogen dan de maximale premie van 30% zelfs overschrijden.
De eerste vraag is dan wat een ‘goede premie’ is. Dat hangt in ieder geval af van de eigen bijdrage van een werknemer. Als de werkgever 15% betaalt zonder eigen bijdrage, dan is dat immers ‘beter’ dan 18% met een eigen bijdrage van 1/3, zijnde 6%.
Bij pensioenfondsen ligt de gemiddelde premie vaak rond de 25%, dat is dan wel inclusief premie voor het partnerpensioen, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en kosten. In de vrije markt ligt de gemiddelde premie rond de 18 tot 20%, waarbij de kosten voor risicopremies daar nog bovenop komen voor de werkgever. In adviesbranches zoals consultants, IT en accountantskantoren ligt de premie vaak ‘nog’ lager, rond de 10 tot 12%. Dat is dus relatief laag. Immers, bij een premie van 15% moet netto 4% rendement worden gehaald om ongeveer op een middelloonpensioen uit te komen. Daar zit dan eigenlijk nog geen inflatiecorrectie in. Uiteraard is de hoogte van de pensioenpremie een keus en vaak ook een ‘ruil’ tussen salaris of pensioen. Maar een premie van minimaal 15 tot 18%, met een eigen bijdrage van 1/3, is wel het minimale wat nodig is voor een redelijk pensioen, zeker ook om concurrerend te zijn als werkgever.
Formeel hebben zij geen recht daarop, maar het kan een optie zijn. Zeker als in de bestaande regeling geen, maar in de nieuwe regeling wel een eigen bijdrage zit, kan het zowel voor werknemer als werkgever toch een aantrekkelijk optie zijn om ‘meer’ pensioen op te bouwen.
Dat het verschil in pensioenpremie – pensioen wordt niet voor niets ook wel uitgesteld salaris genoemd – vroeg of laat discussie op de werkvloer gaat geven, mag duidelijk zijn. De juridische onderbouwing om dat toch toe te staan is prima, maar zal niet altijd acceptabel zijn. Zeker als er daarna weer fusies of overnames volgen, met nog meer verschil in pensioenpremie, zal dat betekenen dat er op termijn toch (weer) geharmoniseerd moet worden.

Alle pensioenregelingen moeten per 2028 voldoen aan de Wet toekomst pensioenen. Dat betekent dat alle werknemers, jong/oud, fulltime/parttime, een gelijke premie (flatrate) moeten krijgen.
LEES VERDER
In deze procedure draaide het met name om de vraag of het verkopen van de plastic draagtassen voor de btw als een zelfstandige prestatie moest worden aangemerkt. Uitgangspunt voor de btw is bij levering van verschillende prestaties op iedere prestatie het behorende btw-tarief moet worden toegepast. Alleen in bepaalde situaties kan hiervan worden afgeweken.
Afwijken is aan de orde als meerdere prestaties zo nauw met elkaar verbonden zijn dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Afwijken is ook mogelijk als er bij verschillende prestaties sprake is van één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Een bijkomende prestatie is geen doel op zich, maar een middel om van de hoofdprestatie optimaal gebruik te kunnen maken. Alleen in deze situaties volgt het bijkomende product het btw-tarief van de hoofdprestatie.
De rechtbank en het gerechtshof Amsterdam komen tot de conclusie dat de draagtasjes als zelfstandige prestatie aangemerkt moeten worden. Ze zijn niet bijkomend, maar juist een doel op zich voor de consument die in de supermarkt geen boodschappentas bij zich heeft. De consument heeft dan ook de keuze al dan niet een draagtas aan te schaffen en moet hier ook apart voor betalen.
Een draagtasje kan ook niet als verpakkingsmateriaal worden betiteld en volgt dus niet het btw-tarief van de hoofdprestatie, aldus de rechters. Het is immers geen onderdeel van een product, maar ze zijn bij aankoop juist leeg. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat op de prestatie ‘draagtas’ het hoge btw-tarief van 21% moet worden toegepast.
De Hoge Raad is het hiermee eens en laat de uitspraak van het Hof Amsterdam dan ook in stand.

Consumenten kunnen in een winkel vaak voor een gering bedrag een plastic draagtas aanschaffen. Een eigenaar van supermarkten procedeerde tot aan de Hoge Raad om te achterhalen of op deze tasjes terecht het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is.
LEES VERDER