Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen door de Wet meer zekerheid flexwerkers per 1 januari 2028 meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. Het uitgangspunt wordt dat tijdelijke contracten bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na drie tijdelijke contracten mag er pas na drie jaar weer voor dezelfde werkgever worden gewerkt. Nu is die tussenperiode nog zes maanden. Op die manier wordt beoogd een einde te maken aan draaideurconstructies.
Let op! Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos zes maanden. Daarnaast blijft voor seizoensarbeid een onderbrekingstermijn van drie maanden mogelijk.
Ook mogen als uitgangspunt geen nulurencontracten meer worden overeengekomen. Die moeten vervangen worden door bandbreedte contracten. Het verschil tussen het minimum- en het maximumaantal uren mag maximaal 30% bedragen. Oproepen die boven het maximum zitten mag de werknemer weigeren en bij structureel meer werk moet de werkgever een contract met meer uren aanbieden.
Let op! Voor bijbanen van AOW-gerechtigden, scholieren en studenten met een andere hoofdactiviteit geldt een uitzondering.
Uitzendkrachten moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit onderdeel treedt eerder in werking, namelijk op 31 december 2026.
De wet betreft een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is de tweede wet van het arbeidsmarktpakket die is aangenomen. Eerder is de wet Invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief al aangenomen.

De Eerste Kamer heeft op 7 juli 2026 ingestemd met het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers. De wet treedt per 1 januari 2028 in werking.
LEES VERDER
Uiterlijk 1 oktober 2027 moet aan de uitvoerder worden doorgegeven hoe de nieuwe pensioenregeling er vanaf 2028 gaat uitzien. Er zijn dan 5 (globale) keuzes die gemaakt moeten worden. Daarnaast is uiteraard de nodige fine-tuning nodig.
De ondernemingsraad moet instemmen met alle wijzigingen. Dit proces duurt vaak maanden, dus ook in dat kader is op tijd beginnen aan te raden. Ook de kostendoorrekeningen vergen tijd en de agenda’s van pensioenadviseurs en -rekenaars beginnen echt vol te lopen.
Let op! Let er goed op dat alle pensioenregelingen worden meegenomen. Dus ook een netto-pensioenregeling, gesloten pensioenregelingen waarin geen nieuwe werknemers meer mogen deelnemen en excedent- en vrijwillige pensioenregelingen, dus aanvullend op de basispensioenregeling. Ook is het (weer) een goed moment om te checken of alle werknemers deelnemen en/of een afstandsverklaring hebben getekend.
Natuurlijk zal de Minister niet nu al aangeven dat de deadline van 1 januari 2028 wordt verlengd. Dan blijven veel werkgevers natuurlijk niets doen. Maar als het nodig is zal deadline echt wel opgerekt worden. Toch lijkt wachten en risico lopen niet verstandig. Aan de slag dus!

De Wet toekomst pensioenen is per juli 2023 ingevoerd, en het overgangsregime loopt tot eind 2027. Alle pensioenfondsen zijn al volop bezig met de transitie of zelfs al klaar. De ‘vrije markt’, werkgevers die de pensioenregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar of PPI zijn echter nog lang niet zover. De einddatum van eind 2027 komt echter steeds dichterbij en zal niet worden verlengd, zo meldde Minister Vijlbrief begin juli 2026 nog.
LEES VERDER
De wet en het toelatingsstelsel gaan op 1 januari 2027 in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten zich in beginsel vóór die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) melden. Bedrijven die een SNA-keurmerk hebben kunnen later een aanvraag doen.
Let op! De wetsartikelen die nodig zijn voor een goede uitvoering en implementatie van het toelatingsstelsel zijn op 1 juli 2026 als in werking getreden.
De wet richt zich op partijen die arbeidskrachten – dus ook zzp’ers – ter beschikking stellen aan derden (zoals bedoeld in de WAADI). Onder uitleners vallen onder meer:
Let op! Collegiale uitleen, waarbij geen winst wordt gemaakt of in- en uitleen binnen concernverband valt straks niet onder het toelatingsstelsel.
Betreft het bedrijven die in zeer beperkte mate arbeidskrachten ter beschikking stellen, dan kunnen ze om ontheffing verzoeken waarbij de volgende voorwaarden gelden:
Om toegelaten te worden, moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag voor rechtspersonen (VOG RP), moeten zij aantonen dat zij voldoen aan relevante wetgeving (zoals het wettelijk minimumloon) en moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt in eerste instantie een waarborgsom van € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000). Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.
Het toelatingsstelsel treedt op 1 januari 2027 in werking. Alhoewel het aanvraagproces dan in werking treedt, gaat het aanvraagloket later open. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.
Er geldt een overgangsregeling voor bestaande uitleners die zich tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 hebben aangemeld voor die overgangsregeling. Als zij van 1 mei 2027 tot en met 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating doen, kunnen zij personeel blijven uitlenen gedurende de tijd dat de NAU hun aanvraag beoordeelt.
Let op! Uitleners die op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk hebben, hoeven geen aanmelding te doen voor de overgangsregeling. Zij moet wel een aanvraag tot toelating doen.
De uitlener betaalt een eenmalige vergoeding (leges) voor een aanvraag tot toelating of ontheffing aan de NAU, maar daarnaast ook een jaarlijkse vergoeding. De vergoeding voor de behandeling van een aanvraag bedraagt € 1.960, de jaarlijkse vergoeding voor behoud van de toelating € 13.427.
Let op! Deze bedragen worden jaarlijks opnieuw vastgesteld.
Ook inleners moeten rekening houden met de Wtta. Zij mogen alleen zaken doen met toegelaten uitleners op straffe van een boete. Het uitleen- en inleenverbod treedt pas met ingang van 2028 in werking. Dit geeft uitleners en inleners de tijd hun bedrijfsvoering aan te passen en zich voor te bereiden op de toelatingsplicht.
In 2027 ligt de nadruk op voorlichting en ondersteuning, waarna de formele handhaving door de Nederlandse Arbeidsinspectie start op 1 januari 2028.
Tip! Meer informatie is te vinden op: www.toelatinguitleenmarkt.nl.

De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten regelt dat er voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) een toelatingsstelsel komt. De wet treedt gefaseerd in werking.
LEES VERDER
In zero-emissie zones mogen geen zakelijke vracht- en bestelauto’s rijden die schadelijke stoffen uitstoten. Op dit moment zijn er in 19 steden, waaronder alle grote steden, zero-emissie zones. Ook Schiphol is als zodanig aangewezen.
Er gelden overgangsregelingen voor bestaande vracht- en bestelauto’s, zodat ondernemers op de nieuwe regels kunnen anticiperen. Voorgesteld wordt om de overgangsregeling voor bestelauto’s met emissieklasse 6 en een Datum Eerste Toelating (DET) van vóór 2025 met één jaar te verlengen. Genoemde bestelauto’s mogen nu nog tot 1 januari 2028 in zero-emissie zones rijden, maar als het voorstel doorgaat wordt dit 1 januari 2029. De verlenging betreft de grootste en minst vervuilende groep bestelauto’s.
Let op!Bestelauto's met een emissieklasse 5 hebben maar tot 1-1-2027 toegang tot de zero-emissiezones en dit blijft zo. Bestelauto’s met emissieklasse 4 of lager hebben sinds 1 januari 2025 al geen toegang meer hebben tot de nul-emissiezones.
Met het verlengen van de overgangsmaatregel wil men het voor ondernemers makkelijker maken om op een geschikter moment over te stappen op uitstootvrije bestelauto’s. Ook is er op deze manier meer tijd om bijvoorbeeld laadpalen te installeren, zodat ondernemers minder vaak een ontheffing nodig hebben.
Let op! Particulieren die hun voertuig niet zakelijk gebruiken, kunnen in de meeste gevallen een ontheffing krijgen, zodat ze toch in zero-emissie zones kunnen rijden.
Belangstellenden kunnen tot en met 13 augustus 2026 via een internetconsultatie op de voorstellen reageren.

Het kabinet wil de minst vervuilende bestelauto’s langer toegang verlenen tot zogenaamde zero-emissie zones. Het wil daarom het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens aanpassen. Belangstellenden kunnen tot en met 13 augustus 2026 op de voorstellen reageren.
LEES VERDER
Volgens een gerechtshof kon een bv als zogenoemde eigenbouwer kwalificeren, omdat de algehele leiding van de renovaties bij haar berustte. Wat speelde hier en wat waren de consequenties voor de bv?
Een bv verworf in de periode 2008 tot en met 2016 ongeveer 200 gedateerde woningen. Deze woningen liet de bv renoveren volgens een standaardconcept. Daarna verkocht de bv de gerenoveerde woningen.
De bv besteedde alle werkzaamheden feitelijk uit aan een vaste aannemer. In de genoemde jaren waren dat achtereenvolgens onder meer een CV, een Ltd. en een bv geweest. Deze aannemers zijn in 2014, 2016 en 2018 ontbonden of failliet verklaard. Zij hadden grote btw-bedragen niet aangegeven, ten onrechte in aftrek gebracht en onbetaald gelaten.
Tijdens een boekenonderzoek nam de Belastingdienst het standpunt in dat de bv een zogenoemde eigenbouwer was. Voor de btw-verleggingsregeling in de bouw werd de bv daarom gelijkgesteld met een aannemer.
Dat betekende dat de aannemers de btw op de renovatiediensten hadden moeten verleggen naar de bv. Nu dit niet gebeurd was, legde de Belastingdienst btw-naheffingsaanslagen op aan de bv. Bij de berekening van de btw-naheffingen, bracht de Belastingdienst de btw die de CV, Ltd en bv wel hadden betaald aan de Belastingdienst in mindering op de btw die de bv verschuldigd was als eigenbouwer.
De bv was het niet mee eens met de btw-naheffingsaanslagen en ging in beroep. Volgens de rechtbank was de bv geen eigenbouwer, omdat de Belastingdienst niet aannemelijk maakte dat de betrokkenheid van de bv bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een gewone opdrachtgever.
De Belastingdienst ging in hoger beroep. Het gerechtshof was van mening dat de Belastingdienst wel aannemelijk maakte dat de algehele leiding van de renovaties bij de bv berustte. De betrokkenheid van de bv bij de bouw ging verder dan een gewone opdrachtgever, omdat de bv haar eigen technische en organisatorische kennis inzette om de renovaties tot het naar haar gewenste resultaat te brengen. Bovendien behoorden de renovaties, gelet op de regelmaat waarmee de bv de 200 renovaties liet uitvoeren, tot de normale bedrijfshandelingen van de bv. Dit betekende dat de bv kwalificeerde als eigenbouwer en de btw-naheffingsaanslag terecht waren opgelegd.
Let op!Ga altijd goed na of niet onverhoopt een btw-verleggingsregeling van toepassing is. Als de aannemer/onderaannemer de btw ten onrechte niet verlegt, kan dat een dure vergissing voor je worden. Als de Belastingdienst stelt en aannemelijk kan maken dat je een eigenbouwer bent, kan de door de aannemer/onderaannemer niet afgedragen btw namelijk op jou verhaald worden.

Leidt het voeren van de algehele leiding over renovaties van woningen tot btw-eigenbouwerschap? En wat betekent het als je geen opdrachtgever maar eigenbouwer bent voor de btw?
LEES VERDER
Dit blijkt uit het SRA-Branches in Zicht-onderzoek 2026. Voor dit onderzoek zijn 7061 jaarrekeningen van mkb-bedrijven (exclusief zzp’ers) geanalyseerd. Meer dan 99% van alle bedrijven in Nederland behoort tot het mkb (Staat van het mkb, 2025).
Het SRA-onderzoek laat zien dat ondernemers hun investeringen uitstellen. Het eigen vermogen en de liquide middelen zijn toegenomen en ondernemers hebben minder geleend om investeringen te financieren.
“Over 2025 zien we een magere winstgroei ten opzichte van de omzet, waardoor er steeds minder geld overblijft voor investeringen. We zien onzekerheid door de toegenomen personeels- en inkoopkosten en inconsistent overheidsbeleid. Daarbovenop liggen grote opgaven, zoals personeelskrapte, netcongestie, AI, digitalisering en is er onzekerheid door de onrust in het Midden-Oosten”, aldus Van der Kwaak.
Uit de BiZ-analyse blijkt dat de omzet van het mkb over 2025 met 6,4% toenam ten opzichte van het jaar ervoor, terwijl de winststijging 3,4% bedroeg. Achter de omzettoename van 6,4% gaat bovendien voor een groot deel inflatie schuil (3,3%).
De helft van alle ondernemingen zag de winst dalen, waarvan 24% met 50% of meer. De oorzaak ligt in de toename van de inkoopkosten (6,1%) en de personeelskosten (8,5%). De micro-ondernemingen (met 2-10 medewerkers) hebben naar verhouding het minst gepresteerd: 52% zag de winst dalen (versus 50% gemiddeld in het mkb).
Tot de coronaperiode steeg het winstpercentage in het mkb elk jaar ongeveer juist twee keer zo hard als de omzetstijging, terwijl de afgelopen jaren de winstgroei in relatie tot de omzet flink afvlakte.
41% van de ondernemers noemt hogere kosten het grootste effect van onzekerheid en het personeelstekort de grootste belemmering voor de productiviteit (Staat van het mkb, 2025).
Omzet- en winstontwikkeling mkb
Grote verschillen tussen branches
Op brancheniveau liepen de cijfers flink uiteen. Op sectorniveau was de winstdaling gemiddeld het grootst bij bouw (-11,2%), horeca (-4,8%) en retail (-2,7%). Positieve uitschieters met een bovengemiddelde winsttoename waren specialistische zakelijke diensten (15,5%), industrie (13,3%), logistiek en zorg (beide 5%).
De vier grote steden kenden het grootste aandeel ondernemingen met een daling van de winst: 55% (versus 50% voor heel Nederland). Hiervan had 31% een winstdaling van 50% of meer (versus 24% mkb-gemiddeld).
Het SRA-onderzoek Branches in Zicht 2026 bevat de belangrijkste financiële kengetallen van het Nederlandse mkb. Het onderzoek is gebaseerd op een grootschalige cijferanalyse van 7061 jaarrekeningen over 2025 uit het SRA-benchmarkplatform BiZ, dat in totaal over de jaren heen 500.000 jaarrekeningen bevat. De cijfers zijn rechtstreeks afkomstig van de jaarrekeningen van klanten van SRA-accountantskantoren. De betrouwbaarheid is gegarandeerd, omdat de data volledig automatisch en anoniem worden verzameld vanuit de software. De massa, validiteit en actualiteit van deze data zijn uniek.
Dit rapport bevat, naast de gemiddelde prestaties over 2025 in het mkb als geheel, ook de financiële prestaties (omzet, winst, kosten) van ondernemers in de branches bouw, detailhandel, horeca, industrie, logistiek, medische zorg en specialistische zakelijke dienstverlening.
SRA is de grootste vereniging van accountantskantoren werkzaam voor het mkb. Sinds 1989 vormen wij een landelijke vereniging van 386 zelfstandige accountantskantoren, die 1.060 vestigingen, 3.900 accountants (AA’s en RA’s), 1.800 fiscalisten (NOB en RB) en in totaal 22.500 professionals met elkaar verbindt. De SRA-kantoren bedienen 65% van het mkb.

Mkb-ondernemers zetten hun investeringen ‘on hold’. Er blijft steeds minder winst over voor investeringen, ook in 2025. “De mkb-ondernemer houdt de adem in. Dat de investeringen achterblijven is zorgwekkend, want dat betekent stilstand in plaats van groei. En dat terwijl het mkb voor grote opgaven staat en innovatie daarvoor essentieel is”, zegt Pieter van der Kwaak, bestuurslid van SRA.
LEES VERDER
Een tachograaf houdt de rij- en rusttijden van de chauffeur bij, evenals de snelheid en de afgelegde afstand. Een slimme tachograaf houdt daarnaast automatisch bij of de grens wordt gepasseerd. Het voordeel hiervan is dat de chauffeur dan zelf niet meer handmatig de landcode hoeft te wijzigen.
De slimme tachograaf was tot 1 juli 2026 al verplicht voor bussen en touringcars die meer dan acht personen vervoeren (zonder de bestuurder mee te rekenen). Ook was de slimme tachograaf al verplicht voor vrachtwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kilo.
Let op! De maximummassa is het eigen gewicht van het voertuig plus het maximale laadvermogen.
Vanaf 1 juli 2026 is het verplichte gebruik van slimme tachografen uitgebreid. De slimme tachograaf geldt vanaf die datum ook voor onder andere bestelbussen en auto’s met een aanhangwagen. Het voertuig moet een toegestane maximummassa tussen 2.501 en 3.500 kilo hebben en er moet in het buitenland goederen mee vervoerd worden of er moet sprake zijn van cabotagevervoer. Cabotagevervoer betekent dat je bedrijf in Nederland is gevestigd, maar dat met je bedrijfsvoertuig in een ander EU-land goederen of mensen vervoerd worden.
Tip! De toegestane maximummassa staat vermeld op het kentekenbewijs.
Er geldt ook een aantal vrijstellingen van de tachograafplicht, bijvoorbeeld voor campers en kampeerwagens met een toegestane maximummassa tot en met 7.500 gram.
Ook vrijgesteld zijn voertuigen voor het vervoeren van apparatuur door professionals, zoals het gereedschap van een loodgieter. Hiervoor geldt als voorwaarde dat het voertuig maximaal 12 uur per week (op basis van een werkweek van 40 uur) mag worden gebruikt en alleen in een straal van 100 kilometer rondom de vestiging van het bedrijf.
Let op! De slimme tachograafplicht geldt alleen als met het voertuig ook goederen worden vervoerd in het buitenland. De bestelbus of auto met aanhangwagen van de loodgieter die alleen in Nederland goederen vervoerd hoeft dus geen slimme tachograaf te hebben, ook niet als de loodgieter meer dan 12 uur per week van het voertuig gebruik maakt.
Verder zijn vrijgesteld volledig elektrische voertuigen en voertuigen met waterstofbrandstofcel die een toegestane maximummassa tussen de 3.501 en 4.250 kilogram hebben en binnen 100 kilometer van de vestigingsplaats en binnen Nederland blijven.
Voertuigen tussen de 2.501 en 3.500 kilo die alleen voor de onderneming of de bestuurder worden gebruikt, zijn ook vrijgesteld. Als extra voorwaarde geldt dan dat het vervoeren van producten niet het hoofddoel van de onderneming of bestuurder mag zijn.
Let op! Op de site van de ILT tref je ook een overzicht aan van alle nationale en internationale vrijstellingen inzake de tachograafplicht.
De controle op de slimme tachograaf wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Bij overtreding van de regels of wanneer geen slimme tachograaf is geïnstalleerd kunnen boetes volgen en kan de vervoersvergunning worden ingetrokken.

Vanaf 1 juli 2026 is een slimme tachograaf ook verplicht voor lichtere bedrijfsvoertuigen waarmee buiten Nederland goederen vervoerd worden. Met behulp van een slimme tachograaf kan beter gecontroleerd worden of vervoerders zich aan de regels houden.
LEES VERDER
In een zaak die speelde voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, was in de betreffende situatie in Groningen het voldoen van parkeerbelasting beperkt tot een periode van maximaal twee uur. Langer parkeren was toegestaan, maar dan moest er opnieuw actie worden ondernomen om parkeerbelasting te betalen.
Omdat de parkeerduur in deze zaak niet was beperkt tot twee uur, maar er na die periode opnieuw een parkeerticket kon worden gekocht, was volgens het gerechtshof de naheffing parkeerbelasting terecht. De parkeerder die langer dan twee uur stond, had immers niet betaald voor de verschuldigde belasting die voldaan had moeten worden.
Het gerechtshof merkte op dat de betreffende situatie afwijkt van die waarin de parkeerduur is beperkt. Belanghebbende had in dat verband tevergeefs verwezen naar een arrest van de Hoge Raad, waarin de Hoge Raad besliste dat dan geen naheffing kan volgen. In die zaak had een automobilist in Hilversum voor de maximale parkeerduur van één uur parkeerbelasting betaald, maar na dat ene uur zijn auto gewoon laten staan. De naheffing parkeerbelasting was in die casus onterecht, omdat er na het uur door hem helemaal niet meer geparkeerd mocht worden op de betreffende parkeerplaats. Er hoefde dus voor die periode ook geen parkeerbelasting betaald te worden.
Staat een auto geparkeerd op een plaats waar deze auto niet meer mág parkeren omdat de maximale parkeerduur is overtreden, dan kan de gemeente dus geen naheffingsaanslag parkeerbelasting opleggen. De gemeente kan echter wel een parkeerboete opleggen. Dat kan zelfs als het technisch wel mogelijk is om voor een langere periode te betalen. Het ‘teveel’ betaalde wordt dan dus niet automatisch beschouwd als betaalde parkeerbelasting voor een periode waarin helemaal niet meer geparkeerd had mogen worden.
Parkeercontroleurs die een naheffing parkeerbelasting op mogen leggen, mogen niet altijd ook een boete opleggen als wordt geparkeerd terwijl dat niet meer is toegestaan. Gemeentes dienen in die gevallen na te denken over hoe dan toch adequaat kan worden opgetreden tegen te lang parkeren. Uiteraard kan een wel bevoegde collega worden opgetrommeld, of net als tegenwoordig in Hilversum met een scanauto eerst de overtreding vastgelegd worden, waarna men vervolgens handmatig de juiste sanctie oplegt. Uiteraard kan men ook, net als in de casus in Groningen, parkeerders verplichten regelmatig een nieuw parkeerkaartje te kopen.
In een ander zaak besliste gerechtshof Amsterdam overigens anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof besliste dat de parkeerder in die zaak de belasting voor opvolgende tijdvakken (na de maximumperiode van een uur die in die zaak gold) niet kon voldoen. In de Gemeentewet en in de Verordening was namelijk opgenomen dat de parkeerbelasting uitsluitend kon worden voldaan bij aanvang van het parkeren.

Op veel plaatsen in Nederland moet voor het parkeren van een auto parkeerbelasting worden betaald. Dat is soms beperkt tot een bepaalde maximumperiode, om de doorstroom van parkeerders te bevorderen. Wat zijn de gevolgen als desondanks toch langer geparkeerd wordt zonder of met betaling?
LEES VERDER
De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal € 20.
De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling:
Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden € 100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is.
Let op! In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling.
Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden.
Tip! Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst er voor kiezen om de teruggave niet te verrekenen.
Let op! De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend.
De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd.
Let op! De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt!
Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent.

Met ingang van 1 juli 2026 hanteert de Belastingdienst in beginsel een standaard betalingsregeling voor particulieren die om uitstel van betaling vragen. Wat houdt dit in?
LEES VERDER
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar.
De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 verklaarde de Belastingdienst in een collectieve uitspraak alle bezwaren tegen de belastingrente vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond.
Conform het arrest van de Hoge Raad wordt de belastingrente vpb gelijk aan de belastingrente voor de overige belastingen. Zie hiervoor onderstaande tabel.
| Periode | Belastingsrente Vpb was | Belastingrente Vpb wordt |
| 1-1-2022 t/m 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Inmiddels is de Belastingdienst vanaf begin juli 2026 begonnen met het teruggeven van de te veel berekende belastingrente. Die teruggave gaat de Belastingdienst niet voor elke aanslag vpb met belastingrente toepassen, maar alleen voor de volgende twee groepen:
Let op! Aanslagen vpb met belastingrente met een dagtekening vanaf 14 februari 2026 zijn volgens de Belastingdienst al berekend met het nieuwe rentepercentage.
De aanslagen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen moet de Belastingdienst binnen zes maanden na de collectieve uitspraak verminderen. Dit betekent dat deze aanslagen voor 25 augustus 2026 verminderd moeten zijn.

De Belastingdienst is begin juli 2026 gestart met de teruggave van te veel berekende belastingrente op aanslagen vennootschapsbelasting (vpb).
LEES VERDER