Dit betekent dat niet alleen de compensatieregeling na langdurige arbeidsongeschiktheid wordt afgeschaft maar ook de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden.
Het wetsvoorstel dat de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid zou beperken tot kleine werkgevers werd al eerder uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2027. Tot 1 januari 2027 heeft in ieder geval nog elke werkgever recht op die compensatie, als aan de voorwaarden wordt voldaan.
Inmiddels heeft de regering echter besloten verder te gaan dan alleen uitstel. In een nota van wijzigingen staat namelijk dat de compensatieregeling voor alle werkgevers wordt afgeschaft per 1 januari 2027. Dus ook voor de kleine werkgevers.
Verder is in de nota van wijziging opgenomen dat naast het verdwijnen van de compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid ook de compensatie bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden, verdwijnt.
Let op! Het recht op transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid, dus na het verstrijken van het opzegverbod, blijft bestaan. De regering is bang dat er anders sprake is van verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.
De regering rekent op een structurele bezuiniging van € 831 miljoen, waarvan € 462 miljoen in 2027. In het coalitieakkoord was nog uitgegaan van € 262 miljoen structureel. In het coalitieakkoord werd overigens alleen gesproken over afschaffing van de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Let op! Er wordt nu gevreesd dat veel werkgevers niet over zullen gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar de arbeidsovereenkomst slapend zullen laten.
Er komt nog wel overgangsrecht. Zo kunnen werkgevers nog aanspraak maken op compensatie van de transitievergoeding als:

De compensatieregelingen voor de transitievergoeding verdwijnen per 1 januari 2027 volledig voor alle werkgevers.
LEES VERDER
De SLIM-scholingssubsidie is bedoeld om huidige en nieuwe werknemers op te leiden voor een functie in een maatschappelijk cruciale sector. Het gaat daarbij om de sectoren in onder meer het groen, ICT, kinderopvang, onderwijs, schoonmaak, techniek, bouw en energie, transport en logistiek, zorg en welzijn en visserij.
Werkgever die praktijkgerichte opleidingen aan huidige of nieuwe werknemers aanbieden, kunnen tot en met 31 december 2026 de subsidie aanvragen. Ook geregistreerde gastouderbureaus kunnen in dezelfde periode voor huidige of nieuwe gastouders subsidie aanvragen.
Tip! Nieuw in 2026 is dat ook bemanningsleden in een vissersmaatschap (maatschapsvissers) de subsidie kunnen aanvragen. Ook zij kunnen dat tot en met 31 december 2026.
Collectieven die bestaan uit ten minste een O&O-fonds en/of een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen, kunnen de subsidie van 1 september tot en met 16 oktober 2026 aanvragen.
Let op! Aanvragen kan via het subsidieportaal Uitvoering Van Beleid.
Er gelden een aantal voorwaarden. Zo mogen bijvoorbeeld aan de leerlingen geen kosten in rekening worden gebracht. Op deze website vind je de aanvraagprocedure en aanvraagcriteria terug in een stappenplan.
In 2026 is verduidelijkt dat scholing die al is ingekocht of aangevraagd voordat deze voor het eerst subsidiabel werd, niet voor subsidie in aanmerking komt. De factuurdatum is daarbij leidend.
Tip! Kijk voor de andere wijzigingen met ingang van 2026 hier.
De opleiding moet onderdeel uitmaken van een functie of specialisatie uit een van de Ontwikkelpaden. Deze zijn gepubliceerd op Rijksoverheid.nl.
Let op! De hoogte van de subsidie is terug te vinden in de Ontwikkelpaden. De hoogte is afhankelijk van het NLQF-niveau. Bij niveau 1, 2 of 3 en bij keuzedelen met een certificaat in het mbo bedraagt de subsidie 90% van de kosten voor scholing, bij niveau 4 40%.
Meer informatie vind je terug op de website Uitvoering Van Beleid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hier tref je ook vragen en antwoorden aan.

Je kunt als werkgever, gastouderbureau of vissersmaatschap tot en met 31 december 2026 SLIM-scholingssubsidie aanvragen. Collectieven kunnen de subsidie van 1 september tot en met 16 oktober 2026 aanvragen.
LEES VERDER
Het doel van de wet is werkgevers meer mogelijkheden te geven om personeel te behouden in toekomstige crisissituaties zoals een pandemie, uitval van vitale infrastructuur, oorlogssituaties of uitzonderlijke weersomstandigheden.
De instrumenten waarover werkgevers na invoering van de wet de beschikking krijgen zijn:
Let op! Beide instrumenten vereisen een aanvraag bij het UWV.
De werkgever moet aantonen dat de onderneming daadwerkelijk door een crisis is geraakt. De bedrijven moeten gedurende minimaal twee maanden tenminste 20% minder werk hebben. Ze kunnen dan gedurende maximaal zes maanden gebruik maken van de instrumenten.
Let op! De OR, de personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering moeten advies kunnen uitbrengen over het gebruik van de instrumenten.
Als werkgevers voldoen aan de voorwaarden, mogen werkgevers hun werknemers tijdelijk herplaatsen in ander werk. Wel zijn ze dan verplicht het loon te blijven doorbetalen.
Een andere optie is als werknemers niet herplaatst kunnen worden. Werkgevers kunnen dan hun werknemers 10% minder loon betalen over de uren die door de crisis niet gewerkt kunnen worden.
In deze situatie kan de werkgever vervolgens loonsubsidie aanvragen bij het UWV. Het UWV kent dan een subsidie toe van 65% van de loonkosten over de niet-gewerkte uren verhoogd met een opslag voor werkgeverslasten. De loonkosten die dan nog overblijven (25%) zijn voor rekening van de werkgever. Voor werknemers met lagere lonen geldt een alternatieve berekening op basis van 75% van het wettelijk minimumloon. Op die manier dragen zowel de overheid, de werkgever als ook de werknemer bij om crisissituaties het hoofd te bieden.
Let op!Er wordt gebruik gemaakt van gegevens uit de polisadministratie van UWV, wat grote nabetalingen of terugvorderingen moet voorkomen.
De minister van Werk en Participatie krijgt de mogelijkheid om bij een grote crisis criteria vast te stellen waardoor snel duidelijk wordt welke bedrijven geraakt zijn. Denk hierbij aan het vaststellen van postcodes na een overstroming of aan het aanwijzen van sectoren die geraakt worden door een opgelegde sanctie van een buitenlandse overheid. Dit bespaart het UWV werk omdat niet elke aanvraag getoetst hoeft te worden.
Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede en de Eerste Kamer worden aanvaard. Als beide Kamers instemmen, kan het wetsvoorstel op 1 januari 2029 in werking treden.

Het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet moet de regeling inzake werktijdverkorting vervangen.
LEES VERDER
Een kind kan na het overlijden van een ouder recht hebben op een legitieme portie, ook als de ouder het kind onterfd heeft. Het kind moet die legitieme portie dan wel opeisen. Als een kind zijn legitieme portie opeist, komt de waarde van deze legitieme portie in mindering op de tussen de erfgenamen te verdelen nalatenschap.
Maar wat nu als de legitieme portie nog niet is opgeëist? Mag je dan als erfgenaam bij de berekening van het box 3 vermogen er rekening mee houden dat de legitieme portie misschien nog zal worden opgeëist? De Belastingdienst vindt van niet. Er is dan namelijk nog geen opeisbare schuld van de erfgenamen aan het onterfde kind.
En als de legitieme portie later wordt opgeëist, bijvoorbeeld na drie jaar als de nalatenschap al is verdeeld? Mogen de erfgenamen dan met terugwerkende kracht daar rekening mee houden in box 3? De Belastingdienst vindt dat vanaf het moment dat het onterfde kind de legitieme portie heeft opgeëist, deze als schuld in box 3 meetelt bij de erfgenamen. De erfgenamen kunnen echter niet met terugwerkende kracht ook rekening houden met deze schuld in eerder jaren.
Let op! Voor het onterfde kind geldt ook dat de legitieme portie meetelt in box 3 vanaf het moment dat hij deze heeft opgeëist.

Kunnen erfgenamen in box 3 rekening houden met het (mogelijk) opeisen van de legitieme portie door een onterfd kind?
LEES VERDER
De verwachting van een ernstig zieke werknemer was dat deze spoedig zou komen te overlijden. Het einde van de wachttijd van 104 weken was op 14 september 2023. Daarna ontstond een zogenaamd slapend dienstverband.
De werkgever vroeg een ontslagvergunning aan en kreeg deze op 25 oktober 2023. De betreffende werknemer overleed een paar dagen later op 27 oktober 2023. De werkgever had toen nog niet gebruikgemaakt van de ontslagvergunning: het dienstverband was officieel nog niet opgezegd.
Bij het overlijden eindigt de arbeidsovereenkomst altijd automatisch (van rechtswege). De werkgever hoeft dan geen transitievergoeding te betalen. Deze werkgever betaalde de transitievergoeding toch aan de erven van de overleden werknemer. Hij vroeg vervolgens compensatie van de uitbetaalde transitievergoeding aan bij het UWV.
Het UWV weigerde de compensatie van de transitievergoeding. Volgens het UWV was er geen verplichting om de transitievergoeding te betalen. Bovendien was de arbeidsovereenkomst niet geëindigd vanwege opzegging door de werkgever, wat een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de compensatie transitievergoeding.
De werkgever was het niet eens met de beslissing van het UWV en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank gaf de werkgever echter geen gelijk. De werkgever in deze zaak greep daarom mis en kreeg geen compensatie van de betaalde transitievergoeding.
Het interessante aan deze uitspraak is dat hieruit volgt dat het UWV buitenwettelijk beleid heeft. Op basis van dat buitenwettelijke beleid had het UWV de compensatie wel toegekend als de beëindiging van het dienstverband al ‘concreet in gang was gezet’ op het moment van het overlijden. Dit betekent concreet dat wanneer de opzegging was gedaan voorafgaand aan het overlijden, maar de einddatum van de arbeidsovereenkomst ná het overlijden lag, de compensatie wel zou zijn toegekend. Datzelfde geldt als een ontbindingsbeschikking is afgegeven voor het overlijden.
Willen partijen de arbeidsovereenkomst beëindigen door middel van een beëindigingsovereenkomst, wat in de praktijk vrij gebruikelijk is, dan moet voor ‘concreet in gang zetten’ over de inhoud overeenstemming zijn bereikt. Het is niet nodig dat de beëindigingsovereenkomst al is ondertekend.
Let op! Het is voor een werkgever van belang zo snel mogelijk na ontvangst van de ontslagvergunning het dienstverband op te zeggen. Als deze werkgever op 26 oktober 2023 zou hebben opgezegd, was er namelijk wel recht geweest op compensatie van de transitievergoeding.

Heeft een werkgever recht op compensatie van de transitievergoeding als een werknemer overlijdt nadat de ontslagvergunning is verleend maar voordat het dienstverband is opgezegd? Een werkgever betaalde daarna een transitievergoeding aan de erfgenamen en verzocht om compensatie bij het UWV. Het UWV kende die compensatie echter niet toe. Wat zegt de rechter hierover?
LEES VERDER
De vaste invoerrechten van € 3 per aangifteregel gaan gelden voor goederen die de EU binnenkomen van verkopers van buiten de EU. De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten vanaf € 150 gelden nu namelijk al reguliere invoerrechten.
Let op! Het vaste invoerrecht gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat is vanaf 1 juli 2026 dus 3 keer € 3 vaste invoerrechten verschuldigd.
Om de kosten van de controles op de stroom pakketten met een waarde tot € 150 te vergoeden en de grote toestroom van dit soort pakketten te beperken, wordt vanaf waarschijnlijk 1 november 2026 ook een Union handling fee (UHF) ingevoerd. De voorziene hoogte is € 2 per aangifteregel voor individuele zendingen.
De heffing van € 3 invoerrechten en € 2 UHF betreffen tijdelijke oplossingen tot waarschijnlijk 1 juli 2028. De Raad van de Europese Unie wil namelijk zo snel mogelijk normale invoerrechten voor kleine pakketten invoeren. Vanaf waarschijnlijk 1 juli 2028 zal over alle goederen van minder dan € 150 invoerrechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten. Voor bulkzendingen zal dan een UHF tarief van € 0,50 per aangifteregel gelden.

Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 € 3 invoerrechten per aangifteregel geheven. Verder wordt vanaf waarschijnlijk 1 november 2026 voor individuele zendingen € 2 handling fee per aangifteregel geheven.
LEES VERDER
Via de vrachtwagenheffing betalen eigenaren van vrachtwagens vanaf 1 juli 2026 op bijna alle snelwegen en een aantal andere wegen een heffing per gereden kilometer. De omvang van de heffing hangt onder meer af van de CO2-uitstoot en bedraagt gemiddeld €0,191 per kilometer. Door de verlaging gaat de vrachtwagenheffing gemiddeld €0,148 per kilometer bedragen. De verlaging gaat gelden vanaf 1 september 2026 tot en met 31 december 2026.
Let op! Op deze manier wil het kabinet de transportsector compenseren voor de sterk gestegen brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. De verlaging komt neer op een lastenverlichting van € 80 miljoen.
De Dienst wegverkeer (RDW) gaat vanaf 1 juli 2026 controleren of je wel vrachtwagenheffing betaalt. Dat gebeurt op vaste plekken, door bijvoorbeeld camera’s boven de weg, maar ook met veplaatsbare apparaten.
Let op! De handhaving gebeurt grotendeels door de RDW, maar voor een deel door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). In het Handhavingsplan vrachtwagenheffing is vastgelegd hoe de overheid op naleving van de vrachtwagenheffing controleert.
Ondernemers kunnen rekenen op forse boetes als ze de vrachtwagenheffing geheel of deels niet betalen. De vrachtwagenheffing wordt elektronisch geregistreerd en geïnd. Ondernemers die geen contract met een aanbieder hebben afgesloten voor een tolkastje, kunnen rekenen op een boete van € 800. Tot 1 januari 2027 is er nog enige coulance en bedraagt deze boete € 400.
Let op! Heb je nog geen contract afgesloten met een aanbieder voor tolkastjes? Doe dat dan alsnog vóór 31 mei 2026 zodat je voldoende tijd hebt om vóór 1 juli 2026 het kastje te ontvangen en te installeren.
Ook bij fouten met de tolkastjes die de vrachtwagenheffing registreren, gelden vaste boetes. Staat het tolkastje uit, werkt het niet (goed) of rijd je met een tolkastje dat bij een andere vrachtwagen hoort, dan bedraagt de boete € 500. Ook hier geldt tot 1 januari 2027 nog enige coulance door een lagere boete van € 250.
Let op! Je kunt binnen 24 uur maximaal één boete krijgen. Is sprake van meer dan één overtreding, dan wordt alleen het hoogste boetebedrag opgelegd.

De per 1 juli 2026 geldende vrachtwagenheffing wordt per 1 september 2026 tijdelijk met 22,3% verlaagd. Betaal je ten onrechte geen vrachtwagenheffing, dan kan de RDW boetes opleggen. Waar moet je rekening mee houden?
LEES VERDER
Je kunt werknemers een korting of vergoeding geven voor de aankoop van producten uit jouw eigen bedrijf. Als je daarbij voldoet aan de voorwaarden, geldt daarvoor een zogenaamde gerichte vrijstelling. Dit betekent dat over de korting of vergoeding geen loonbelasting verschuldigd is. De voorwaarden zijn:
Bedragen de kortingen en vergoedingen in een kalenderjaar voor een werknemer meer dan € 500? Dan is het meerdere belast als loon voor de werknemer. Je kunt er ook voor kiezen om dit meerdere ten laste te brengen van je vrije ruimte in de werkkostenregeling. Dat kan alleen als de hogere kortingen en vergoedingen voldoen aan de gebruikelijkheidstoets.
Let op! Gebruikt een werknemer de € 500 in een jaar niet volledig, dan mag het niet-gebruikte deel doorgeschoven worden naar het volgende jaar.
Van het doorschuiven kan voor het jaar 2026 geen gebruik meer worden gemaakt. Het kabinet heeft namelijk aangekondigd dat de gerichte vrijstelling voor kortingen en vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf, met ingang van 2027 vervalt.
Dat betekent dat elke korting of vergoeding vanaf 2027 bij de werknemer belast is als loon waarover loonbelasting verschuldigd is. Dat kun je voorkomen door de korting of vergoeding ten laste te brengen van je vrije ruimte in de werkkostenregeling, mits dat voldoet aan de gebruikelijkheidstoets.
Let op!Onbelaste korting of vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf kan dus nog wel vanaf 2027, maar dit gaat dan ten laste van je vrije ruimte. Je houdt dan dus minder vrije ruimte over voor andere vergoedingen en verstrekkingen.
De gerichte vrijstelling vervalt omdat daarmee geld vrijkomt om het fiscale maatregelenpakket in verband met het conflict in het Midden-Oosten te betalen. In dat pakket is onder meer een verhoging van de onbelaste reiskosten van € 0,23 naar € 0,25 en verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van btw-ondernemers en vrachtauto’s opgenomen.
Een eerder aangekondigd versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) gaat niet door.
Let op! Een andere dekking van het fiscale maatregelenpakket betreft de afschaffing van de startersaftrek. Deze afschaffing gebeurt in twee tranches. In 2027 wordt de startersaftrek verlaagd en vanaf 2028 wordt deze volledig afgeschaft.

De gerichte vrijstelling voor korting op producten uit eigen bedrijf vervalt met ingang van 2027. Het kabinet wil hiermee het fiscale maatregelenpakket in verband met het conflict in het Midden-Oosten dekken.
LEES VERDER
Voor de bestelauto van een btw-ondernemer die deze bestelauto voor meer dan 10% van de jaarlijks verreden kilometers voor zijn onderneming gebruikt, wordt de mrb verlaagd met 50%. Een bestelauto is in dit verband een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van 3.500 kg of minder die geen personenauto of een autobus is.
Let op!Je bent btw-ondernemer als je leveringen en diensten verricht waarvoor je voor de btw als ondernemer wordt aangemerkt. Daarbij is het niet relevant of je btw-vrijgestelde prestaties of btw-belaste prestaties verricht. Ook een ondernemer met alleen btw-vrijgestelde prestaties is gewoon een ondernemer voor de btw.
De verlaging met 50% betekent dat vanaf 1 juli 2026 tot 31 december 2026 de volgende mrb geldt:
| Massa rijklaar in kg van | Tijdvak 3 maaden | Vermeerderd met | Per 100 kg massa rijklaar boven |
| 600 of minder | € 25,99 | ||
| 700 t/m 1.100 | € 31,78 | € 4,07 | 700 kg |
| 1.200 t/m 2.100 | € 52,21 | € 4,38 | 1.200 kg |
| 2.200 t/m 2.800 | € 96,23 | € 4,71 | 2.200 kg |
| 2.900 en meer | € 127,40 | € 1,07 | 2.900 kg |
Voor vrachtauto’s wordt de mrb verlaagd naar nul. Voor vrachtauto’s met een toegestane massa lager dan 12.000 kilo zou al een tarief van nul gaan gelden vanaf 1 juli 2026, maar voor vrachtauto’s van 12.000 kilo of meer gaat dat nu tijdelijk ook gelden.
De verlaging is niet structureel, maar geldt voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026. Effectief kan de verlaging echter ook na 31 december 2026 nog van toepassing zijn. De verlaging geldt namelijk pas vanaf het tijdvak dat begint op 1 juli 2026 of later.
Start het tijdvak van jouw voertuig bijvoorbeeld op 15 juli 2026? Dan is de verlaging pas van toepassing vanaf het tijdvak dat start op 15 juli 2026 en stopt op 15 januari 2027.
Let op!Het tarief van nul voor vrachtauto’s met een toegestane massa lager dan 12.000 kilo is structureel en geldt dus ook vanaf 2027.

De motorrijtuigenbelasting (mrb) van bestelauto’s van ondernemers en voor vrachtauto’s wordt van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026 verlaagd. Voor wie en welke auto’s geldt deze verlaging en hoe werkt de verlaging uit?
LEES VERDER
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
LEES VERDER