In 2021 stelde rechtbank Amsterdam FNV, die de procedure had aangespannen, in het gelijk door te oordelen dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber stelde vervolgens hoger beroep in. Het gerechtshof stelde hierop prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen.
De Hoge Raad gaf in reactie op genoemde prejudiciële vragen aan geen rangorde te willen aanbrengen in de in het Deliveroo-arrest genoemde relevante omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor ondernemerschap, waarbij het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten.
Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk een algemeen oordeel over de kwalificatie te geven als de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen.
Mocht het wel mogelijk zijn een oordeel te geven voor bepaalde (groepen) werkenden, dan kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.
Het gerechtshof oordeelde dat de zes chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber hebben geschaard, niet als werknemer, maar als zelfstandig ondernemer moeten worden aangemerkt. Daarbij achtte het hof onder meer relevant factoren als:
Het gerechtshof overwoog tevens dat de mogelijkheid bestaat dat individuele chauffeurs van Uber werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In de procedure waar het om ging, kon het gerechtshof echter niet vaststellen dat dit voor individuele chauffeurs of voldoende afgebakende groepen geldt. Reden waarom de collectieve vorderingen van FNV zijn afgewezen.

Bij het gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of de Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber had hoger beroep aangetekend tegen een eerdere uitspraak in een zaak die FNV had aangespannen. Volgens het gerechtshof is er in deze zaak geen sprake van werknemers.
LEES VERDER
Voor het LKV banenafspraak moet de werknemer opgenomen zijn in het doelgroepregister en niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Verder heeft de werknemer de AOW-leeftijd nog niet bereikt en werkt niet in een dienstverband dat vanuit de Wet sociale werkvoorziening (WSW) betaald wordt of werkt niet in een beschutte werkomgeving via de gemeente.
Let op! In tegenstelling tot voorgaande jaren heeft u voor het LKV banenafspraak geen doelgroepverklaring meer nodig. Het is voldoende dat de werknemer is opgenomen in het doelgroepregister. Dit doelgroepregister kan een werkgever inzien via het werkgeversportaal van het UWV.
De hoogte van het LKV banenafspraak bedraagt in 2026 € 1,01 per verloond uur van de werknemer met een maximum van € 2.000 per jaar.
Waar u tot en met 2025 maximaal drie jaar LKV banenafspraak kon krijgen voor een werknemer, is deze LKV vanaf 2026 structureel. Dit betekent dat u vanaf 2026 recht heeft op LKV banenafspraak voor een werknemer zolang hij bij u in dienst is én in het doelgroepregister is ingeschreven.
Let op! U moet het LKV banenafspraak wel aanvragen. Dit doet u in uw aangifte loonheffingen.
Aan de doelgroep banenafspraak zijn met ingang van 1 januari 2026 toegevoegd:
Vanaf 2026 bestaat voor de doelgroepen scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk geen recht meer op het LKV banenafspraak.
Bestond de dienstbetrekking echter al vóór 2026 en beschikt u over een geldige doelgroepverklaring, dan kunt u gebruikmaken van overgangsrecht. Voor de resterende duur van de maximale drie jaar zoals deze tot en met 2025 gold, kunt u dan nog wel het LKV banenafspraak aanvragen. Ook dit doet u in uw aangifte loonheffingen.

Het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak is met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd. Wanneer heeft u in 2026 nog recht op dit LKV?
LEES VERDER
De aftrek van scholingskosten is per 2022 vervallen en vervangen door de STAP-subsidie. Die subsidie is inmiddels weer vervangen door de SLIM-subsidie. Via de SLIM-subsidie kunnen werkgevers in het mkb subsidie aanvragen om werknemers en stagiairs op te leiden of om te scholen.
In een zaak waarbij nog vóór 2022 scholingskosten waren gemaakt, werd de aftrek geweigerd omdat de betreffende studie, een vwo-studie, volgens de inspecteur in een te ver verband stond met de doelstelling om inkomen te verwerven. De belastingplichtige was het hiermee niet eens en stapte naar de rechter.
Voor rechtbank Noord-Holland ging het met name om de vraag of een algemeen vormende opleiding, zoals de vwo-opleiding, in een te ver verwijderd verband stond met het verwerven van inkomen. In dat geval was in principe geen aftrek mogelijk, zo besliste de Hoge Raad in 2013, al zijn er uitzonderingen mogelijk. Dit bleek weer uit een arrest van de Hoge Raad uit 1980, waarin de kosten van een mavo-opleiding wel in aftrek werden toegestaan.
Volgens de rechtbank zijn beide zaken echter niet vergelijkbaar. Zo was de belastingplichtige uit het arrest uit 1980 na de mavo-opleiding direct een beroepsopleiding gaan volgen.
In de zaak voor de rechtbank Noord-Holland was hiervan geen sprake en wilde de belastingplichtige op termijn als paleontoloog aan de slag. Ze kon na de vwo-opleiding worden toegelaten tot de bachelor studie. Daarna moesten echter nog een master, extra curriculaire activiteiten en promotieonderzoek worden gedaan om een paleontoloog te worden.
Volgens de rechtbank was er daarom een veel verder verband met het verwerven van inkomen dan in de zaak waarbij een mavo-opleiding was gevolgd. De inspecteur werd dan ook in het gelijk gesteld.

Scholingskosten zijn sinds 2022 in beginsel niet meer aftrekbaar. Er lopen echter nog diverse geschillen over de aftrek van scholingskosten uit de periode vóór 2022. Bij een ervan ging het om de vraag of de kosten van een vwo-opleiding aftrekbaar kunnen zijn.
LEES VERDER
De expatregeling is wat voorheen ook wel de 30%-regeling heette. Waarschijnlijk vanwege de verlaging van het percentage per 2027 naar 27% is de naam gewijzigd in expatregeling. Bij toepassing van de expatregeling mag maximaal 30% van het loon belastingvrij uitbetaald worden. Hiervoor gelden strikte voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de werknemer in het buitenland is aangeworven.
Het loon waarover de 30% kan worden toegepast is gemaximeerd op de WNT-norm. Waar dit tot en met 2025 nog niet gold voor werknemers die al vóór 2023 de expatregeling toepasten, geldt dat vanaf 2026 ook voor hen.
Dit betekent dat de expatregeling in 2026 over een salaris tot maximaal € 262.000 mag worden toegepast. Onder de expatregeling kan daarom maximaal € 78.600 (30% van € 262.000) netto worden vergoed.
Let op! Vanaf 2027 gaat het percentage omlaag naar 27%. Dit geldt niet voor alle werknemers die vóór 2024 de expatregeling al toepasten. Voor hen mag tot het einde van de looptijd van hun regeling het percentage van 30% gehanteerd worden.
Behalve het vervallen van het overgangsrecht met betrekking tot de toepassing van de WNT-norm zijn in 2026 ook de salarisnormen weer verhoogd. De werknemer moet voor toepassing van de expatregeling een minimaal salaris verdienen. In 2026 is dit € 48.013 per jaar. Voor werknemers die instromen en jonger zijn dan 30 jaar en hun masterdiploma hebben behaald, moet het salaris minimaal € 36.497 bedragen in 2026.

De overgangsregeling die gold voor de aftopping van het loon waarvoor de expatregeling – voorheen 30%-regeling – geldt, is per 2026 vervallen. Naast deze wijziging is ook de salarisnorm per 2026 weer gewijzigd.
LEES VERDER
De medische behandelingen door een paramedicus zijn aftrekbaar als zorgkosten in de aangifte inkomstenbelasting als deze behandelingen plaatsvinden op voorschrift én onder begeleiding van een arts.
‘Op voorschrift van’ betekent dat er een daadwerkelijke verwijzing door een arts heeft plaatsgevonden.
‘Onder begeleiding’ betekent dat de arts ook actief betrokken is bij de behandeling. Er moet regelmatig contact zijn tussen de arts en de paramedicus. Daarbij is het enkel terugkoppelen van bevindingen door de paramedicus aan de arts onvoldoende.
Aan de Belastingdienst is gevraagd wanneer er sprake is van een paramedicus. Hiervan is volgens de Belastingdienst sprake als de behandeling wordt uitgevoerd op voorschrift van én onder begeleiding van een arts. Het is niet nodig dat de paramedicus BIG-geregistreerd is. Zo kan de behandeling van een chiropractor tot aftrekbare zorgkosten leiden als deze behandeling plaatsvindt op voorschrift én onder begeleiding van een arts.
Bepaalde behandelingen door een BIG-geregistreerde paramedicus zijn overigens aftrekbaar zonder dat u daar een voorschrift van een arts voor nodig heeft. Dit geldt voor behandelingen door fysiotherapeuten, diëtisten, ergotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten, orthoptisten, podotherapeuten, mondhygiënisten en huidtherapeuten.
Let op! De Belastingdienst kan u wel om een verklaring van de paramedicus vragen waaruit blijkt dat het om een medische behandeling gaat. In die verklaring moet onder meer zijn opgenomen voor welke aandoening de behandeling plaats heeft gevonden en hoeveel behandelingen het betrof.
Voor de aftrek zorgkosten in de inkomstenbelasting gelden nog meer voorwaarden. Zo komen de zorgkosten bijvoorbeeld alleen in aftrek als deze meer bedragen dan een bepaalde drempel.
Tip! Neem voor meer informatie over de aftrek in uw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

De kosten van een behandeling door een paramedicus kunnen, onder voorwaarden, aftrekbaar zijn als zorgkosten. Wie wordt aangemerkt als paramedicus?
LEES VERDER
De subsidie Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit (COVER) kan nu al aangevraagd worden tot uiterlijk 1 oktober 2026 12.00 uur. De subsidie is gericht op projecten ter vermindering van fossiele brandstoffen met betrekking tot vervoer in verband met het werk. Het kan daarbij gaan om woon-werkverkeer en om zakelijke reizen, maar niet om vrachtvervoer. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk inkopen van fietsen. De subsidie is alleen beschikbaar voor ondernemersorganisaties, zoals brancheorganisaties, ondernemersverenigingen of bedrijfsinvesteringszones in het mkb. Van een project wordt maximaal 75% via de COVER gefinancierd tot een maximum van € 100.000.
Ondernemers die op eigen of gehuurd terrein infrastructuur aanleggen voor het laden van elektrische voertuigen, kunnen vanaf 20 januari 2026 9.00 uur tot 18 december 2026 12.00 uur de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven (SPRILA) aanvragen. Het bedrag van de SPRILA hangt af van de investering en bedraagt voor mkb-bedrijven het dubbele van de subsidie voor niet-mkb-bedrijven.
Vanaf 3 februari 2026 9.00 uur kan de Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) aangevraagd worden. Dit kan tot uiterlijk 18 december 2026 12.00 uur. De subsidie kan verkregen worden voor het realiseren van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer, zoals vrachtwagens. Er is subsidie beschikbaar voor laadstations en voor stationaire batterijen. De subsidie bedraagt maximaal 20% van de gemaakte kosten.
Touringcarbedrijven en OV-concessiehouders kunnen vanaf 10 februari 2026 9.00 uur tot 30 november 2026 17.00 uur de Subsidie emissieloze touringcars (STour) aanvragen. De subsidie dekt een percentage van de meerkosten van een batterij-elektrische touringcar vergeleken met eenzelfde touringcar op diesel. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte krijgt u 60% (kleinbedrijf), 50% (middelgroot bedrijf) of 30% (grootbedrijf) subsidie, tot een maximum van €180.000, respectievelijk € 150.000 of € 90.000.
Met de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) kunt u subsidie krijgen voor ontwikkelingen op het gebied van waterstofmobiliteit, zoals waterstoftankstations, waterstofvoertuigen en logistieke toepassingen. De SWIM kan aangevraagd worden vanaf het voorjaar van 2026. De exacte data zijn niet nog bekend, maar er is nog wel veel informatie beschikbaar uit 2025.

Ondernemers kunnen ook dit jaar verschillende subsidies aanvragen ter stimulering van emissieloos vervoer. Dit heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bekendgemaakt.
LEES VERDER
Let op! Het coalitieakkoord omvat de plannen van het minderheidskabinet. Deze plannen zijn nog niet in detail uitgewerkt. Daarnaast moet het minderheidskabinet nog onderhandelen met andere partijen in de Tweede en Eerste Kamer om een meerderheid te krijgen voor deze plannen. Houd er daarom rekening mee dat bepaalde zaken niet doorgaan of alleen in gewijzigde vorm.
De coalitie wil bouwen aan een slanke en slagvaardige overheid, onder meer door een periodieke Vereenvoudigingswet, waarbij gestart wordt met het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels. Andere voornemens zijn onder meer een efficiencytaakstelling, met als doel de apparaatsuitgaven structureel te verminderen.
De coalitie erkent dat ondernemers cruciaal zijn voor het bereiken van meer economische groei, voor brede welvaart en voor de uitdagingen van de toekomst. De coalitie wil daarom de ondernemer faciliteren en rust, reinheid en regelmaat creëren door onder meer de volgende plannen:
Let op! Er is ook een aantal plannen die bij bepaalde ondernemers minder goed ontvangen zullen worden, onder meer de verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9% naar 21% vanaf 2028 en de invoering van een suikertaks op voorgepakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van minimaal 6%.
De coalitie wil zzp’ers meer ruimte en duidelijkheid geven om te ondernemen. De plannen hiervoor zijn onder meer:
De coalitie heeft ook plannen voor werkgevers, onder andere:
Bouwen en wonen staat hoog op de agenda van de coalitie. Een aantal voorgenomen maatregelen:
Ook voor de particulier bevat het coalitieakkoord plannen. Een greep hieruit:
Tip! Hiervoor heeft u een selectie van plannen uit het coalitieakkoord gelezen. Wilt u het hele coalitieakkoord lezen, dan treft u dat hier aan.

Vrijdag 30 januari 2026 hebben D66, VVD en CDA het Coalitieakkoord 2026-2030 gepresenteerd. Het akkoord heeft als titel: ‘Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland’. Wij hebben een selectie van de plannen uit het coalitieakkoord op een rij gezet voor onder meer de ondernemer en de werkgever.
LEES VERDER
De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.
Voor de periode januari 2022 tot en met juni 2023 zou het percentage dan geen 8% maar 4% bedragen. Voor de tweede helft van 2023 zou dit percentage in plaats van 8% dan 6% bedragen.
De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst meldt dat deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026 wordt gedaan.
Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.
De inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar is nog niet bekend. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst lijkt min of meer op te maken dat de Belastingdienst het advies van de Hoge Raad volgt voor alle jaren vanaf 2022.
Helemaal zeker is dat echter nog niet. Zo wordt er in de vakliteratuur op gewezen dat de Hoge Raad zich misschien niet helemaal expliciet heeft uitgesproken over de jaren vanaf 2024. Dit zou misschien kunnen betekenen dat de Belastingdienst zich in de collectieve uitspraak nog niet uitlaat over de belastingrente vanaf 2024.
Zolang hier nog geen zekerheid over bestaat blijft het verstandig om tijdig (= binnen zes weken na dagtekening) bezwaar te maken tegen belastingrente op een definitieve aanslag Vpb. Betreft het belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb, dan kunt u daartegen niet in bezwaar. U moet dan verzoeken om die belastingrente te verminderen en daarna in bezwaar tegen de afwijzing.
Let op! Ontvangt u een definitieve of voorlopige aanslag Vpb met belastingrente, overleg dan met onze adviseurs.
De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. Op de website van de Belastingdienst wordt op dit moment nog aangegeven dat een rechtbank hier nog uitspraak over moet doen in een proefprocedure en dat die uitspraak dan nog voorgelegd wordt aan de Hoge Raad.
Het is nog niet helemaal duidelijk of deze weg nog steeds gevolgd wordt of dat de Belastingdienst al eerder een collectieve uitspraak op bezwaar doet voor de overige belastingen.
Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.

De Belastingdienst doet uiterlijk op 26 februari 2026 één collectieve uitspraak voor alle bezwaren op belastingrente voor de vennootschapsbelasting (Vpb) in de massaalbezwaarprocedure. Wat betekent dit voor u?
LEES VERDER
Rijdt u in een milieuvriendelijke auto, dan heeft u kunnen genieten van een groot aantal fiscale voordelen. De afgelopen jaren zijn deze voordelen steeds verder teruggeschroefd. Hoewel nog beperkter, kunt u ook in 2026 gebruikmaken van een aantal fiscale voordelen.
Voor de meeste nieuwe auto’s van de zaak waarmee ook privé wordt gereden, geldt vanaf 2017 een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een korting op de bijtelling. Die korting geldt in de maand van tenaamstelling en in de volgende zestig volle maanden. Daarna wordt de bijtelling jaarlijks opnieuw bepaald aan de hand van de dan geldende tarieven. Auto’s zonder uitstoot die in 2021 op kenteken zijn gezet, kennen in een deel van 2026 nog bijtelling van 12%. In de loop van 2026 zal voor deze auto’s de bijtelling moeten worden herzien op basis van de regels van 2026 (zie hierna).
Voor elektrische auto’s die in het jaar 2021 op naam zijn gesteld geldt een lagere bijtelling van 12% over een cataloguswaarde van € 40.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2021 een bijtelling van 12% over de gehele cataloguswaarde.
Voor elektrische auto’s die in het jaar 2022 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 35.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2022 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.
Voor elektrische auto’s die in 2023 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2023 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.
Voor elektrische auto’s die in 2024 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2024 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.
Voor elektrische auto’s die in 2025 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 17% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2025 een bijtelling van 17% over de gehele cataloguswaarde.
Voor nieuwe auto’s gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:
| Soort auto | Bijtelling | CO2-uitstoot |
| Elektrisch | 18% tot € 30.000/22% over meerdere | 0 |
| Waterstof | 18% | 0 |
| Zonnecel | 18% | 0 |
| Overig | 22% | > 0 |
Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende zestig maanden geldig. Na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.
Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na zestig maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een auto betreft die geen CO2 uitstoot. Auto’s die geen CO2 uitstoten, krijgen in 2026 een korting van 4% op de normale bijtelling tot een cataloguswaarde van € 30.000. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor een elektrische auto uit 2016 in 2025 een bijtelling geldt van 21% (25% -/- 4%) tot een cataloguswaarde van € 30.000. Daarboven is de bijtelling 25%. Voor een elektrische auto die in 2017 voor het eerst op kenteken is gezet, gaat in 2026 een bijtelling gelden van 18% (22% -/- 4%) tot een cataloguswaarde van € 30.000 en van 22% over het meerdere. Auto’s die de periode van zestig maanden achter de rug hebben, lopen dus jaarlijks mee met de wettelijke wijzigingen in de bijtelling.
Tip! Voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft de bijtelling beperkt tot maximaal het bedrag dat in een jaar aan autokosten ten laste van de winst is gebracht.
Vanaf 2028 is er nog maar één bijtellingspercentage van 22% en is er dus geen voordeel meer voor auto’s zonder CO2-uitstoot. In 2027 wordt de korting op de bijtelling verlaagd van 4 naar 2% tot de cataloguswaarde van € 30.000 en bedraagt de bijtelling 22% over het meerdere. Voor een elektrische auto die in 2027 voor het eerst op kenteken wordt gezet, gaat dus een bijtelling gelden van 20% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en van 22% over het meerdere.
Een bijtelling kan overigens helemaal achterwege blijven als u kunt bewijzen dat u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden. Woon-werkkilometers worden daarbij gezien als zakelijk, ook als u thuis gaat lunchen.
De bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, bedraagt in 2026 35% van de waarde in het economisch verkeer. Dit wordt ook wel de youngtimerregeling genoemd. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.
Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.
Tip! Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder is geworden, geldt overgangsrecht. Voor deze auto mag heel 2026 uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.
Let op! Met ingang van 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.
Er bestaat in 2026 recht op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) voor bestelauto’s. Voor waterstofpersonen- en bestelauto’s bedraagt de MIA 45% voor maximaal 90% van het bedrag van de investering. Voor personenauto’s geldt daarbij een maximum van € 75.000, voor bestelauto’s van € 125.000.
Let op! Als u voor de MIA in aanmerking komt, kunt u geen gebruikmaken van de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM). Andersom geldt hetzelfde. Voor de zonnecelpersonenauto’s bedraagt de MIA 36% tot maximaal 90% van het investeringsbedrag, met een maximum van € 100.000.
Onderstaand de regelingen op een rij.
| Soort auto | MIA % | Maximaal investeringsbedrag |
| Waterstofpersonenauto | 45% | € 75.000 |
| Zonnecelpersonenauto | 36% | € 100.000 |
| Waterstofbestelauto | 45% | € 125.000 |
Om in aanmerking te komen voor de MIA, is een tijdige melding van de investering bij RVO noodzakelijk. De investering moet worden gemeld binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting. Het moment van ingebruikname of facturering is daarbij niet van belang. Het moment van ingebruikname en/of betaling kan wel van belang zijn voor het moment waarop u de aftrek kunt effectueren in de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting.
De hoogte van de motorrijtuigenbelasting (mrb) is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de CO2-uitstoot van uw auto. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km geldt in 2026 een korting van 30% op het normale MRB-tarief. Voor plug-inhybrides geldt in 2026 geen korting meer. Ook voor emissieloze bestelauto’s geldt in 2026 geen korting meer op de mrb.
Ondernemers betalen voor een bestelauto minder mrb. Voorwaarde is dat de bestelauto meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit moet u desgevraagd aannemelijk kunnen maken, maar een kilometeradministratie is niet vereist.
Als uw auto op kenteken wordt gezet, wordt bpm geheven. De hoogte van de bpm is voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot. Er geldt vanaf 2025 geen vrijstelling bpm meer voor auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Er geldt nog wel een vrijstelling bpm voor bestelauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Voor personenauto’s waarvoor geen vrijstelling geldt, is de bpm hoger naarmate de CO2-uitstoot groter is.
Let op! De bpm-vrijstelling voor ondernemers is per 2025 afgeschaft. De vrijstelling geldt nog wel voor bestelauto’s die vóór 2025 zijn aangeschaft, mits voldaan blijft worden aan de daarvoor geldende voorwaarden. Dit betekent onder meer dat de bestelauto voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt.
Vanaf 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% in de loonbelasting. Deze 12% is een werkgever verschuldigd als hij aan een werknemer vanaf 2027:
Let op!De 12% pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die de werkgever niet mag verhalen op de werknemer. Daarnaast blijft de bijtelling voor de auto van de zaak die ten laste van de werknemer komt, ook gewoon bestaan in 2027.
Er is wel een aantal uitzonderingen. Een werkgever is de eindheffing namelijk niet verschuldigd als:
Let op!Er geldt een uitzondering voor incidenteel privégebruik bij overmacht en bijzondere omstandigheden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hiervan sprake is.
Wat betreft de uitzondering van ‘geen privégebruik’ zit er een addertje onder het gras. Waar voor de bijtelling van de auto van de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk wordt aangemerkt, zijn deze kilometers voor de pseudo-eindheffing privékilometers.
Let op! Dit heeft tot gevolg dat een werkgever vanaf 2027 ook de pseudo-eindheffing verschuldigd kan zijn als de werknemer de personenauto niet privé gebruikt (of maximaal 500 kilometers) en dus geen bijtelling heeft. Als die werknemer de personenauto wel voor woon-werkverkeer gebruikt, is de werkgever de pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd.
De pseudo-eindheffing geldt voor personenauto’s. Dit zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.
Let op! Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen, inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.
Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing.
Personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling tot 17 september 2030. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.
Let op! De overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als een werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.
De 12% pseudo-eindheffing wordt straks berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak, wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer. Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economisch verkeer van de personenauto.
De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. De werkgever kan er echter voor kiezen om de eindheffing uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.
Let op! Over het jaar 2027 betaalt een werkgever de pseudo-eindheffing dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.
Besparen op de pseudo-eindheffing door de personenauto niet alle dagen voor privé ter beschikking te stellen, zal niet werken. Als de personenauto slechts een deel van een maand voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze namelijk geacht de hele kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. De pseudo-eindheffing van 12% geldt dan voor de hele kalendermaand.
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.
Ondanks dat de maatregel pas in 2027 ingaat en er een overgangsregeling geldt, is het goed om al te anticiperen op de maatregel. Dat geldt zeker als u nu of in de toekomst een leasecontract gaat afsluiten met een looptijd van vijf jaar. De overgangsregeling loopt immers tot 17 september 2030 en dat is op dit moment al over minder dan vijf jaar.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de advieswijzer is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Fiscaal vriendelijk rijden wordt steeds lastiger, nu de autobelastingen de laatste jaren zijn aangescherpt. Het kan nog wel, maar de voordelen zijn voor een steeds kleinere groep beschikbaar. Ook de nieuwe 12% pseudo-eindheffing per 2027 kan nu van invloed zijn op de keuze van uw auto, voor u en voor uw eventuele personeel. We zetten alles hier voor u op een rij.
LEES VERDER
De ondernemer moet het verzoek om teruggaaf van Nederlandse btw digitaal indienen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. In Nederland kan btw teruggevraagd worden over de afgelopen vijf jaar. In sommige EU-landen kan dat niet en moet een verzoek om btw-teruggaaf vóór 1 oktober van het volgende jaar zijn ingediend.
Let op! In sommige gevallen is het mogelijk om alsnog een schriftelijk verzoek in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst als dat digitaal bij de Belastingdienst van het land van vestiging niet meer mogelijk is. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met de Belastingtelefoon Buitenland in Nederland.
Vanaf 1 april 2026 geldt een aanvullende eis voor het digitale verzoek om btw-teruggaaf. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan ook de factuur of het invoerdocument bijvoegen bij het verzoek als het factuurbedrag exclusief btw € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag exclusief btw € 250 of meer bedraagt.
Let op! De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.

Een ondernemer die buiten Nederland gevestigd is en geen btw-aangifte doet in Nederland, kan Nederlandse btw terugvragen. Per 1 april 2026 wijzigt daar iets in.
LEES VERDER