ACTUEEL

Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.

Nederland heeft in vergelijking met de rest van Europa een groot aantal flexwerkers: 2,7 miljoen. Deze nieuwe wet moet deze doelgroep beter beschermen.

Draaideurconstructies verboden

Werknemers mogen niet te lang in de flexibele schil blijven hangen. De onderbrekingstermijn tussen twee contracten waarna er weer een nieuwe keten van tijdelijke contracten kan beginnen wordt verlengd van zes maanden naar drie jaar. Er mogen wel nog steeds drie tijdelijke contracten worden afgesloten binnen een periode van drie jaar.

Let op! Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos zes maanden. Daarnaast blijft voor seizoensarbeid een onderbrekingstermijn van drie maanden mogelijk.

Bandbreedte contracten

In plaats van nul-urencontracten worden bandbreedtecontracten ingevoerd. Daarbij wordt een minimum- en maximumaantal uren overeengekomen (vergelijkbaar met een min-maxcontract). Het maximumaantal uren mag niet meer bedragen dan 130% van het minimumaantal uren. 

Let op! Scholieren, studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) en AOW’ers mogen nog wel op oproepbasis werken.


Tip! Bandbreedtecontracten voor onbepaalde tijd gaan onder de lage WW-premie vallen.

Wijzigingen voor uitzendkrachten

Waar uitzendkrachten momenteel in fase B (ABU) dan wel fase 2-3 (NBBU) nog zes tijdelijke contracten mogen krijgen binnen een periode van drie jaar, wordt deze periode straks beperkt tot twee jaar. Het maximumaantal contracten blijft daarbij ongewijzigd op zes.  Ook hier wordt de onderbrekingstermijn verlengd van zes maanden naar drie jaar.

Verder krijgen uitzendkrachten recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor werknemers in dienst van de inlener. Voor de beloning van een uitzendkracht is dat nu al zo door een uitspraak van het Hof van Justitie.

Daarnaast wordt de periode van uitzendwerk waarin de uitzendkracht elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uur hij kan werken verkort van anderhalf jaar naar een jaar.

Nog instemming van Eerste Kamer nodig

De Eerste Kamer moet nog instemmen met het wetsvoorstel. In het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) en daarmee samenhangende te ontvangen geld vanuit de EU, zou het wetsvoorstel uiterlijk 31 augustus 2026 in het Staatsblad gepubliceerd moeten zijn. Daarnaast zouden de gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten uiterlijk op 31 december 2026 in werking moeten treden. Aan de Eerste Kamer is daarom gevraagd om voor het zomerreces 2026 over het wetsvoorstel te stemmen.

Let op! Als de Eerste Kamer instemt, gaat de wet waarschijnlijk per 1 januari 2028 in. Alleen het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten gaat dan eerder al in: namelijk op uiterlijk 31 december 2026.

 
nieuws
18/5/2026
Juridisch

Tweede Kamer: meer zekerheid voor flexwerkers

De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers.

LEES VERDER

Belastingrente Vpb

Op 16 januari 2026 oordeelde de Hoge Raad dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend werd op een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) te hoog was. Er was strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel omdat er geen goede rechtvaardiging was om bij de Vpb een hogere rente te berekenen dan bij andere belastingen, waaronder de IB.

Let op! Inmiddels berekent de Belastingdienst, conform het oordeel van de Hoge Raad, over aanslagen Vpb hetzelfde rentepercentage als over aanslagen IB.

Belastingrente IB

In de uitspraak van 16 januari 2026 gaf de Hoge Raad al aan dat bij de belastingrente op een aanslag IB geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of Europees recht. Die rente is dus niet te hoog volgens de Hoge Raad.

Op 10 april 2026 verwijst de Hoge Raad nogmaals naar de uitspraak van 16 januari 2026 en oordeelt dat de belastingrente op een aanslag IB van minimaal 4% niet onevenredig is.

De belastingplichtige in deze casus kreeg op een ander punt wel gelijk van de Hoge Raad. De belastingrente bedroeg een tijdje 0,01% in verband met de coronacrisis, maar was per 1 oktober 2020 weer verhoogd naar 4%. De belastingrente was bij beschikking van 26 september 2020 in rekening gebracht waarbij over de periode van 1 tot en met 20 oktober 2020 4% was berekend. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet mocht omdat de regeling waarop die hogere rente berustte nog niet in werking was getreden op 26 september 2020. Dit gebeurde immers pas op 1 oktober 2020. De belastingrente voor de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 moest daarom berekend worden tegen 0,01%.

Belastingrente erfbelasting

Rechtbank Den Haag boog zich over de vraag wanneer een verzoek om een voorlopige aanslag bij de Belastingdienst binnen moet zijn om belastingrente over de aanslag erfbelasting te voorkomen.
De Belastingdienst vond dat dit moest binnen acht maanden na de overlijdensdatum. De rechtbank oordeelde echter dat dit moest vóór de eerste dag van de negende maand na de overlijdensmaand.

Voorbeeld
Het overlijden vond plaats op 13 mei 2023. Het verzoek om een voorlopige aanslag erfbelasting van de erfgenamen kwam bij de Belastingdienst binnen op 31 januari 2024. De Belastingdienst bracht belastingrente in rekening omdat het verzoek naar het oordeel van de Belastingdienst binnen moest zijn uiterlijk 12 januari 2024. De rechtbank vond dat de erfgenamen wel op tijd waren en vernietigde daarom de beschikking belastingrente.

nieuws
18/5/2026
Portemonnee

Rechters over belastingrente bij IB en erfbelasting

De Hoge Raad heeft zich uitgesproken over de belastingrente op een aanslag inkomstenbelasting (IB). Ook over de belastingrente op aanslagen erfbelasting sprak een rechter zich uit. Wat oordeelden de Hoge Raad en de rechter?

LEES VERDER

In deze advieswijzer wordt op hoofdlijnen nader ingegaan op btw-verplichtingen waarmee je te maken kunt krijgen als je zaken doet met het buitenland.

Waar en door wie is btw verschuldigd?

Om te bepalen waar – in Nederland of in het buitenland – btw verschuldigd is, is het essentieel om eerst vast te stellen in welk land de prestatie voor de btw plaatsvindt. Is dit in Nederland, dan heb je te maken met Nederlandse btw-verplichtingen. Is dit in het buitenland, dan heb je te maken met btw-verplichtingen in het buitenland.

 

Let op! De plaats waar je bent op het moment dat je een prestatie verricht, is lang niet altijd de plaats waar de prestatie voor de btw plaatsvindt. Maak daarom niet de vergissing om automatisch aan te nemen dat bijvoorbeeld een dienst die je in Nederland verricht, ook daadwerkelijk in Nederland belast is met btw.

 

De btw-regels om vast te stellen waar de prestatie plaatsvindt, zijn niet eenvoudig. Van belang is om in ieder geval onderscheid te maken tussen de levering van goederen en het verrichten van diensten. Voor beide categorieën gelden namelijk andere regels.

 

Bepalen de btw-regels dat je prestatie voor de btw in het buitenland plaatsvindt, dan hoef je lang niet altijd in het buitenland ook daadwerkelijk btw te betalen. Als je afnemer een btw-ondernemer is, kun je in veel gevallen binnen de EU een zogenoemde verleggingsregeling toepassen. Je kunt dan verschuldigde buitenlandse btw verleggen naar je afnemer. Je afnemer moet dan zorgdragen voor de afdracht van de buitenlandse btw.

 

Levering van goederen

Levering van goederen aan een ondernemer in de EU

Bij levering van goederen aan een ondernemer in de EU zal over het algemeen sprake zijn van een intracommunautaire levering (ICL) tegen het 0% btw-tarief. Voorwaarde is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd en dat je over het btw-identificatienummer beschikt van de in die EU-lidstaat gevestigde ondernemer. Hierbij is belangrijk dat je met documentatie kunt aantonen dat de goederen zijn vervoerd vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat.

 

Tip! Je kunt het btw-identificatienummer van je afnemer checken op een website van de EU

 

Je berekent 0% btw, maar geeft deze ICL wel aan (tegen 0% btw) in je btw-aangifte en in je opgaaf intracommunautaire prestaties. Je buitenlandse afnemer verricht in de andere EU-lidstaat een intracommunautaire verwerving (ICV) en draagt daar de btw af tegen het daar geldende btw-tarief (maar kan deze btw over het algemeen in zijn btw-aangifte ook weer in aftrek brengen).

Voorbeeld
Je levert goederen aan een ondernemer in Frankrijk met een Frans btw-identificatienummer. De goederen worden in verband met de levering vanuit Nederland naar Frankrijk vervoerd. Deze levering betreft een ICL. Voor de btw vindt de levering plaats in Nederland tegen het 0% btw-tarief. Je Franse afnemer verricht in Frankrijk een ICV. Hij draagt de btw hierover in Frankrijk af tegen het daar geldende btw-tarief.

Levering van goederen aan particulieren in de EU

Voor de levering van goederen aan consumenten en ondernemers die niet btw-plichtig zijn (hierna: consumenten) en die in andere EU-lidstaten wonen, gelden ander btw-regels. Dit zijn de zogenoemde afstandsverkopen. Volgens de hoofdregel zijn de afstandsverkopen binnen de EU belast in de EU-lidstaat waar de consument woont.

 

Let op! Voor 1 juli 2021 golden andere regels voor afstandsverkopen.

 

Uniform drempelbedrag

Op de hiervoor vermelde hoofdregel geldt een uitzondering als de totale omzet van de afstandsverkopen plus de omzet van eventuele digitale diensten op jaarbasis niet hoger is dan het drempelbedrag van € 10.000. Blijft de ondernemer onder dit drempelbedrag en is die ondernemer alleen in Nederland gevestigd, dan berekent hij het Nederlandse btw-tarief en doet hij in Nederland btw-aangifte. Het transport van de afstandsverkopen moet dan wel in Nederland beginnen. Dit is gebaseerd op de Vereenvoudigde regeling voor kleine ondernemers. Deze vereenvoudiging geldt voor afstandsverkopen en/of digitale diensten aan consumenten in de EU buiten Nederland.  

 

Let op! Zowel de omzet van de afstandsverkopen als de omzet van digitale diensten telt mee voor de drempel van € 10.000. Als deze drempel in enig jaar wordt overschreden, moet direct worden gestart met de berekening van buitenlandse btw voor de afstandsverkopen, alsmede voor de digitale diensten, en mag de drempel van € 10.000 niet langer worden gebruikt, ook niet in het volgende kalenderjaar.

 

Het drempelbedrag van € 10.000 geldt niet per EU-lidstaat, maar voor alle EU-lidstaten tezamen. Alleen als het totaal van alle afstandsverkopen aan consumenten in alle andere lidstaten en digitale diensten niet meer dan € 10.000 bedraagt, is de uitzondering van toepassing.

Keuze om drempelbedrag niet toe te passen

Het is ondernemers toegestaan om voor afstandsverkopen en/of digitale diensten te kiezen voor btw-heffing in het buitenland en dus geen gebruik te maken van het drempelbedrag van € 10.000. Deze keuze moet de ondernemer op tijd melden bij de Belastingdienst. De keuze gaat namelijk pas in op de eerste dag van het op de melding volgende kalenderkwartaal. Wil de ondernemer de keuze in laten gaan met ingang van de datum van de eerste digitale dienst of afstandsverkoop, dan moet de melding uiterlijk de 10e van de daaropvolgende maand bij de Belastingdienst binnen zijn. Keuze voor btw-heffing in het buitenland kan voordelig zijn als het btw-tarief in de EU-lidstaat waar de consument woont lager is dan in Nederland en met de klant een prijs inclusief btw is afgesproken. Ook kan via de buitenlandse btw-aangifte de buitenlandse voorbelasting van dat land worden teruggevraagd. Uiteraard brengt het wel extra administratieve lasten met zich mee.

 

Let op! Voorgaande btw-regels gelden alleen als de goederen worden verzonden of vervoerd door de leverancier of door indirecte tussenkomst van de leverancier of voor rekening komen van de leverancier. Is jouw situatie anders, dan kunnen andere btw-regels gelden. Neem bij twijfel over je specifieke situatie contact met ons op.

 

Eénloketsysteem

Komen de afstandsverkopen boven het drempelbedrag uit of is vrijwillig gekozen om het drempelbedrag niet toe te passen, dan berekent de ondernemer de btw van de EU-lidstaat waar de goederen heengaan. De ondernemer moet in die EU-lidstaat de btw afdragen en btw-aangifte doen. Hij kan ook kiezen voor een eenvoudig éénloketsysteem, ook wel OSS (One Stop Shop) genoemd.

In dit éénloketsysteem kan de ondernemer de in andere EU-lidstaten verschuldigde btw aangeven en afdragen bij de Nederlandse Belastingdienst. Hij moet zijn bedrijf dan aanmelden voor de ‘Unieregeling’ binnen het éénloketsysteem van de Belastingdienst. Zij zorgen dan dat de verschuldigde btw aan de diverse EU-lidstaten wordt doorbetaald. Aanmelding kan via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

 

Tip! Bij toepassing van de Unieregeling gelden voor facturering de Nederlandse btw-regels. Dit betekent dat je voor de afstandsverkopen niet verplicht bent om een factuur uit te reiken.

 

Via het éénloketsysteem kan geen voorbelasting worden teruggevraagd. Als er buitenlandse btw in rekening is gebracht, moet die worden teruggevraagd via een teruggaafverzoek buitenlandse btw. Het rechtstreeks terugvragen van buitenlandse btw kan wel als je ervoor kiest om in het buitenland btw-aangifte te doen.

Ook niet-EU-ondernemers kunnen zich aanmelden voor het éénloketsysteem. Hiervoor is een tussenpersoon verplicht. Die moet gevestigd zijn in de EU-lidstaat waar de niet-EU-ondernemer zich wil aanmelden.

Levering van goederen aan een ondernemer of een particulier buiten de EU

Bij levering van goederen aan een ondernemer of een particulier buiten de EU is sprake van de uitvoer van goederen als de goederen naar een land buiten de EU worden vervoerd. Over de uitvoer van goederen ben je 0% btw verschuldigd. Voorwaarde hiervoor is dat je kunt aantonen dat de goederen de EU hebben verlaten. Je berekent 0% btw, maar geeft deze export wel aan (tegen 0% btw) in je btw-aangifte.

Overige leveringen

Hiervoor zijn de hoofdregels voor de levering van goederen beschreven. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij de regels anders uitwerken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de levering van nieuwe (of bijna nieuwe) vervoermiddelen of aan ABC-leveringen. Bij ABC-leveringen worden de goederen door A aan B verkocht en vervolgens doorverkocht door B aan C. De goederen worden echter rechtstreeks van A naar C vervoerd. Denk ook aan dropshipping (webshop koopt en verkoopt door, maar de leverancier van de webshop vervoert of verzendt de goederen rechtstreeks naar de particulier die op de webshop bestelde). Voor deze situaties kunnen andere btw-regels gelden. 

 

Tip! Overleg altijd met onze adviseurs over de btw-regels die in jouw specifieke situatie van toepassing zijn.

 

Verrichten van diensten

Diensten aan een ondernemer in de EU

Volgens de hoofdregel is de dienst aan een ondernemer uit een andere EU-lidstaat belast in de EU-lidstaat van de afnemer. Je berekent dan geen Nederlandse, maar ook geen buitenlandse btw. Je verlegt de btw namelijk naar je afnemer en je afnemer geeft de btw aan in zijn eigen land (tegen het daar geldende btw-tarief). Je geeft de dienst wel aan in je eigen btw-aangifte en je opgaaf intracommunautaire prestaties.

 

Let op! Op deze hoofdregel gelden uitzonderingen. Bijvoorbeeld als de dienst betrekking heeft op onroerende zaken, het verlenen van toegang tot bepaalde evenementen, verhuur van een vervoermiddel voor een korte periode, personenvervoer of restaurant- of cateringdiensten. Laat je daarom altijd vooraf goed informeren door onze adviseurs over de btw-regels in je eigen situatie.

 

Diensten aan een ondernemer buiten de EU

Diensten aan een ondernemer buiten de EU zijn op grond van de hoofdregel belast in het land van de afnemer. In de Nederlandse btw-aangifte geef je hiervan niets aan. Informeer in het land van je afnemer aan welke btw-verplichtingen je daar moet voldoen.

 

Let op! Op deze hoofdregel gelden ook uitzonderingen. Laat je daarom goed informeren over de btw-regels in je eigen situatie.

 

Diensten aan een particulier

Volgens de hoofdregel is de dienst aan een particulier in het buitenland belast in Nederland. Je berekent hierover Nederlandse btw. Ook hier zijn echter vele uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld bij een dienst met betrekking tot een onroerende zaak, bij vervoersdiensten, restaurantdiensten, bemiddelingsdiensten etc.

Voor digitale diensten aan een particulier in een andere EU-lidstaat geldt de hiervoor beschreven Vereenvoudigde regeling voor kleine ondernemers of je kunt kiezen voor btw-heffing in de EU-lidstaat waar de consument woont.

Ook voor bepaalde andere diensten, zoals reclame- of adviesdiensten die je verricht aan een particulier buiten de EU, gelden andere regels. Deze diensten zijn over het algemeen belast in het land waar uw particuliere afnemer zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.

Kleineondernemersregeling (KOR)

De Nederlandse kleineondernemersregeling (KOR) geldt voor ondernemers met een omzet tot € 20.000 per jaar die belast is met Nederlandse btw. Als je deelneemt aan de KOR, hoef je aan je afnemers geen btw in rekening te brengen. Je kunt echter de door jou betaalde btw ook niet aftrekken. De KOR is daarom niet in alle situaties voordelig.

Europese kleineondernemersregeling (EU-KOR)

Sinds 1 januari 2025 is het mogelijk om de KOR aan te vragen in andere EU-lidstaten waar je btw bent verschuldigd. Je bepaalt zelf voor welke EU-lidstaten je de KOR aanvraagt. Je hoeft in die EU-lidstaat dan geen btw-aangiftes te doen, maar hebt dan ook geen recht op aftrek van door jou betaalde btw. Wel moet je ieder kwartaal aan de Nederlandse belastingdienst een overzicht verschaffen van de omzet die je in het kwartaal in de andere EU-lidstaten hebt behaald.

Eisen EU-KOR

Voor de EU-KOR is vereist dat je hoofdvestiging in Nederland ligt. Je omzet mag in alle EU-lidstaten, inclusief Nederland, maximaal € 100.000 bedragen. Ook geldt voor de deelnemers de nationale omzetgrens van de EU-lidstaat waar ze de EU-KOR willen toepassen. In Nederland bedraagt deze dus € 20.000 op jaarbasis.

Teruggaaf van in EU betaalde btw

Als je in 2025 als ondernemer ergens in de EU goederen en diensten hebt gekocht, kun je de buitenlandse btw via de Nederlandse Belastingdienst terugvragen. Je moet aan speciale formaliteiten voldoen en de in een andere EU-lidstaat betaalde btw vóór 1 oktober 2026 terugvragen. Te laat teruggevraagde btw wordt niet terugbetaald. Bij in de EU betaalde btw kun je denken aan btw op getankte brandstof of bijvoorbeeld aan btw op een taxirit of een hotelovernachting tijdens een congres. Het gaat dus om alle buitenlandse btw op zakelijk aangeschafte goederen en diensten.

 

Let op! Btw terugvragen moet digitaal via de volgende site: https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Daarvoor dien je over inloggegevens te beschikken. Vraagt je adviseur de btw voor je terug, dan heb je allebei inloggegevens nodig.

Let op! Het verzoek om teruggave van in 2025 betaalde btw moet per EU-lidstaat minstens € 50 aan btw betreffen en moet vóór 1 oktober 2026 ingediend worden. Onder deze drempel beslist het betreffende land zelf of het je btw terugbetaalt. Grotere bedragen kun je al in de loop van het kalenderjaar terugvragen, als het bedrag minstens € 400 per drie maanden is.

Tot slot

De btw-wetgeving is niet eenvoudig. Er gelden hoofdregels, maar het zijn met name de uitzonderingen hierop die het ingewikkeld maken. Bijna geen enkele situatie is echt standaard. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-regels voor je eigen, specifieke situatie.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

advieswijzer
18/5/2026
Internationaal

Advieswijzer Btw en buitenland

Lever je goederen over de grens of verricht je diensten aan afnemers buiten Nederland, dan zul je je moeten verdiepen in de mogelijke btw-verplichtingen in andere landen. Moet je btw in rekening brengen? Welk btw-tarief moet je toepassen? In welk land moet je de btw betalen? Wie moet de btw afdragen? Hoe moet je betaalde buitenlandse btw terugvragen?

LEES VERDER

Een loonkostenvoordeel bestaat uit een vast bedrag per verloond uur met een vast maximaal bedrag per jaar.

Loonkostenvoordelen

Om voor een van de loonkostenvoordelen (LKV’s) in aanmerking te komen, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet de werknemer verzekerd zijn voor werknemersverzekeringen en mag de AOW-leeftijd nog niet zijn bereikt.

Verschillende soorten LKV’s

Er zijn in 2026 nog drie soorten LKV’s, namelijk voor:

  1. Oudere werknemers die vóór 2024 in dienst kwamen;
  2. Arbeidsbeperkte werknemers (nieuw of herplaatsen);Doelgroep banenafspraak.

Tip! Per loonkostenvoordeel verschillen de voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen. Neem voor de exacte voorwaarden contact op met onze adviseurs.

LKV oudere werknemers (vóór 2024 in dienst): 2026 laatste jaar

Voor dienstbetrekkingen die begonnen op of ná 1 januari 2024 is het LKV oudere werknemers per 1 januari 2026 afgeschaft. Wel vindt hiervoor in 2026 nog uitbetaling van het LKV 2025 plaats.

Voor dienstbetrekkingen die begonnen vóór 1 januari 2024 blijft het LKV voor oudere werknemers van € 3,05 per verloond uur met een maximum van € 6.000 per kalenderjaar gewoon in stand tot het einde van de looptijd van maximaal drie jaar. In 2026 kan dus nog recht bestaan op dit LKV. Uitbetaling hiervan vindt plaats in 2027.

LKV arbeidsbeperkte werknemer

Misschien heb je voor een oudere werknemer in 2026 wel recht op het LKV arbeidsgehandicapte of herplaatsen arbeidsbeperkte werknemer. Deze LKV’s zijn namelijk niet afgeschaft, maar samengegaan in het LKV arbeidsbeperkte werknemer. In tegenstelling tot het LKV banenafspraak heb je in 2026 voor het LKV arbeidsbeperkte werknemer nog wel een doelgroepverklaring nodig.

De aanvraag voor het LKV arbeidsbeperkte werknemer kun je doen zodra je een doelgroepverklaring van je werknemer hebt. De doelgroepverklaring vraagt je werknemer aan bij het UWV. Deze wordt alleen verstrekt aan de werknemer, tenzij deze je gemachtigd heeft om de verklaring aan te vragen en te ontvangen.

Let op! De doelgroepverklaring moet tijdig aangevraagd worden, namelijk binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Als de aanvraag te laat binnen is, krijgt je werknemer geen doelgroepverklaring meer en kun je geen aanspraak maken op het LKV.

Bedragen LKV voor 2026

Hoeveel loonkostenvoordeel je krijgt, hangt af van het aantal verloonde uren en van het soort loonkostenvoordeel. De bedragen voor 2026 die in 2027 worden uitbetaald, zijn:

Loonkostenvoordeel Bedrag per verloond uur Maximumbedrag per jaar Maximaal aantal jaren
 Oudere werknemer die voor 2024 in dienst kwam  € 3,05  € 6.000  3 jaar
 Arbeidsbeperkte werknemer  € 3,05  € 6.000  3 jaar, bij herplaatsing maximaal 1 jaar
 Doelgroep banenafspraak  € 1,01  € 2.000  Maximaal tot aan AOW- gerechtigde leeftijd

Hoe vraag je een LKV aan?

Je vraagt het loonkostenvoordeel aan in je aangifte loonheffingen door de indicatie voor het LKV aan te zetten. Zonder deze indicatie ontvang je geen LKV.

Je krijgt uiterlijk 15 maart een voorlopige berekening van de loonkostenvoordelen waar je voor je werknemers over het voorgaande jaar recht op hebt. De berekening is gebaseerd op de aangiften en correcties over het voorgaande jaar die je tot en met 31 januari van het daaropvolgende jaar hebt gedaan. Je kunt tot en met 1 mei correcties over het voorgaande jaar insturen. Die worden nog meegenomen in de definitieve berekening van je loonkostenvoordelen. De definitieve berekening hiervan ontvang je vóór 1 augustus van de Belastingdienst, op basis van de berekening van het UWV.

Behoud LKV bij overgang van onderneming

Bij overgang van een onderneming gaan ook de werknemers over naar een nieuwe werkgever. De Belastingdienst ging ervan uit dat het recht op een LKV in zo’n situatie nooit mee overgaat. De Hoge Raad heeft echter op 24 mei 2024 geoordeeld dat een loonkostenvoordeel (LKV) niet vervalt bij overgang van een onderneming.

Was in jouw situatie ook sprake van overgang van een onderneming, dan blijft het recht op een LKV dus bestaan, mits aan de voorwaarden voor toepassing van het LKV is voldaan. Om in 2026 recht te hebben op het LKV, dien je in de aangifte loonheffingen 2026 het vinkje voor het LKV aan te zetten.

Op 3 februari 2026 heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel voor behoud van het LKV bij overgang van een onderneming aangenomen. Na inwerkingtreding van deze wet wordt een doelgroepverklaring niet langer alleen verleend aan een specifieke werknemer, maar wordt deze ook gekoppeld aan een werkgever.

De nieuwe werkgever (na overgang van de onderneming) kan dan een doelgroepverklaring nieuwe werkgever aanvragen en het LKV arbeidsgehandicapte werknemer voor de resterende looptijd voor de werknemer genieten. De nieuwe werkgever moet dan wel het vinkje aanzetten in zijn aangifte loonheffingen.

De nieuwe wet biedt ook de mogelijkheid om het LKV te behouden als een werknemer bij een nieuwe werkgever in dienst treedt, zonder dat sprake is van overgang van een onderneming. Ook deze nieuwe werkgever kan een doelgroepverklaring nieuwe werkgever aanvragen en daarmee een beroep doen op de resterende duur van het LKV arbeidsgehandicapte werknemer.

Let op! De exacte inwerkingtreding van de wet is nog niet gepubliceerd, maar beoogd is een inwerkingtreding per 1 januari 2027.

Loonkostensubsidie

Je kunt in aanmerking komen voor loonkostensubsidie voor werknemers met een arbeidsbeperking die niet in staat zijn om met voltijds werken 100% van het wettelijk minimumloon te verdienen (en die onder de gemeentelijke doelgroep Participatiewet vallen).

Deze subsidie wordt aan je uitgekeerd door de gemeente waar de werknemer woont. Daar kun je ook de aanvraag indienen. Door middel van een loonwaardebepaling wordt de productiviteit van de werknemer vastgesteld en op basis daarvan wordt de hoogte van de loonkostensubsidie bepaald.

Deze bedraagt ten hoogste 70% van het referentiemaandloon (vanaf 1 juli 2026 is dat € 2.294,40 per maand). Zodra de loonwaarde van de werknemer gelijk is aan het refentiemaandloon, stopt de loonkostensubsidie. Je ontvangt daarnaast een compensatie voor de premies werknemersverzekeringen, het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie, de loondoorbetaling tijdens vakantiedagen en andere werkgeverslasten. Deze compensatie bedraagt in 2026 25%. Het percentage vergoeding werkgeverslasten is een gemiddelde van de werkgeverslasten in de verschillende bedrijfstakken.

Een bijzondere vorm van de loonkostensubsidie is een forfaitaire loonkostensubsidie in het eerste halfjaar van een dienstverband van een werknemer. Dat houdt in dat je samen met de gemeente of het werkcentrum (het kan zijn dat de gemeente de uitvoering heeft uitgezet bij een werkcentrum) de mogelijkheid hebt om voor het eerste halfjaar van het dienstverband een loonkostensubsidie van 50% van het minimumloon overeen te komen. Na het eerste halfjaar past de gemeente de loonkostensubsidie aan op basis van een objectief op de werkplek vastgestelde loonwaarde van de werknemer. Een forfaitaire loonkostensubsidie maakt de start van een dienstverband met iemand uit de doelgroep loonkostensubsidie misschien gemakkelijker voor je als werkgever. Bovendien kan in het eerste halfjaar een goed beeld worden verkregen van de capaciteiten van de werknemer.

Let op! Aanvragen moet in beginsel vóór de start van het dienstverband of binnen één maand na de start. Voor een bepaalde doelgroep kun je ook binnen zes maanden na de start de loonkostensubsidie aanvragen. Het gaat hierbij onder meer om schoolverlaters uit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding mbo en voor mensen die vallen onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente.


Let op! Inmiddels ligt er een voorstel om de loonkostensubsidie niet langer afhankelijk te laten zijn van de loonwaarde, maar de loonkostensubsidie standaard vast te stellen op 68% van het wettelijk minimumuurloon plus een vergoeding voor werkgeverslasten. Of dit voorstel doorgaat en wanneer dat dan wordt ingevoerd, is nog niet bekend.
Loondispensatie

Loondispensatie

Je kunt het UWV toestemming vragen om minder dan het wettelijk minimumloon uit te betalen aan een werknemer. Een arbeidsdeskundige van het UWV beoordeelt of de werknemer minder presteert door zijn ziekte of handicap en bepaalt dan welk percentage van het wettelijk minimumloon je aan de werknemer moet betalen. De werknemer krijgt van het UWV een aanvulling op het salaris.

Vanaf 1 maart 2026 zijn de voorwaarden voor loondispensatie gewijzigd. Hierdoor kan een werkgever eerder loondispensatie aanvragen voor een werknemer met een Wajong- of IVA-uitkering. Een werkgever kan op grond van een tijdelijke regeling vanaf 1 maart 2026 loondispensatie aanvragen voor een werknemer als:

  • de werknemer een Wajong- of IVA-uitkering heeft, én
  • de werknemer door een ziekte of handicap minstens drie maanden minimaal 5% minder werk aankan dan andere werknemers in dezelfde functie.

Tot 1 maart 2026 konden werkgevers pas loondispensatie aanvragen als de werknemer gedurende minstens zes maanden minimaal 25% minder werk aankon dan een collega.

Let op! In de situatie tot 1 maart 2026 mocht de loondispensatie maximaal vijf jaar duren. Vanaf 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal twee jaar duren.

Met het instrument loondispensatie neemt het UWV tijdelijk een deel van de loonkosten van de werkgever over. Door de versoepeling van de voorwaarden wordt het voor mensen met een Wajong- of IVA-uitkering makkelijker om aan het werk te gaan en te blijven.

Regeling inclusiviteitstechnologie voor het mkb

Werkgevers in het mkb met maximaal 50 werknemers en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen kunnen ook in 2026 subsidie aanvragen voor inclusiviteitstechnologie. Dit is technologie die werknemers met een arbeidsbeperking ondersteunt bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Er is een lijst beschikbaar met technologieën die in aanmerking komen voor de subsidie. Een voorbeeld van deze technologie is een voorleesbril of een collaborative robot.

Tip! Werkgevers kunnen ook subsidie krijgen voor advies- en implementatiediensten met betrekking tot het gebruik van deze technologie, tot maximaal een bedrag van € 1.000.

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per aanvraag. De subsidie moet minimaal € 2.500 zijn. Het beschikbare budget bedraagt in 2026 € 1.000.000.

Let op! De subsidie kan in 2026 worden aangevraagd van 5 januari 2026 9:00 uur tot en met 29 mei 2026 17:00 uur. Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

Andere regelingen

Naast de hiervoor beschreven subsidies en tegemoetkomingen zijn er nog meer regelingen, aan te vragen bij het UWV of de gemeente, bijvoorbeeld:

  • een vergoeding of ondersteuning voor een aangepaste werkplek voor een werknemer met een ziekte of handicap;
  • een no-riskpolis bij het in dienst nemen van een werknemer met een hoog uitvalrisico;
  • het via een proefplaatsing twee maanden op proef laten werken van een werknemer;
  • persoonlijke ondersteuning/jobcoach.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

advieswijzer
12/5/2026
Personeel

Advieswijzer Voordelen loonkosten

Als werkgever heb je voor bepaalde groepen werknemers die moeilijker aan het werk komen – onder voorwaarden – recht op een tegemoetkoming in de loonkosten. Dit is vastgelegd in de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Vanaf 2026 bestaat binnen de Wtl alleen nog recht op loonkostenvoordeel. In deze advieswijzer komen ook nog wat andere voordelen aan bod.

LEES VERDER

Bijtelling

Als een auto van de zaak ter beschikking staat, moet bij privégebruik van meer dan 500 kilometer per jaar een percentage van de cataloguswaarde bij het loon/inkomen worden geteld. Over deze bijtelling betaalt de berijder loonbelasting of belasting in box 1. In bovengenoemde zaak was sprake van een verdubbeling van dit percentage als gevolg van een wetswijziging begin 2020.

Korting elektrische auto’s

Auto’s zonder CO2-uitstoot, dat zijn meestal elektrische auto’s, krijgen al jaren een korting op het standaard bijtellingspercentage. Dit was om milieuvriendelijk autorijden te bevorderen. Om oversubsidiëring te voorkomen, is deze korting in de loop der jaren geleidelijk afgebouwd.

Let op! De korting bedraagt voor auto’s die in 2026 voor het eerst tot de weg worden of zijn toegelaten 4% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000. Dit betekent een bijtelling van 18% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere.

Bijtelling verdubbeld begin 2020

In 2019 bedroeg de korting nog 18% (en de bijtelling 4%) over een cataloguswaarde tot en met € 50.000. Via een wetswijziging werd vanaf 1 januari 2020 de korting verlaagd naar 14% en daarmee de bijtelling verhoogd naar 8% tot en met een cataloguswaarde van € 45.000. Een werknemer die in 2019 al een elektrische auto bestelde welke pas in 2020 aan hem ter beschikking werd gesteld, was van mening dat deze plotselinge forse verhoging in strijd was met Europees recht en stapte naar de rechter.

Gevolgen voldoende overdacht

Rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de wetgever bij de verlaging van de korting voorbij was gegaan aan de belangen van de werknemer. Er was geen sprake meer van ‘fair balance’ en daarom strijd met Europees recht. De rechtbank verhoogde voor deze werknemer daarom de korting naar 18% (de korting die in 2019 gold).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in hoger beroep echter dat de wetgever de wetswijziging goed had overdacht en ook voldoende rekening had gehouden met de gevolgen. Uit de parlementaire behandeling bleek ook volgens het gerechtshof dat daarbij wel degelijk aandacht was besteed aan de positie van onder andere de belanghebbende, waarvoor al in 2019 een elektrische auto besteld was die pas in 2020 geleverd werd. Gevolg is dat de werknemer niet de korting van 18% (korting 2019) maar van 14% (korting 2020) moet toepassen. De verdubbeling van de bijtelling van 4% naar 8% blijft dus in stand.

Let op! De bijtelling zou eventueel nog verlaagd kunnen worden als sprake is van een individuele en buitensporige last bij de werknemers. Daar is niet snel sprake van. Zo ook niet in het geval van de werknemer waar de extra heffing over (ten hoogste) € 76 plaatsvond.

nieuws
12/5/2026
Binnenhof

Hof: verdubbeling bijtelling elektrische auto in 2020 aanvaardbaar

Een gerechtshof vindt de verdubbeling van het bijtellingspercentage van de elektrische auto van de zaak in 2020 niet in strijd met Europees recht. Een rechtbank oordeelde eerder dat die strijd er wel was.

LEES VERDER

Een casus

Een werknemer kreeg kort nadat hij in dienst is getreden een fietsongeluk en viel langdurig ziek uit. Hij werkte onvoldoende mee aan zijn re-integratie met als gevolg dat de werkgever de loonbetaling stopzet. Uiteindelijk ging de werknemer na afloop van zijn jaarcontract ziek uit dienst. 

Transitievergoeding

Er is vervolgens discussie ontstaan over de hoogte van de uit te betalen transitievergoeding. De vraag is of de periode waarin het loon is stopgezet, wel of niet moet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding.

Berekenen transitievergoeding 

Als een werkgever een werknemer een transitievergoeding moet betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast.

Deze werknemer had dan ook nog recht op de transitievergoeding over een periode van 21 mei 2025 tot 12 oktober 2025, het moment waarop het dienstverband eindigde.

Hoogte transitievergoeding

Voor de bepaling van de hoogte van deze transitievergoeding is van belang wat de arbeidsomvang van de werknemer is geweest. Partijen verschilden van mening over de grootte van deze arbeidsomvang. Volgens de werknemer moest worden uitgegaan van 29,4 uur per week, terwijl er volgens de werkgever sprake was van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.

De kantonrechter stelt de arbeidsomvang vast op 27,6 uur per week. Uit de in het geding gebrachte loonstroken volgt dat in de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid op 23 november 2024 de werknemer gemiddeld 27,6 uur per week werkte. De werknemer heeft dan ook recht op een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur tegen een brutouurloon van € 14,77.

Slotsom

Voor de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding is dus de gemiddelde arbeidsomvang van belang vóór de uitval wegens ziekte.

nieuws
12/5/2026
Portemonnee

Berekenen transitievergoeding bij loonstop

Stel, een werknemer is langdurig ziek, werkt onvoldoende mee aan de re-integratie en het loon wordt stopgezet. Moet dan de periode waarin het loon is stopgezet, wel of niet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding?

LEES VERDER

Regeling compensatie transitievergoeding

Je kunt bij het UWV ontslag aanvragen voor een werknemer die meer dan 2 jaar ziek is. Deze werknemer heeft dan wel recht op een transitievergoeding. Voor deze transitievergoeding kun je compensatie vragen bij het UWV via de regeling compensatie transitievergoeding.

Alleen nog voor kleine werkgevers?

Het vorige kabinet was van plan om de compensatie te beperken tot kleine werkgevers. Een kleine werkgever is in dit verband een werkgever met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Daarbij wordt gekeken naar het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder. Dit gebeurt nu ook al voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds. In 2026 is een werkgever klein voor deze premie als het totale premieplichtige loon over 2024 niet hoger was dan € 1.082.500.

Uitstel tot 1 januari 2027

Het plan was om de beperking tot kleine werkgevers in te voeren per 1 juli 2026. Het wetsvoorstel moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer. Gezien de krappe tijd is de beoogde inwerkingtreding verschoven naar 1 januari 2027.

Let op! Het huidige kabinet heeft het plan om de compensatie van de transitievergoeding van een langdurig zieke per 1 januari 2028 voor alle werkgevers af te schaffen. Ook een kleine werkgevers heeft dus, als dit plan doorgaat, vanaf 1 januari 2028 geen recht meer op compensatie.

nieuws
11/5/2026
Geld

In 2026 nog compensatie transitievergoeding langdurig zieke

Een werkgever kan compensatie vragen voor een transitievergoeding die hij verschuldigd is bij ontslag van een werknemer die meer dan 2 jaar ziek is. Het vorige kabinet was van plan om deze compensatie vanaf 1 juli 2026 alleen nog aan kleine werkgevers te geven, maar de inwerkingtreding is uitgesteld tot 1 januari 2027.

LEES VERDER

MB+-procedure

Het advies van de AG is gegeven in twee proefprocedures die onderdeel zijn van de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure). In de MB+-procedure staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NBA, NOB, RB en SRA) menen dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening is gehouden. Daar gaat de MB+-procedure over.

Vier proefprocedures

In de MB+-procedure zijn proefprocedures gevoerd voor vier rechtbanken. De rechtbanken hebben inmiddels allemaal de Hoge Raad gevolgd. De groep niet (of te laat) bezwaarmakers heeft dus ook volgens de rechtbanken geen recht op berekening van het box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 op basis van werkelijk rendement.

Advies AG

Twee procedures zijn inmiddels in behandeling bij de Hoge Raad. Een AG heeft hierover op 8 mei 2026 advies uitgebracht aan de Hoge Raad. Het advies is om niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 te geven.

Let op! Het is niet gezegd dat de Hoge Raad dit advies van de AG opvolgt. Het wachten is daarom op het oordeel van de Hoge Raad. Wanneer de Hoge Raad zich hierover uitspreekt is nog niet bekend. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoef je geen nadere actie te ondernemen.

nieuws
11/5/2026
Juridisch

Geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers?

Een AG heeft de Hoge Raad geadviseerd om niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 te geven. Wat betekent dit advies?

LEES VERDER

OSS

Lever je als in Nederland gevestigde btw-ondernemer goederen of diensten aan klanten in een ander EU-land die geen btw-aangifte doen? En moet je de over die goederen of diensten verschuldigde btw aangeven in dat andere EU-land? Dan kun je in een aantal situaties ervoor kiezen om de verschuldigde buitenlandse btw aan te geven via een zogenoemde OSS-aangifte.

De OSS staat voor One Stop Shop en bied je de mogelijkheid om via het éénloketsysteem in Nederland, de btw aan te geven die je in het ander EU-land verschuldigd bent. Dat doe je dan 1 keer per kwartaal. De Belastingdienst stuurt dan je melding en betaling naar de Belastingdienst van dat andere EU-land.

Uitbreiding OSS

In het op 26 maart 2026 bij de Tweede Kamer ingediende wetvoorstel ‘Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie’ wordt de OSS vanaf 1 januari 2027 uitgebreid voor leveringen van elektriciteit, gas, warmte en koude aan consumenten (B2C-leveringen ofwel Business to Consumer leveringen).

Daarnaast wordt in het wetsvoorstel de OSS per 1 juli 2028 verder uitgebreid voor B2C-montageleveringen, B2C-leveringen aan boord van schepen, luchtvaartuigen of treinen, en bepaalde binnenlandse B2C-leveringen.

Verder wordt in het wetsvoorstel vanaf 1 juli 2028 een nieuwe btw-regeling geïntroduceerd voor de overbrenging van eigen goederen, de zogenoemde overbrengingsregeling.

Uitbreiding btw-verleggingsregelingen

Vanwege het wetsvoorstel wordt per 1 juli 2028 ook een aanvullende verleggingsregeling ingevoerd. Dat leidt ertoe dat buitenlandse ondernemers die in Nederland zijn gevestigd en hier geen vaste inrichting en Nederlands btw-identificatienummer hebben, de verschuldigde btw vaker kunnen verleggen naar de Nederlandse afnemer.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn

De voorgestelde wetswijzigingen gaan over één van de drie onderwerpen uit de Europese richtlijn “VAT In the Digital Age” (hierna: VIDA-richtlijn). De andere twee onderwerpen worden via aparte wetsvoorstellen geïmplementeerd in de Nederlandse btw-wetgeving. De Europese VIDA-richtlijn gaat over de volgende drie onderwerpen:

  1. De introductie van elektronische facturering en digitale rapportageverplichtingen (vanaf 1 juli 2030).
  2. Regels voor de platformeconomie in de vorm van de invoering van een zogenoemde platformfictie voor het verrichten van bepaalde diensten (vanaf uiterlijk 1 juli 2028). 
  3. De enkele btw-registratie (gedeeltelijk vanaf 1 januari 2027 en voor het grootste deel vanaf 1 juli 2028). Voor dit onderdeel is dus op 26 maart 2026 het hiervoor vermelde Nederlandse wetsvoorstel ingediend.

Waarom wordt de OSS uitgebreid?

De OSS wordt uitgebreid om de administratieve lasten te verlichten voor ondernemers met grensoverschrijdende transacties aan consumenten in andere EU-landen en om belemmeringen voor hun deelname aan de interne markt weg te nemen. 

Door de uitbreiding van de OSS krijgen ondernemers de mogelijkheid om zich voor meer B2C-leveringen in één EU-land te registreren voor de btw. In dat EU-land kunnen die ondernemers de in de andere EU-landen verschuldigde btw aangeven en afdragen. Dit vermindert de administratieve lasten.

Let op! Een ondernemer is niet verplicht om voor de OSS te kiezen. Een ondernemer kan de eventueel in het buitenland betaalde btw op inkopen en investeringen niet in aftrek brengen in de OSS-aangifte. Dit kan een reden zijn om niet te kiezen voor de OSS en toch buitenlandse btw-aangiften te blijven doen

Let op!Het wetsvoorstel is nu nog in behandeling bij de Tweede Kamer. Als de Tweede Kamer instemt, moet daarna ook de Eerste Kamer nog instemmen.

nieuws
7/5/2026
EU

Uitbreiding OSS, deels al vanaf 1 januari 2027

De OSS wordt waarschijnlijk vanaf 1 januari 2027 al uitgebreid voor leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude aan consumenten.

LEES VERDER

€ 52 per dag

Voor 2026 is het bedrag vastgesteld op €52 per dag, ofwel een verhoging van €2 ten opzichte van vorig jaar. Het bedrag van €52 per dag is voor de transportondernemer aftrekbaar van de winst. 

Voorwaarden

Het bedrag is alleen aftrekbaar als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • De rit duurt langer dan 24 uur.
  • De verste bestemming mag niet in Nederland liggen. Er is geen maximum afstand.De regeling geldt voor alle meerdaagse ritten in dat jaar.
  • Het aantal gereden dagen moet je kunnen aantonen, bijvoorbeeld met facturen, tachograafschijven of rittenstaten.
  • De vertrek- en terugkomdag tellen elk mee voor een halve dag.
  • Je geeft de winst aan in de aangifte inkomstenbelasting.

Optioneel

De regeling is optioneel. Je mag er ieder jaar opnieuw voor kiezen de regeling al dan niet te gebruiken. Als je de regeling gebruikt, hoef je de verblijfkosten niet aan te tonen met facturen en dergelijke. Dat moet wel als je de regeling niet gebruikt en je de werkelijke verblijfkosten in aftrek wilt brengen. Dit is dus alleen voordelig als de aftrek per saldo hoger uitvalt dan €52 per dag.

Let op! Daarbij is wel van belang dat sommige kosten niet volledig aftrekbaar zijn, zoals de kosten van maaltijden. 

Ritten die starten op meer dan 50 km van het woonadres

De regeling geldt ook voor internationale ritten die starten op meer dan 50 kilometer van het woonadres van de ondernemer. Dit geldt ook als deze ritten korter duren dan 24 uur. 

In dat geval moet u wel voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Deze ritten vinden plaats op aaneengesloten dagen, eventueel met ritten waarbij men meer dagen aaneengesloten in het buitenland verblijft.
  • Het traject van elke rit bevindt zich in zijn geheel buiten een afstand van 50 km van het woonadres van de ondernemer.

Niet voor bv’s

Transportondernemers met een BV kunnen de regeling niet toepassen. Eigen rijders met een BV kunnen hun verblijfkosten wel onbelast door de BV laten vergoeden volgens de regels die gelden voor werknemers.

nieuws
7/5/2026
Transport

Verhoging aftrek verblijfkosten eigen rijders

Vanwege de inflatie is ook dit jaar het bedrag aan verblijfkosten verhoogd voor transportondernemers (eigen rijders) die zelf meerdaagse internationale ritten maken.

LEES VERDER