De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal € 20.
De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling:
Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden € 100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is.
Let op! In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling.
Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden.
Tip! Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst er voor kiezen om de teruggave niet te verrekenen.
Let op! De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend.
De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd.
Let op! De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt!
Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent.

Met ingang van 1 juli 2026 hanteert de Belastingdienst in beginsel een standaard betalingsregeling voor particulieren die om uitstel van betaling vragen. Wat houdt dit in?
LEES VERDER
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar.
De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 verklaarde de Belastingdienst in een collectieve uitspraak alle bezwaren tegen de belastingrente vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond.
Conform het arrest van de Hoge Raad wordt de belastingrente vpb gelijk aan de belastingrente voor de overige belastingen. Zie hiervoor onderstaande tabel.
| Periode | Belastingsrente Vpb was | Belastingrente Vpb wordt |
| 1-1-2022 t/m 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Inmiddels is de Belastingdienst vanaf begin juli 2026 begonnen met het teruggeven van de te veel berekende belastingrente. Die teruggave gaat de Belastingdienst niet voor elke aanslag vpb met belastingrente toepassen, maar alleen voor de volgende twee groepen:
Let op! Aanslagen vpb met belastingrente met een dagtekening vanaf 14 februari 2026 zijn volgens de Belastingdienst al berekend met het nieuwe rentepercentage.
De aanslagen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen moet de Belastingdienst binnen zes maanden na de collectieve uitspraak verminderen. Dit betekent dat deze aanslagen voor 25 augustus 2026 verminderd moeten zijn.

De Belastingdienst is begin juli 2026 gestart met de teruggave van te veel berekende belastingrente op aanslagen vennootschapsbelasting (vpb).
LEES VERDER
Al langer bestaat de wens om het belastingstelsel eenvoudiger en doelmatiger te maken. Een manier om dat te bereiken is het schrappen van negatief beoordeelde fiscale regelingen. Bijkomend voordeel hiervan is dat er financiële middelen vrijkomen om andere beleidsopgaven te dekken.
De Tweede Kamer heeft op 26 februari 2026 ook een motie aangenomen om de in het coalitieakkoord opgenomen vrijheidsbijdrage op een andere manier te financieren, bijvoorbeeld door het afschaffen of versoberen van negatief beoordeelde fiscale regelingen.
De staatssecretaris geeft aan dat van de 124 geëvalueerde fiscale regelingen er 55 negatief zijn. Negatief kan betekenen dat ze niet doeltreffend, niet doelmatig en/of te complex zijn. Het totale budgettaire belang van deze regelingen is ongeveer 90 miljard euro.
Het kabinet heeft over een deel van de 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen al de volgende voorstellen gedaan:
In de lijst van 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen hebben, buiten de hiervoor genoemde regelingen, nog andere regelingen het label “reden voor overheidsingrijpen” gekregen. Dit betekent overigens niet dat deze regelingen per definitie op de nominatie staan om af te schaffen. Overheidsingrijpen kan ook aanpassen van de regeling betekenen. Het gaat om de volgende regelingen:
Het kabinet beslist in augustus welke negatief beoordeelde fiscale regelingen afgeschaft of aangepast worden. De verwachting is dat het met name zal gaan om de regelingen waarvoor al voorstellen voor zijn gedaan, zoals hiervoor beschreven. Op Prinsjesdag 2026 wordt een en ander bekendgemaakt.
Let op! Als een negatief beoordeelde fiscale regeling op Prinsjesdag overeind blijft, wil dat niet zeggen dat deze op een later moment niet alsnog kan worden aangepakt.

De staatssecretaris van Financiën heeft een lijst met 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen gepubliceerd.
LEES VERDER
Gedupeerde van de toeslagenaffaire hadden in beginsel recht op compensatie waarbij werd uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Wie kan aantonen dat de werkelijke schade voor hem of haar groter was, kan een verzoek indienen om de Commissie Werkelijke Schade te laten beoordelen of recht bestaat op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.
De uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade. Zijn dwangsommen van toepassing als een dergelijk besluit niet tijdig genomen wordt?
De Afdeling bestuursrechtspraak beslist dat de normale wettelijke termijn geldt: ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak op het verzoek is verzonden. De uitspraak stelt echter ook dat wanneer deze termijn wordt overschreden er tot 3 juni 2027 geen dwangsom betaald hoeft worden.
Als reden voor het niet hoeven te betalen van een dwangsom stelt de afdeling bestuursrechtspraak dat hiervan geen effect hoeft te worden verwacht. Het toekennen van een dwangsom, leidt er namelijk niet toe dat daardoor eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade beslist zal worden. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.
De uitspraak heeft alleen betrekking op zaken waarbij de Dienst Toeslagen niet op tijd besluit op een verzoek om compensatie van de werkelijk geleden schade. Voor andere besluiten gelden andere termijnen. Zo heeft de Dienst Toeslagen vanaf 26 maart 2025 60 weken langer de tijd om te beslissen op bezwaarschriften tegen de geboden compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Die termijn blijft dus in stand.
Let op! De Afdeling bestuursrechtspraak gaat ook nog in op alternatieve hersteltrajecten. Lees hierover meer in het persbericht over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Inmiddels heeft de staatssecretaris in een voortgangsbrief ook laten weten dat gedupeerde ouders met aanvullende schade steeds sneller kunnen worden geholpen via MijnHerstel. Lees meer hierover in het nieuwsbericht op rijksoverheid.nl.

De Raad van State heeft beslist dat de Dienst Toeslagen tot 3 juni 2027 geen dwangsommen hoeft te betalen als ze niet of te laat beslissen op verzoeken om vergoeding van de werkelijke schade in de toeslagenaffaire.
LEES VERDER
Procedure teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen
Je kunt de buitenlandse btw terugvragen via de speciale teruggaafprocedure buitenlandse btw. Daarvoor moet je de volgende stappen doorlopen:
Let op! Moet je in een ander EU-land btw afdragen en daarom btw-aangifte doen? Dan vraag je de in rekening gebrachte btw van dit EU-land terug in die btw-aangifte. Je gebruikt dan niet voorgaande procedure.
Voor het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen gelden per EU-land verschillende regels. Bijvoorbeeld voor de taal waarin je het verzoek moet doen en welke facturen je moet bijvoegen.
Tip! Op de website van de Belastingdienst kun je de vereisten per EU-land downloaden.
Voordat de buitenlandse Belastingdienst de buitenlandse btw terugbetaalt, controleert die Belastingdienst of je op grond van de buitenlandse btw-regels recht hebt op aftrek van voorbelasting. Heeft je leverancier uit een ander EU-land bijvoorbeeld btw in rekening gebracht, terwijl de verleggingsregeling van toepassing is? Dan heeft je leverancier ten onrechte btw op de factuur vermeldt, waardoor jij geen recht hebt op aftrek van die btw. De buitenlandse Belastingdienst zal het verzoek om teruggaaf van die buitenlandse btw dan weigeren.
De Belastingdienst is bezig om het IT-systeem voor de btw te wijzigen. In verband daarmee, wijzigt straks ook de manier waarop je buitenlandse btw terugvraagt. Zodra de nieuwe procedure geldt, moet je het teruggaafverzoek digitaal doen via Mijn Belastingdienst Zakelijk. Dit houdt in dat je DigiD of eHerkenning nodig hebt om de buitenlandse btw te kunnen terugvragen. De exacte ingangsdatum publiceert de Belastingdienst op haar website, zodra de overgang naar het nieuwe IT-systeem is afgerond.

Heeft je bedrijf in 2025 in ander EU-land btw betaald? Dien dan uiterlijk 30 september 2026 het teruggaafverzoek buitenlandse btw in. Als je het verzoek te laat indient, neemt de buitenlandse Belastingdienst het teruggaafverzoek niet in behandeling.
LEES VERDER
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan.
Let op! Een aanslag staat onherroepelijk vast als de definitieve aanslag is opgelegd en er geen tijdig bezwaar of beroep meer loopt.
In een casus die voorlag bij de Hoge Raad stonden de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vast. Een van de partners leed in 2018 een ondernemersverlies dat verrekend werd met de aanslag IB 2015. De partners wilden daarna box 3 anders tussen elkaar verdelen. De reden was dat met die andere verdeling de heffingskortingen volledig benut konden worden.
De Belastingdienst stond de andere verdeling niet toe omdat de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vaststonden. De rechtbank was het daar mee eens, maar het gerechtshof niet.
Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever niet voorzien en gewild had dat de heffingskortingen niet volledig benut konden worden. Het gerechtshof verminderde daarom de aanslag van een van de partners.
De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Naar het oordeel van de Hoge Raad doet zich hier niet een bijzondere omstandigheid voor die de wetgever niet heeft voorzien en gewild. Na de achterwaartse verliesverrekening was dan ook geen nieuwe verdeling van box 3 mogelijk omdat de aanslagen al onherroepelijk vaststonden.

Kun je na de verrekening van een verlies met een ouder jaar, verzoeken box 3 in dat oudere jaar anders tussen partners te verdelen? Een echtpaar legde die vraag voor aan de Hoge Raad.
LEES VERDER
Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.
Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet je werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.
Zelfstandigheidscriterium
Je werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te onderscheiden is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Het komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.
Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.
Je werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als jij je inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit jouw enige werkruimte, dan moet jij je inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heb je nog een andere werkruimte buiten je woning, dan moet jij je inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.
Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.
De werkruimte moet bij (nagenoeg) volledig zakelijk gebruik en kan in beginsel bij gemengd gebruik worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning.
Indien de werkruimte niet juridisch of bouwkundig splitsbaar is, kun je ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen of kun je het pand splitsen in overeenstemming met het gebruik in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen (de werkruimte). In dit laatste geval zal de werkruimte over het algemeen niet voldoen aan het zelfstandigheidscriterium dat nodig is voor een kwalificerende werkruimte.
De fiscale behandeling van je werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.
Let op! Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kun je de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als je aannemelijk kan maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.
Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als je deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.
De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet van je winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.
Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als je zelf btw-belaste prestaties verricht.
Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag je van je winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat je ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van je werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2026 vastgesteld op 6%.
Daarnaast mag je ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.
Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kun je de kosten aftrekken van je winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van je winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.
Indien je de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen hebt geëtiketteerd, kun je alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van je winst. Voor het privégebruik van uw woning moet je wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.
Voor de meeste woningen is dit in 2026 1,10%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet je daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet je uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.
Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.
Het is niet mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte, ook niet als je het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.
Onderneem je vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.
De werkruimte valt voor jou, als dga, in box 1 (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag je nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.
Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat je voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van je werkzaamheid in box 1. Je hebt ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,56% (2026).
Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Je bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt je bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.
Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kun je deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. Je kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.
Indien je, als dga, de werkruimte aan je bv verhuurt, moet dat een btw-belaste verhuur zijn om tot aftrek van de btw te komen.
De Belastingdienst is echter vaak van oordeel dat er met de verhuur van een onzelfstandige werkruimte niet wordt deelgenomen aan de markt voor verhuur van bedrijfsruimte. De verhuur zou dan geen economische activiteit zijn en daarmee buiten de btw-sfeer vallen. Als er wel sprake is van een economische activiteit, is de Belastingdienst vaak van oordeel dat sprake is van verhuur van woonruimte als er ook privé van de werkruimte gebruik gemaakt kan worden. De verhuur van woonruimte is btw vrijgesteld en zorgt daarmee ook ervoor dat de voorbelasting niet aftrekbaar is.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:3538) oordeelde in een casus dat btw-belaste verhuur wel mogelijk voor een onzelfstandig deel van een woning in een situatie waarin het privégebruik van dat deel ondergeschikt was aan het zakelijke gebruik. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. Het wachten is op het oordeel van de Hoge Raad.
Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of je in een soortgelijke situatie mogelijk recht op aftrek van de btw kunt hebben.
De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor je eigen situatie daarom contact met ons op.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Het lijkt aantrekkelijk: wonen en werken in één pand. Maar een kantoor aan huis is lang niet altijd ook fiscaal aantrekkelijk. Wanneer is je werkplek ook voor de Belastingdienst een werkruimte? Waar moeten jij, je bedrijf en je werkruimte dan aan voldoen?
LEES VERDER
Voor een fiets die je aan een werknemer ter beschikking stelt moet je een bijtelling toepassen van 7%, als de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs van de fiets.
De vraag is gesteld of het bijtellingspercentage 7% blijft als je niet een maar meerdere fietsen aan je werknemer ter beschikking stelt. Uit de wijze waarop de bijtelling in de wet is opgenomen zou opgemaakt kunnen worden dat het bijtellingspercentage ook voor elke tweede of volgende fiets 7% is. Lease-a-Bike vermeldt op hun website dat de Belastingdienst dit aan hen heeft bevestigd.
Over de bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets, kun je de fiets ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het ter beschikking stellen van een fiets zal door de Belastingdienst waarschijnlijk wel als gebruikelijk worden aangemerkt, mits het een gebruikelijk exemplaar is. Het is echter de vraag of de Belastingdienst ook een tweede of volgende fiets als gebruikelijk aanmerkt.
Let op! Je kunt uiteraard altijd gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge in de gebruikelijkheidstoets. Als de bijtelling tezamen met andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in een jaar, maximaal € 2.400 per werknemer per jaar bedraagt, neemt de Belastingdienst aan dat dit gebruikelijk is.

Als werkgever kun je een of meer fiets(en) van de zaak aan je werknemer ter beschikking stellen. De bijtelling bedraagt 7% per fiets. Geldt dit ook voor de tweede of volgende fiets die je ter beschikking stelt?
LEES VERDER
De Europese Dienstenrichtlijn (hierna: Dienstenrichtlijn) is bedoeld om te zorgen voor eerlijke concurrentie en minder bureaucratie. Dienstverleners moeten overal met zo min mogelijk belemmeringen hun diensten kunnen aanbieden. In een ander Europees land, maar ook in een andere gemeente of provincie in Nederland. De Dienstenrichtlijn moet dit bevorderen.
In een rechtszaak voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een legesaanslag voor een verhuurvergunning tot een te hoog bedrag was opgelegd. Een eigenaresse met een woning in Leiden wilde deze verhuren en had hiervoor een verhuurvergunning aangevraagd. Die werd verstrekt, maar de aanslagleges bedroeg € 938,50.
Als je een woning wilt verhuren, mogen gemeentes zelf bepalen of hiervoor een verhuurvergunning vereist is. Zo ja, dan mag een gemeente voor het in behandeling nemen en afgeven van een dergelijke vergunning leges in rekening brengen.
In bovenvermelde zaak stelde de eigenaresse van de woning dat de opgelegde aanslag leges in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank moest daarom eerst beoordelen of Dienstenrichtlijn wel van toepassing was op de aanslag leges. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was en dat de eigenaresse een rechtstreeks beroep hierop kon doen.
In de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat de kosten van een vergunning redelijk en evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedure en de kosten van de aanvraagprocedure niet mogen overschrijden. De rechtbank onderzocht daarom of het bedrag aan leges van € 938,50 niet in strijd hiermee was opgelegd.
Let op! Dat het een hoog bedrag was, bleek alleen al uit het feit dat voor een verhuurvergunning in Rotterdam een bedrag van € 335 aan leges werd geheven en in Den Haag slechts € 271.
De rechtbank kwam tot het oordeel dat de leges van € 938,50 in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De door de gemeente aangegeven gemiddelde behandelduur van 10 arbeidsuren per afgegeven verhuurvergunning, waarop de € 938,50 gebaseerd was, bleken namelijk veel te hoog.
Ten eerste omdat de beoordeling van het aanvraagformulier naar het oordeel van de rechtbank veel minder tijd kostte. Ten tweede omdat gezien het aantal afgegeven vergunningen de betrokken ambtenaren nooit 10 uren per vergunning bezig konden zijn geweest.
Daarnaast was het legesbedrag voor elke vergunningsaanvraag € 938,50 en werd geen verschil gemaakt tussen een vergunning van één of van meerdere woningen. Volgens de rechtbank is het rekenen met dergelijke vaste bedragen toegestaan, mits deze zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten en weinig verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval. Dat was in deze situatie echter niet het geval.
De hoogte van de leges van € 938,50 was in het geval van de eigenaresse van de woning daarom in strijd met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank kon niet vaststellen welk bedrag aan leges wel in overeenstemming zou zijn met de Dienstenrichtlijn en vernietigde daarom de legesaanslag in het geheel
Let op! Deze uitspraak betekent niet dat elke aanslag leges in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Een en ander is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden en onder meer de onderbouwing van de aanslag leges door de gemeente. Houd er verder rekening mee dat de gemeente mogelijk hoger beroep instelt tegen de uitspraak.

Gemeenten die diensten verrichten, zoals het verlenen van een vergunning, mogen hiervoor kosten in rekening brengen in de vorm van leges. Als op dergelijke diensten de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is, kan strijd met deze richtlijn betekenen dat een legesaanslag wordt vernietigd.
LEES VERDER
De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.
Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.
Het leek erop dat er in de Eerste Kamer geen meerderheid zou komen voor het wetsvoorstel. De Minister van Financiën liet eind februari 2026 al weten dat hij het wetsvoorstel daarom wilde aanpassen. In een Kamerbrief van 19 juni 2026 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens laten weten de volgende opties te overwegen voor wijziging van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3:
Let op! In augustus 2026 beslist het kabinet over deze opties. Een en ander zal mede afhangen van de budgettaire dekking en voorstellen op andere wetsvoorstellen/wetten waarover nog beslist moet worden. Op Prinsjesdag 2026 zal in een novelle op het wetsvoorstel een en ander bekend gemaakt worden.
De novelle wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze moet de novelle daarna nog behandelen en daarover stemmen.
De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 daarom uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten.
Vooralsnog lijkt het erop dat het kabinet er nog niet voor kiest om per 2028 al een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen te introduceren. Het plan daarvoor blijft wel bestaan, maar het kabinet heeft aangegeven meer tijd daarvoor nodig te hebben.
Tijdens het debat op 30 juni 2026 in de Eerste Kamer zijn nog wel de volgende moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om:
Let op! De Eerste Kamer stemt op dinsdag 7 juli 2026 over deze moties, die overigens allemaal door de staatssecretaris ontraden worden.

De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 uitgesteld in afwachting van de wijzigingen die hierop nog gaan plaatsvinden. De novelle hiervoor wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden.
LEES VERDER