Met het gebruik van inclusiviteitstechnologie kunnen werknemers met een arbeidsbeperking hun toegang tot de arbeidsmarkt verbeteren. Door de subsidie worden de kosten voor de werkgever verlaagd en worden ze gestimuleerd deze technologieën in te zetten.
Let op! Er is ook subsidie beschikbaar voor advisering over het gebruik van de technologie. Per aanvraag mag je van de subsidie hieraan maximaal € 1.000 besteden.
Inclusiviteitstechnologie is op velerlei terreinen beschikbaar. Er bestaat een lijst met technologieën die zijn goedgekeurd voor de verkrijging van de subsidie. Er is ook een document met voorbeelden.
De lijst bevat bijvoorbeeld een technologie waarmee een tablet of smartphone handsfree kan worden bediend en een technologie die de stem versterkt, wanneer dit bij een stemaandoening noodzakelijk is.
Voor de subsidie is € 1 miljoen beschikbaar. Per aanvraag krijg je minimaal € 2.500 tot maximaal € 25.000 subsidie of maximaal de helft van de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.
Let op! De subsidie is alleen beschikbaar voor werkgevers in het mkb met maximaal 250 werknemers en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen.
De subsidie was oorspronkelijk beschikbaar tot 29 mei 2026, maar deze periode is verlengd tot 31 augustus 2026 17.00 uur. Zodoende heb je meer tijd om de mogelijkheden van inclusiviteitstechnologieën binnen je bedrijf na te gaan en de aanvraag goed voor te bereiden. De subsidie vereist onder meer dat je offertes meestuurt van de technologieën die je aan wilt schaffen en dat je omschrijft hoe een technologie je personeel met een arbeidsbeperking helpt.
Let op!Aanvragen kan digitaal met eHerkenning minimaal niveau 3 via de volgende link.

Werkgevers in het mkb kunnen ook dit jaar subsidie aanvragen voor inclusiviteitstechnologieën. Dit zijn technologieën die werknemers met een arbeidsbeperking ondersteunen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De aanvraagperiode is verlengd tot 31 augustus 2026.
LEES VERDER
De Eerste Kamer stemde op 16 juni 2026 met het wetsvoorstel in. Het wetsvoorstel staat al vanaf 2021 op de rol. Oorspronkelijk was het plan om deze mogelijkheid per 1 januari 2023 in te laten gaan, maar de ingangsdatum is keer op keer uitgesteld. Uiteindelijk zal de wet met ingang 1 januari 2029 ingaan, dus na de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.
Vanaf 1 januari 2029 krijgt een gepensioneerde de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum maximaal 10% van het opgebouwde pensioen in één keer uit te laten betalen. De gepensioneerde mag dit bedrag vrij besteden, er is dus geen verplicht bestedingsdoel.
Tip! De mogelijkheid 10% ineens op te nemen komt ook beschikbaar voor lijfrentes.
Het maandelijkse pensioen wordt door de opname wel lager. Daarnaast kan de opname van een bedrag ineens gevolgen hebben voor het recht op toeslagen. Daarom komt er een rekentool beschikbaar die inzicht geeft in de gevolgen van het bedrag ineens voor toeslagen en belastingen.

De Eerste Kamer heeft op 16 juni 2026 het wetsvoorstel herziening bedrag ineens. Vanaf 1 januari 2029 wordt het daarom mogelijk om 10% pensioen ineens op te nemen.
LEES VERDER
Met name bij arbeidsmigranten is niet altijd even duidelijk of ze het wettelijk minimumloon betaald hebben gekregen. Daarom werkt de regering een wetsvoorstel uit waarmee werknemers straks in die situatie alsnog het minimumloon uitgekeerd krijgen. Ook de bewijslast verschuift dan. De werkgever zal dan moeten bewijzen dat het minimumloon wel is uitbetaald. Nu ligt de bewijslast nog bij de werknemer of de Arbeidsinspectie. Zij moeten op dit moment nog bewijzen dat sprake is van betaling onder het wettelijk minimumloon.
De Arbeidsinspectie is de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Bij controles komt het voor dat de werkgever de benodigde gegevens niet kan of wil verstrekken. De Arbeidsinspectie kan dan niet nagaan of het minimumloon is betaald voor de gewerkte uren. De Arbeidsinspectie kan dan wel een boete van maximaal €12.000 per onderzochte werknemer opleggen maar daarmee ontvangen de werknemers nog niet het loon waar ze recht op hebben.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daarom een rechtsvermoeden van onderbetaling in de wet opnemen als er een vermoeden van onderbetaling is. De bewijslast wordt dan omgekeerd waardoor de werkgever moet bewijzen dat niet sprake is van onderbetaling.
De Arbeidsinspectie mag, na invoering van het rechtsvermoeden, een fictieve onderbetaling van het loon berekenen, als het vermoeden bestaat dat werknemers te weinig betaald krijgen en de werkgever niet kan bewijzen dat geen sprake is van onderbetaling. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de werkgever de gevraagde administratie niet wil of kan tonen.
Let op!Genoemd rechtsvermoeden was één van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten. Het aanjaagteam adviseerde ook bij een vermoeden van onderbetaling aan te nemen dat de werknemer gedurende zes maanden voor 36 uur per week tegen een vergoeding van het minimumloon heeft gewerkt.
Verder moet de werkgever straks bij de rechter bewijzen dat het wettelijk minimumloon wel is betaald. Nu ligt deze bewijslast nog bij de werknemer. Bewijslast betekent ook vaak bewijsrisico. Het is lastig voor werknemers om aan te tonen dat er sprake is van onderbetaling. Zeker wanneer de werknemer geen documenten kan laten zien, omdat deze ontbreken. Bovendien speelt de sterke afhankelijkheidspositie die werknemers ten opzichte van hun werkgever hebben een rol. Ze zijn niet snel geneigd om een procedure te starten. Vaak zijn ze ook onbekend met die mogelijkheid. Daar moet dus nu verandering in komen.
Let op!Deze voorstellen zullen in de komende maanden nader uitgewerkt worden in een wetsvoorstel. Daarna toetst de arbeidsinspectie eerst de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en wordt het wetsvoorstel voorgelegd bij de Raad van State. Vervolgens moeten de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel nog behandelen en hierover stemmen.

De regering werkt een wetsvoorstel uit dat werknemers beter gaat beschermen tegen betalingen onder het wettelijk minimumloon.
LEES VERDER
De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. De bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe.
Let op! De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank
De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst.
Let op!Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is.
Kan nu ieder dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet.
Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt.
Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn komen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden.
Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het Arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022.
Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast.
De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen.
Let op!De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor en voor de beoordeling van uw eigen specifieke situatie contact op met onze adviseurs.

Kan de bv de kosten van de sportschool en een personal trainer van de dga onbelast vergoeden? Een rechtbank vond in een casus van vóór 2022 dat dit kon. Maar hoe zit dat vanaf 2022, toen de wet op dit punt gewijzigd is?
LEES VERDER
Het rechtsvermoeden houdt in dat het vermoeden van een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen voor iedereen die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38 per uur. Opdrachtgevers kunnen dit rechtsvermoeden wel weerleggen door aan te tonen dat er geen arbeidsovereenkomst is. Lukt dat de opdrachtgever niet, dan bestaat recht op alle bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaling bij vakanties en ontslagbescherming.
Let op! De wet treedt op een nog nader te bepalen datum in werking. De verwachting is uiterlijk 31 december 2026.
Het rechtsvermoeden heeft, na inwerkingtreding van de wet, onmiddellijke werking. Dit betekent dat het rechtsvermoeden van toepassing is op elke arbeidsrelatie die bestaat op de dag van inwerkingtreding van de wet en op elke arbeidsrelatie die op die dag of na die dag ingaat.
Het rechtsvermoeden heeft alleen een civielrechtelijke werking. Het UWV, de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie gaan niet zelfstandig dit rechtsvermoeden toetsen, maar houden hun eigen onderzoeksplicht op basis van arbeid, loon en gezagsverhouding (zoals opgenomen in artikel 7:610 BW).
Oorspronkelijk bevatte het wetsvoorstel Vbar ook nog criteria aan de hand waarvan duidelijker zou moeten zijn wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Voordat de Tweede Kamer over het wetsvoorstel stemde, had het kabinet dit verduidelijkingsdeel al uit het wetsvoorstel geschrapt.
Let op! In plaats van het verduidelijkingsdeel uit het oorspronkelijke wetsvoorstel Vbar wil het kabinet zo snel mogelijk aan de slag met de Zelfstandigenwet. Het initiatiefwetsvoorstel dat medio 2025 ter internetconsultatie lag, zal daarvoor de basis vormen. Het kabinet zal de Tweede Kamer voor de zomer over verdere vervolgstappen informeren.

De Eerste Kamer heeft op 16 juni 2026 ingestemd met het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Dit betekent dat vanaf een nog nader te bepalen datum bij werkzaamheden tegen een uurtarief onder € 38 een rechtsvermoeden bestaat voor de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst.
LEES VERDER
In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden.
Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026.
De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking.
Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit.
Als de beschikking niet klopt, kan je bezwaar maken bij de Belastingdienst. Doe dit wel binnen zes weken na dagtekening van de beschikking.
Let op! UWV heeft de lkv’s berekend op basis van de uren uit je aangifte loonheffingen. Dit zijn altijd afgeronde uren. Om die reden kan er een afrondingsverschil bestaan tussen de uren uit je loonadministratie en de uren op de beschikking.
Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025.
Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.

Heb je over 2025 recht hebt op een of meer loonkostenvoordelen (lkv’s)? Dan ontvang je in de periode begin juni tot eind juli 2026 een beschikking Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 2025 van de Belastingdienst. Controleer deze en ga, waar nodig, op tijd in bezwaar.
LEES VERDER
Let op! De enquête is een eerste stap in het project over de vereenvoudiging van de winstbelastingen. Naar aanleiding van de enquêtes zal nader onderzoek gedaan worden naar de knelpunten. Ook zullen gesprekken hierover gevoerd worden met bedrijven en organisaties.
De enquête vind je via de internetconsultatie vereenvoudiging winstbelastingen of rechtstreeks via deze link.

Het ministerie van Financiën is een project gestart over de vereenvoudiging van de winstbelastingen. Ook ondernemers kunnen hun ervaringen met complexe fiscale regels of hoge administratieve lasten via een enquête delen met het ministerie.
LEES VERDER
Het UWV heeft sinds januari 2026 de werkwijze aangepast. De prioriteit is komen te liggen op het uitvoeren van de WIA- en Wajong-beoordelingen. Dit betekent dat verzoeken om herbeoordelingen en bezwaarzaken langer blijven liggen.
Het UWV gaf tot 1 januari 2026 voorrang aan dossiers waarin aanvragers in beroep waren gegaan bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen. Daardoor moesten aanvragers die geen beroep hadden ingesteld, langer wachten op een besluit. Vanaf 1 januari 2026 is dit onderscheid komen te vervallen.
Een belanghebbende heeft de mogelijkheid om naar de rechter te stappen als het UWV niet tijdig een beslissing neemt op een verzoek om herbeoordeling of in een bezwaarprocedure. Aan de rechter wordt gevraagd om het UWV te dwingen alsnog snel een besluit te nemen.
Let op! De belanghebbende moet het UWV eerst schriftelijk in gebreke stellen en een extra termijn van maximaal twee weken geven om alsnog te beslissen. Beslist het UWV niet binnen die extra termijn dan kan pas de gang naar de rechter worden gemaakt.
De rechter bepaalt vervolgens of het UWV een beslissing moet nemen en zo ja binnen welke termijn. Om zijn uitspraak kracht bij te zetten zal de rechter hier een dwangsom aan verbinden.
In eerdere procedures in 2025 besliste rechtbank Den Haag over zaken waarbij het UWV geen tijdige beslissing nam omdat er een medisch advies van een verzekeringsarts nodig was. De rechtbank besliste toen dat het UWV binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank een medische beoordeling door een verzekeringsarts moest laten uitvoeren. Verder besliste de rechtbank dat het UWV binnen negen weken een besluit bekend moest maken.
De rechtbank Den Haag heeft nu voor de situatie vanaf 2026 geoordeeld dat de maximum beslistermijn van negen weken nog steeds passend is. Deze termijn wordt daarom niet verlengd. Bij het bepalen van die termijn heeft de rechter al rekening gehouden met het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV.
Het UWV heeft zelf voor de nieuwe werkwijze gekozen waarbij geen voorrang meer wordt verleend aan zaken waarvoor beroep is ingesteld. Dit betekent dat het UWV zich ook bij de financiële gevolgen heeft neergelegd als er een dwangsom moet worden betaald omdat de termijn die de rechtbank in haar uitspraak stelt, niet wordt gehaald.
Let op! Dit is een oordeel van rechtbank Den Haag. Het is niet bekend of andere rechters hier hetzelfde over denken.

Het UWV krijgt van rechtbank Den Haag geen langere termijn dan negen weken om een beslissing te nemen na een beroep tegen het uitblijven van een beslissing waarin medisch advies van een verzekeringsarts nodig is. Hoe kwam rechtbank Den Haag tot deze beslissing?
LEES VERDER
De subsidie is behalve voor leerlingen in het vmbo, mbo en hbo, het praktijkonderwijs en het voorgezet speciaal onderwijs (VSO), ook beschikbaar voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s). Elke onderwijscategorie kent zijn eigen voorwaarden om voor de subsidie praktijkleren in aanmerking te komen.
Tip! Kijk voor de verschillende voorwaarden hier.
Aanvragen is mogelijk vanaf 2 juni 2026 9.00 uur tot en met 17 september 2026 17.00 uur. Uiterlijk 30 december 2026 wordt over uw aanvraag een besluit genomen.
Per praktijk- of leerwerkplaats bedraagt de subsidie maximaal € 2.700. Het definitieve subsidiebedrag is pas bekend nadat alle aanvragen beoordeeld zijn. Het wordt namelijk berekend op basis van het beschikbare budget en het aantal goedgekeurde aanvragen per onderwijscategorie.
Krijg je voor een mbo-student subsidie praktijkleren? Dan bestaat mogelijk ook recht op meer subsidie als de mbo-student een opleiding volgt die bijdraagt aan de klimaat- en energietransitie.
Het gaat hierbij onder meer om opleidingen in de bouw, installatie- en elektrotechniek, werktuigbouw, restauratie, maritieme techniek, voertuigen en mobiele werktuigen, weg- en waterbouw, luchtvaarttechniek, laborant en analist en groenvoorzieningen. Voorwaarde is dat de opleiding voorkomt in bijlage 4 van de Subsidieregeling praktijkleren.
Je hoeft voor deze extra subsidie niet apart een aanvraag te doen, maar deze loopt mee in de reguliere aanvraag subsidie praktijkleren.
Let op! De extra subsidie bedraagt maximaal € 500 per student. Voor 2025-2026 is € 7 miljoen beschikbaar. Ook hier wordt het definitieve bedrag berekend op basis het aantal goedgekeurde aanvragen.

Tot en met 17 september 2026 17.00 uur is het weer mogelijk om de subsidie praktijkleren aan te vragen. De subsidie van maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats bied je een tegemoetkoming in de kosten die je maakt voor de begeleiding van een leerling.
LEES VERDER
Let op! Hierna wordt alleen ingegaan op de aanbevelingen van SEO waarvan het kabinet heeft aangegeven hier opvolging aan te geven of hierover later een besluit te nemen. De aanbevelingen van SEO die het kabinet niet overneemt, komen hierna niet terug.
Naast de hiervoor beschreven aanbevelingen, neemt het kabinet ook de volgende aanbevelingen (deels) over:
Let op! De volledige kabinetsreactie op de evaluatie van de wkr door SEO is hier te lezen.

Het kabinet heeft in een reactie op een evaluatie van de werkkostenregeling (wkr) laten weten een wijziging in de wkr aan te brengen en na te denken over nog meer wijzigingen. Wat zijn de plannen?
LEES VERDER