In een zaak die speelde voor de rechtbank Noord-Holland, had een autohandelaar een naheffing motorrijtuigenbelasting met 50% boete ontvangen. De naheffing met boete was opgelegd omdat met een auto van de openbare weg gebruik was gemaakt zonder dat de handelarenkentekenplaten correct op de juiste plek waren aangebracht. De autohandelaar gaf aan dat de platen met elastieken waren bevestigd, maar dat die tijdens de proefrit bij een van de kentekenplaten kapot waren gegaan. De klant had daarom deze kentekenplaat achter de voorruit gelegd.
De rechtbank besliste dat de naheffing met boete terecht was opgelegd. Wettelijk is namelijk bepaald dat de kentekenplaten op de daarvoor bedoelde plaats op het voertuig moeten worden aangebracht. Dus op de plaats waar normaal gesproken het kenteken bevestigd moet worden en dus niet achter de voorruit.
De rechtbank stelde verder vast dat de handelaar aansprakelijk is als met betrekking tot een handelarenkenteken de voorschriften niet worden nageleefd. Dat de klant in deze zaak de kentekenplaat niet op de juiste wijze had gemonteerd nadat de elastieken het hadden begeven, was niet van belang en voor risico van de autohandelaar.
De handelaar bracht nog naar voren dat de inspecteur aan de menselijke maat met betrekking tot de naheffing en boete voorbij was gegaan, maar hier ging de rechtbank niet in mee. De naheffing van € 440 plus boete van € 220 bleven dan ook in stand.

Als ondernemer in de autobranche kunt u met een zogenaamd handelarenkenteken tijdelijk gebruik maken van de openbare weg. Op die manier kan bijvoorbeeld een klant een proefrit maken zonder dat de auto eerst van een definitief kenteken hoeft te worden voorzien. Aan het gebruik van een handelarenkenteken zijn wel voorwaarden verbonden. Worden die niet nageleefd, dan kan het u duur komen te staan.
LEES VERDER
Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. Niet iedere belastingplichtige met box 3-inkomen kwam daarna in aanmerking voor rechtsherstel. Op Prinsjesdag 2002 besloot het kabinet namelijk definitief geen rechtsherstel te bieden aan belastingplichtige van wie de aanslag op 24 december 2021 al onherroepelijk vaststond (hierna: de groep niet-bezwaarmakers).
Uiteindelijk is voor deze groep de massaalbezwaarplusprocedure ingericht. De inzet van deze procedure is de vraag of het terecht is dat de groep niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komt voor rechtsherstel.
In de procedure zijn vier proefpersonen geselecteerd die tezamen representatief zijn voor alle niet-bezwaarmakers. De zaken van de vier proefpersonen zijn voorgelegd aan verschillende rechtbanken.
Op 26 juni 2025 heeft rechtbank Den Haag als eerste uitspraak gedaan en het beroep van de proefpersoon ongegrond verklaard. Deze uitspraak zal aan een hogere rechter worden voorgelegd. Dit zal of een gerechtshof zijn of, in overleg met de Belastingdienst, meteen al de Hoge Raad. Op dit moment is er daarom nog geen definitief uitsluitsel over de vraag of de groep niet-bezwaarmakers misschien toch recht heeft op rechtsherstel.
Let op! In de andere drie zaken is nog geen uitspraak gedaan.

Op 26 juni is de eerste uitspraak in de zogenaamde massaalbezwaarplusprocedure inzake box 3 gedaan. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond.
LEES VERDER
Zonder ontslagvergunning van het UWV mag u een werknemer niet ontslaan bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen. Bij bedrijfseconomische redenen gaat het om de volgende situaties:
De UWV Uitvoeringsregels bevatten een artikelsgewijs overzicht van de van belang zijnde wettelijke en ministeriële regels over ontslag om bedrijfseconomische redenen. Daarnaast bevatten de Uitvoeringsregels een toelichting over hoe UWV deze regels toepast en welke informatie de werkgever bij de ontslagaanvraag moet voegen.
In de nieuwe versie is een nieuw hoofdstuk 6 over overgang van onderneming toegevoegd. Hiermee is staand beleid over overgang van onderneming en ontslag in de Uitvoeringsregels opgenomen. Dit komt tegemoet aan de behoefte van werkgevers en de rechtspraktijk om een leidraad te hebben voor dit soort ontslagaanvragen.
UWV beschrijft in het nieuwe hoofdstuk 6 wanneer ontslag bij overgang van onderneming mogelijk is. Er wordt verder toegelicht welke informatie UWV van de vervreemder of de verkrijger nodig heeft voor de beoordeling van een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen. De gevolgen van de overgang van onderneming voor de ontslagaanvraag worden uitgewerkt afhankelijk van de datum van de aanvraag, wie de aanvraag indient en de datum van de overgang van onderneming. Ook wordt toegelicht wanneer een standpunt van UWV over overgang van onderneming nodig kan zijn.
Let op! De versie van de Uitvoeringsregels van juli 2025 vervangt de versie van april 2023.

Als u werknemers wilt ontslaan vanwege bedrijfseconomische redenen, heeft u daar een ontslagvergunning nodig van het UWV. Het UWV heeft nieuwe Uitvoeringsregels voor ontslag om bedrijfseconomische redenen (Uitvoeringsregels) gepubliceerd.
LEES VERDER
Ondernemers die hun schulden niet meer kunnen betalen, kunnen met hun crediteuren proberen tot een overeenkomst te komen over aflossen van de schulden en vaak het ten dele kwijtschelden van het restant van die schulden. Ook de Belastingdienst maakt vaak deel uit van een dergelijk akkoord.
Bij een saneringsakkoord eist de Belastingdienst een aflossing van het overeengekomen restbedrag binnen een termijn van twaalf maanden. Vanaf 1 juli 2025 wordt ook een langere termijn mogelijk, als de ondernemer aannemelijk maakt dat hij het overeengekomen bedrag niet binnen twaalf maanden kan voldoen. Dit kan de ondernemer doen door aannemelijk te maken dat er onvoldoende liquide middelen aanwezig (kunnen) zijn het restbedrag binnen twaalf maanden te voldoen.
Om voor de langere betalingstermijn in aanmerking te komen moet ook duidelijk zijn dat de nakoming van het akkoord geborgd is. Om hierover zoveel mogelijk zekerheid te verkrijgen, is een verklaring van een derde deskundige nodig. Met deze verklaring moet aannemelijk worden gemaakt dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord zullen worden opgelost en dat de onderneming levensvatbaar is. Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Dit kan bijvoorbeeld een accountant zijn maar ook een andere deskundige.
Door de soepelere opstelling van de Belastingdienst is de kans op slagen van een saneringsakkoord groter en kan dit leiden tot minder faillissementen. Een saneringsakkoord kan ook een oplossing zijn voor ondernemers die hun coronaschulden niet binnen de vereiste termijn kunnen aflossen.

Vanaf 1 juli 2025 is een langere betalingstermijn mogelijk voor het aflossen van belastingschulden in de situatie dat ondernemers een saneringsakkoord hebben bereikt. De Leidraad Invordering is daarvoor per 1 juli 2025 gewijzigd.
LEES VERDER
Dit blijkt uit een uitspraak van een zaak die speelde bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Aan een manager van een supermarkt was een auto ter beschikking gesteld. Hij hield het privégebruik van de auto bij op een laptop. Hieruit zou blijken dat het privégebruik van de auto niet meer dan 500 km bedroeg. De manager kon dit echter niet hard maken, omdat de werkgever inmiddels was verkocht en de laptop en dus de rittenregistratie niet meer beschikbaar was.
De manager wilde het privégebruik daarom aantonen door dit te herleiden uit voorgaande jaren. De inspecteur accepteerde dit echter niet en de rechtbank evenmin. Een achteraf gereconstrueerde rittenstaat bevat volgens de rechtbank namelijk het risico dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. Hierdoor komt aan een achteraf gereconstrueerde rittenstaat minder bewijskracht toe. Daarmee zal volgens de rechtbank dan ook niet snel kunnen worden voldaan aan de zwaardere bewijslast die geldt voor het bewijzen dat niet meer dan 500 km per jaar privé is gereden.
Ook de overige door de manager genoemde argumenten schoten tekort. Zo was de werkgever met hem overeengekomen dat de auto niet privé gebruikt mocht worden, maar hierop was geen controle uitgeoefend door de werkgever. Ook het feit dat de manager in privé over nog enkele auto’s beschikte, was onvoldoende om belastingheffing over het privégebruik te voorkomen. De naheffingsaanslagen en boetes bleven dan ook in stand.
Tip! Zorg voor een betrouwbare, controleerbare rittenregistratie. U kunt bijvoorbeeld gebruikmaken van tracksystemen die alle ritten registreren en bijhouden in de cloud. Houd u uw ritten zelf bij, leg dan alles goed vast en bewaar uw registratie voor een periode van minimaal zeven jaar.

Als u met een auto van de zaak niet meer dan 500 km per jaar privé rijdt, geldt geen bijtelling. Het is aan u te bewijzen dat u niet over de 500 km-grens bent gegaan. Dit bewijs kan over het algemeen niet geleverd worden door het privégebruik te herleiden uit het gebruik in voorgaande jaren.
LEES VERDER
Het doel van de vrachtwagenheffing is dat voor binnen- en buitenlandse vrachtwagens van meer dan 3.500 kilo een heffing per verreden kilometer betaald moet worden. Het tarief wordt gedifferentieerd naar CO2-uitstoot van de vrachtwagen. Het Eurovignet verdwijnt en ook de MRB, ofwel wegenbelasting, wordt voor deze vrachtauto’s tot een minimum verlaagd. Een ander doel van de heffing is de innovering en verduurzaming van het vrachtverkeer.
Toldienstaanbieders worden straks verantwoordelijk voor de inning van de heffing en de afdracht aan de overheid. Dit betekent onder meer dat toldienstaanbieders vóór genoemde datum bij alle vrachtwagens waarvoor dit gewenst wordt boordapparatuur moeten inbouwen ter registratie van de vrachtwagenheffing. De registratie geschiedt via portalen die boven het wegennet worden geïnstalleerd. Ook zullen de toldienstaanbieders de transporteur van een contract moeten voorzien. De minister meldt dat men daarvoor ook bij aanbieders terecht kan die de heffing tevens in andere landen van de EU afhandelen (een EETS-aanbieder).
De opbrengst van de heffing zal deels besteed worden aan elektrificatie van het vrachtvervoer. Onder meer de subsidies AanZET en SPriLa zullen ermee worden gefinancierd.
De heffing zal na invoering worden gemonitord. Zo zal worden bijgehouden of en in welke mate vrachtwagens de heffing zullen ontgaan door uit te wijken naar wegen waarvoor de heffing niet geldt. Afhankelijk van de gemeten resultaten kunnen dan aanvullende maatregelen genomen worden.
Vanaf dit najaar kunnen transportondernemers zich aanmelden voor de regeling “CO2 meten en verbeteren”. Transportondernemers krijgen dan een adviseur toegewezen die helpt om de kwaliteit van data over de CO2-uitstoot, gereden kilometers en de beladingsgraad van hun vrachtwagenpark te verbeteren.

Inmiddels voormalig minister van Infrastructuur en waterstaat Madlener informeerde de Tweede Kamer op 3 juni 2025 over de voortgang van de in te voeren vrachtwagenheffing. Deze voortgang ligt op koers. Men streeft ernaar de heffing per 1 juli 2026 in te voeren.
LEES VERDER
In beginsel is alles wat een werkgever vergoed, verstrekt of ter beschikking stelt aan een werknemer als loon belast bij de werknemer. Hiervoor gelden een aantal uitzonderingen, gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen, waar in dit artikel verder niet op ingegaan wordt.
Een werkgever kan in beginsel de vergoeding, verstrekking of ter beschikkingstelling ook aanwijzen als eindheffingsloon. De gebruikelijkheidstoets legt hier een beperking op: vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt, mag een werkgever niet aanwijzen als eindheffingsloon.
Let op! Tot het bedrag van de vrije ruimte (in 2025 2% van de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom en 1,18% daarboven) betaalt een werkgever geen belasting over de aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Daarboven komt ten laste van de werkgever een eindheffing 80%.
De Belastingdienst hanteert bij het beoordelen van de gebruikelijkheidstoets een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per werknemer per jaar. Over de toepassing van deze grens bestonden in de praktijk nog vragen. De Belastingdienst heeft daarover onlangs nadere uitleg gegeven.
De aanwijzing van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk. Tot dit bedrag is sprake van een veilige haven. De Belastingdienst onderneemt dan geen actie.
Het is daarbij niet van belang om welk soort kosten of beloningsbestanddeel het gaat. Zo kan bijvoorbeeld ook een bonus of eindejaarsuitkering tot een bedrag van € 2.400 binnen deze veilige haven als eindheffingsloon worden aangewezen.
Als er geen twijfel is dat de aanwijzing van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, telt deze niet mee voor de € 2.400-grens.
Dat geldt bijvoorbeeld voor een vergoeding waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Denk bijvoorbeeld aan een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer tot maximaal € 0,23 per kilometer.
Maar ook van overige (niet gericht vrijgestelde) vergoedingen, verstrekking of terbeschikkingstellingen kan de aanwijzing zonder twijfel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Bijvoorbeeld omdat de gebruikelijkheid hiervan vooraf is afgestemd met de Belastingdienst.
Voorbeeld
Een werkgever geeft aan een werknemer een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 1.500 (tegen de gerichte vrijstelling van maximaal € 0,23 per kilometer). Daarnaast heeft de Belastingdienst aan de werkgever bevestigd dat de aanwijzing van de door de werkgever geïmplementeerde fietsregeling voor € 2.000 per fiets gebruikelijk is. In dat jaar geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. In december wil de werkgever een eindejaarsuitkering van € 2.400 aanwijzing als eindheffingsloon. De werkgever overschrijdt daarmee de grens van € 2.400 niet omdat de reiskostenvergoeding en de fiets voor die grens niet meetellen.
Wijst de werkgever voor meer dan € 2.400 per werknemer per jaar als eindheffingsloon aan, dan kan tot een bedrag van € 2.400 een beroep gedaan worden op de doelmatigheidsgrens. Boven dit bedrag kan de Belastingdienst de gebruikelijkheid echter wel toetsen.
Voorbeeld
Een werkgever geeft een bonus van € 4.000 en wil deze aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de wkr. In dit voorbeeld geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Dit betekent dat de werkgever voor € 2.400 gebruik kan maken van de doelmatigheidsgrens, maar dat voor een bedrag van € 1.600 de gebruikelijkheid ter discussie staat. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst deze € 1.600 over het algemeen niet gebruikelijk zal vinden.

De Belastingdienst heeft nadere uitleg gegeven over hoe de doelmatigheidsgrens van € 2.400 in de werkkostenregeling (wkr) in de praktijk wordt toegepast.
LEES VERDER
Ja, dat mag, maar alleen als uw werknemer u hierom vraagt en dus zijn toestemming geeft.
Als een werknemer gelijktijdig meerdere dienstbetrekkingen heeft, kan het zijn dat de loonheffing die totaal wordt ingehouden bij deze dienstbetrekkingen, lager is dan de werknemer bij zijn aanslag inkomstenbelasting moet betalen. De verschillende werkgevers houden immers geen rekening met het loon bij de andere dienstbetrekkingen en voor de aanslag inkomstenbelasting worden deze lonen wel bij elkaar opgeteld.
Om te zorgen dat de loonheffing meer overeenstemt met de inkomstenbelasting, kan een werknemer aan zijn werkgever vragen om meer loonheffing in te houden.
Let op! Dit kan zich ook voordoen als een werknemer meerdere pensioenen heeft of als hij bijvoorbeeld naast een pensioen ook nog werkzaamheden bij een werkgever verricht.
Het inhouden van meer loonheffing in afwijking van wat de tabellen berekenen, mag alleen op verzoek van de werknemer of met zijn toestemming.
Een werkgever is overigens niet verplicht om in te gaan op een dergelijk verzoek van een werknemer. Wil een werkgever niet meer loonheffingen inhouden en wil een werknemer toch voorkomen dat hij bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd wordt met een bij te betalen bedrag? Dan kan de werknemer altijd zelf de Belastingdienst verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen.

De in te houden loonheffingen worden berekend op basis van tabellen. Mag een werkgever van deze tabellen afwijken en meer loonheffing inhouden?
LEES VERDER
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijk veronderstelde rendement. De Hoge Raad gaf daarbij en ook in latere arresten aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden.
De aanwijzingen van de Hoge Raad zijn, aangevuld met een aantal nadere regels, verwerkt in het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 dat inmiddels is aangenomen door de Tweede Kamer.
Naar verwachting komt in juli 2025 het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) beschikbaar waarmee een beroep gedaan kan worden op de tegenbewijsregeling.
De Belastingdienst geeft aan dat u kunt wachten op het formulier OWR als u een beroep wilt doen op box 3-heffing berekend naar het werkelijk rendement. Dit is inderdaad het geval als u alleen een beroep wil doen op berekening van het werkelijk rendement in overeenstemming met de wet tegenbewijsregeling box 3.
Wilt u dat niet of twijfelt u daar nog aan, dan is het verstandig om tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening, bezwaar te maken tegen de definitieve aanslag IB.
Let op! Is de dagtekening van uw definitieve aanslag 27 mei 2025, dan eindigt de termijn om bezwaar te maken op 8 juli 2025.
Een reden voor bezwaar kan zijn dat u niet wilt aansluiten bij de wet tegenbewijsregeling box 3. U wilt bijvoorbeeld toch kosten in aftrek brengen. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst het bezwaar op dit punt zal afwijzen, omdat de Hoge Raad heeft beslist dat geen ruimte bestaat voor aftrek van kosten.
Maar ook als u de verdeling van uw box 3-inkomen tussen u en uw fiscale partner wilt wijzigen, moet u tijdig bezwaar maken. Datzelfde geldt als u wilt meedoen aan de massaalbezwaarprocedure tegen de belastingrente, indien op de definitieve aanslag of voorlopige aanslag belastingrente in rekening is gebracht.
Let op! Er zullen misschien nog meer redenen zijn om bezwaar te maken. Mogelijk heeft een van onze adviseurs al contact met u opgenomen om een en ander te bespreken. Het kan ook zijn dat al actie ondernomen is en bezwaar is gemaakt. Neem bij vragen of als u twijfelt hierover contact met ons op.

De Belastingdienst heeft eind mei een grote hoeveelheid definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2021 opgelegd. Als in de definitieve aanslag box 3-inkomen begrepen is, is het raadzaam om op korte termijn te beoordelen of bezwaar maken raadzaam is.
LEES VERDER
Met de ID-wallet wordt het straks een stuk eenvoudiger om digitaal zaken te doen binnen de EU. Denk aan een Griekse belastingadviseur die een Nederlands bedrijf vertegenwoordigt met betrekking tot fiscale aangelegenheden in Cyprus. De ID-wallet zal hiervoor in de toekomst onmisbaar worden.
De ID-wallet slaat de identiteit en belangrijke gegevens van de gebruiker op in een soort digitale portemonnee. Die gegevens kunnen dan onder meer gebruikt worden voor het doen van belastingaangifte. Ook het digitaal oprichten van een bedrijf moet tot de mogelijkheden gaan behoren.
Zo zal een in de ID-wallet opgenomen woonplaatsverklaring bijvoorbeeld ook erkend worden als een formele verklaring van een buitenlandse belastingdienst. Door deze gegevens te gebruiken kan beter worden samengewerkt, waardoor bijvoorbeeld dubbele belastingheffing eenvoudiger kan worden voorkomen.
Het uitgeven en gebruik van btw-nummers wordt een van de onderdelen van de uit te voeren gebruikstest waarin de Nederlandse Belastingdienst in 2026 participeert. Ook landoverschrijdende vertegenwoordiging door organisaties, het aanvragen en uitgeven van woonplaatsverklaringen en het digitaal indienen van belastingaangiftes gaan deel uitmaken van de gebruikstest die volgend jaar zal worden uitgevoerd. Door deel te nemen aan de test kan de Belastingdienst zich optimaal op de invoering voorbereiden.
Wilt u meer weten over de ID-wallet? Kijk dan op deze site.

De Nederlandse Belastingdienst helpt mee aan de ontwikkeling van de Europese ID-wallet. Met de ID-wallet kunnen persoonlijke gegevens binnen de EU veilig en eenvoudig gedeeld worden. De ID-wallet zal zowel voor bedrijven als voor particulieren beschikbaar zijn.
LEES VERDER