De nieuwe tool bevat een onderverdeling in drie thema’s: afrekenen, bijhouden en bewaren. De tool vraagt bijvoorbeeld als eerste of er bij het afrekenen gebruik wordt gemaakt van een digitaal kassasysteem. Daarbij wordt gewezen op de voordelen ervan en wordt gevraagd of er gebruik wordt gemaakt van dagrapporten.
De tool bevat per onderdeel ook de nodige tips. Zo wordt de ondernemer tijdens het beantwoorden van de vragen erop gewezen dat de administratie minstens zeven jaar bewaard dient te worden en welke onderdelen dit betreft. En bij vragen over het al dan niet gebruiken van een boekhoudpakket wordt aangegeven dat de kosten ervan aftrekbaar zijn van de winst.
De ondernemer wordt tijdens het invullen gewezen op de verplichtingen die samenhangen met het gebruik van contant geld en op de gevaren als niet dagelijks het kasboek wordt bijgehouden. Daarnaast wordt expliciet ingegaan op een aantal zaken dat moet worden bijgehouden, met name als wordt aangegeven dat geen gebruik wordt gemaakt van een boekhouder of adviseur.
Er wordt ook aandacht besteed aan digitalisering van de administratie en aangegeven dat de onderliggende papieren administratie niet zomaar vernietigd mag worden. Daarbij wordt de ondernemer duidelijk gemaakt dat hierover afspraken te maken zijn met de inspecteur.
Gedurende het invullen van de tool kan de horecaondernemer belangrijke zaken waarop hij terug wil komen opslaan in een checklist. Na het invullen van de tool krijgt de ondernemer een overzicht van aandachtspunten binnen zijn administratie en kan hij deze aan de hand van de checklist verbeteren.

De Belastingdienst heeft een tool ontwikkeld waarmee horecaondernemers kunnen nagaan of hun administratie op orde is. Aan de hand van een aantal ja/nee-vragen krijgt de horecaondernemer inzicht in zijn administratie, eventuele gebreken erin en advies voor mogelijke oplossingen.
LEES VERDER
Een werkgever kan zaken belastingvrij vergoeden en verstrekken als deze gericht zijn vrijgesteld. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de vrije ruimte in de werkkostenregeling. Tot het bedrag van de vrije ruimte kunnen zaken worden vergoed en verstrekt tot een bedrag dat afhankelijk is van de hoogte van de kloonsom van de werkgever. Voor 2025 en 2026 is dit 2% tot een loonsom van € 400.000 en 1,18% over het meerdere van de loonsom. Voor beide regelingen geldt dat de belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen door de werkgever moeten zijn aangewezen, uiterlijk op het moment dat ze verstrekt worden.
In bovengenoemd arrest is aangegeven dat een niet-inhoudingsplichtige werkgever de vrijstellingen ook kan toepassen als ze niet zijn aangewezen. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest, waarin was aangegeven dat werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever hierdoor niet in een nadeliger positie mogen komen dan collega’s met een werkgever die wel inhoudingsplichtig is.
In deze betreffende zaak ging het om een piloot die buitenlandse inkomsten had. Van deze inkomsten wilde hij een deel aanmerken als onbelaste kostenvergoeding. De inspecteur ging hier niet in mee, onder andere omdat de kostenvergoedingen niet door de werkgever als zodanig waren aangewezen. De Hoge Raad is echter van mening dat deze eis niet geldt voor niet-inhoudingsplichtig werkgevers.
De onbelaste kostenvergoeding werd wel beperkt tot een door de inspecteur eerder akkoord bevonden bedrag. Dit was voor het gerechtshof in Den Haag als compromis voorgesteld en hierop kon dus later niet meer worden teruggekomen.

Werkgevers die zaken belastingvrij vergoeden of verstrekken aan hun werknemers, zijn verplicht deze zaken aan te wijzen. Deze verplichting geldt echter niet voor niet-inhoudingsplichtige werkgevers, zoals buitenlandse werkgevers. Dit standpunt is onlangs bevestigd in een arrest van de Hoge Raad.
LEES VERDER
De belastingrente wordt één keer per jaar opnieuw vastgesteld. De nieuwe rente gaat dan per 1 januari gelden. In een besluit is vastgelegd hoe dit moet gebeuren. Daarbij geldt als basis de vóór 1 november van het voorafgaande jaar laatste gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties.
Voor de belastingrente voor het jaar 2026 gaat het hierbij om de op 11 juni 2025 gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties. Die bedraagt 2,15%. Vóór 1 november 2025 vond geen andere publicatie meer plaats.
Let op! In het besluit is ook opgenomen dat de belastingrente altijd wordt vastgesteld op een afronding van halve procenten. Leidt de berekening tot een andere belastingrente, dan vindt dus afronding plaats. Verder wordt het belastingrentepercentage ten opzichte van het bestaande belastingrentepercentage maximaal 2% hoger of lager.
Voor de IB wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 3%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 4,5% is.
Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de IB in 2026 5% (2,15% + 3% = 5,15%, afgerond op halve procenten is dat 5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de IB nog 6,5%.
Let op! Dit percentage geldt ook voor de meeste andere belastingen, onder meer de loonbelasting, omzetbelasting, dividendbelasting, erfbelasting et cetera.
Voor de Vpb wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 5,5%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 5,5% is.
Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de Vpb in 2026 7,5% (2,15% + 5,5% = 7,65%, afgerond op halve procenten is dat 7,5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de Vpb nog 9%.
Let op! Dit percentage geldt ook voor onder meer de bronbelasting en de minimumbelasting.
Het belastingrentepercentage voor 2026 is nog niet door de Belastingdienst bekendgemaakt. Gebaseerd op het besluit komen de percentages uit op 5 en 7,5%, maar daarvoor is dus nog geen officiële bevestiging.
Over de hoogte van de belastingrente loopt een procedure bij de Hoge Raad. Bezwaren tegen de belastingrente zijn aangewezen als zogenaamde massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die bezwaar maken tegen de belastingrente pas een uitspraak van de Belastingdienst krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan.
Let op! Wil u aansluiten bij deze massaalbezwaarprocedure, dan moet u op tijd een bezwaar indienen tegen de belastingrente. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.

De belastingrente voor de inkomstenbelasting (IB) bedraagt in 2026 hoogstwaarschijnlijk 5%. Voor de vennootschapsbelasting (Vpb) zal dit waarschijnlijk 7,5% zijn. Beide percentages zijn 1,5% lager dan in 2025.
LEES VERDER
Een outplacementtraject begeleidt een werknemer van zijn huidige baan naar een andere baan. U kunt met uw werknemer afspreken dat u de kosten van het outplacementtraject betaalt. Of hierover loonheffing verschuldigd is en zo ja wanneer, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden.
Loopt de werknemer het outplacementtraject door terwijl hij nog bij u in dienst is, dan kunt u gebruikmaken van een gerichte vrijstelling. U betaalt dan geen loonheffing hierover en u hoeft ook geen gebruik te maken van uw vrije ruimte.
Let op! Het voorgaande geldt alleen als de kosten van outplacement voldoen aan de gebruikelijkheidstoets die geldt in de werkkostenregeling.
Betaalt u het outplacementtraject voor uw werknemer nadat hij bij u uit dienst is, dan kunt u de gerichte vrijstelling niet toepassen, volgens de Belastingdienst. Het outplacementtraject vormt dan namelijk loon uit vroegere dienstbetrekking. De gerichte vrijstelling geldt daarvoor niet.
Aan de Belastingdienst zijn vragen gesteld over twee situaties waarbij een werkgever en een werknemer een vaststellingsovereenkomst sloten tot beëindiging van het dienstverband:
De Belastingdienst heeft geantwoord dat in beide situaties het genietingsmoment van het outplacementtraject gelegen is ná uitdiensttreding omdat pas ná uitdiensttreding recht was op het outplacementtraject. In dat geval vormt dit outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking en kan de gerichte vrijstelling niet worden toegepast.
De werkgevers in de hiervoor beschreven situaties moeten, naast de kosten van outplacement, ook de loonheffing hierover dragen. Als zij dit van tevoren hadden geweten, hadden ze wellicht andere afspraken met de werknemer gemaakt.
Denk daarbij aan het al starten van het outplacementtraject tijdens de dienstbetrekking (zorg dan wel dat alle facturen ook al tijdens de dienstbetrekking zijn betaald). Of het maken van de afspraak dat de werkgever een bedrag vergoed voor outplacement waarbij de eventuele loonheffingen voor rekening van de werknemer zijn.
Let op! Bent u met uw werknemer in overleg over een outplacementtraject? Overleg dan met onze adviseurs over de mogelijke fiscale gevolgen voor de loonheffingen.

Een werknemer gaat uit dienst en u spreekt af dat u het outplacementtraject betaalt. Moet u hierover loonheffing betalen en zo ja, wanneer?
LEES VERDER
In een zaak die door het gerechtshof Den Haag werd behandeld, ging het om de vraag of de auto’s van een kinderdagverblijf aan het personeel ter beschikking stonden. Het Hof was van mening dat dit het geval was en stelde dat niet van belang is dat een auto ook privé mag worden gebruikt. Het gaat erom of de feitelijke macht over een auto kan worden uitgeoefend, hetgeen in genoemde zaak het geval was. De betreffende werknemer was locatiemanager en in staat om te bepalen of zij van de auto gebruikmaakte. Ook kon zij vanwege haar positie over de autosleutels beschikken, hoewel een andere werknemer deze in beheer had.
Het Hof stelde verder vast dat een verbod op privégebruik, waarvan in deze zaak sprake was, niet van belang is voor de vraag of een auto ter beschikking staat. Het verbod is wel van belang voor de vraag of er met de auto al dan niet meer dan 500 km privé is gereden. Dat de locatiemanager wilde voorkomen dat zij misbruik maakte van haar positie en dat ze ook in privé over een auto beschikte, maakte dit niet anders.
Nu er geen kilometeradministratie was bijgehouden en ook ander toezicht ontbrak, was met de bijtelling terecht rekening gehouden door de inspecteur. Er was immers niet aangetoond dat met de auto niet meer dan 500 km privé was gereden. Ook het feit dat er een sleutelkastje aanwezig was waarin de sleutels na gebruik werden opgeborgen, was hiervoor onvoldoende omdat iedere controle ontbrak.
De inspecteur slaagde er echter niet in te bewijzen dat er sprake was van grove schuld voor wat betreft het niet aangeven van de bijtelling. Personeelsleden moesten namelijk een autoverklaring ondertekenen waarin stond dat ze de auto niet privé zouden gebruiken. Het gebruik van de auto was ook vastgelegd in een personeelshandboek. Het Hof achtte ook van belang dat de locatiemanager richting het andere personeel wilde voorkomen dat ze misbruik maakte van haar positie inzake het privégebruik van de auto.
Alles overwegende vond het Hof dat er geen sprake was van grove schuld en dat de boete dan ook ten onrechte was opgelegd.

Als aan een werknemer een auto ter beschikking is gesteld, moet in beginsel de bekende bijtelling worden toegepast. Dit hoeft niet als er jaarlijks niet meer dan 500 km privé wordt gereden. De belastinginspecteur kan naheffen als de bijtelling ten onrechte achterwege is gebleven, maar voor het opleggen van een vergrijpboete is meer nodig.
LEES VERDER
Inhouding van de kosten van huisvesting op het minimumloon gebeurt vooral bij arbeidsmigranten. Werkgevers zorgen dan namelijk vaak voor die huisvesting.
Bij een minimumloon mag een werkgever voor huisvesting in 2025 maximaal 25% van dat loon inhouden. Het plan was om dit percentage vanaf 2026 met 5% per jaar af te bouwen. Vanaf 2030 zou het dan verboden zijn om de kosten van huisvesting in te houden op het wettelijk minimumloon. Doel van dit plan was om de uitbuiting van arbeidsmigranten tegen te gaan.
Het kabinet is echter tot de conclusie gekomen dat de afbouw van de inhouding eigenlijk meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. De huidige regeling maakt het voor werkgevers en arbeidsmigranten namelijk makkelijker om huisvesting te regelen. Bovendien verliest de overheid het toezicht op de kwaliteit van de woning, als de regeling wordt afgeschaft. Om die reden kiest het kabinet er nu voor om de geplande afbouw (nog) niet in te voeren.
Let op! Het is uiteraard niet uitgesloten dat een nieuw kabinet alsnog ervoor kiest om de regeling af te bouwen. Dat zal dan in ieder geval niet per 1 januari 2026 zijn.

Werkgevers mogen in 2025 voor de kosten van huisvesting van een werknemer maximaal 25% van het wettelijk minimumloon inhouden op dit minimumloon. Het plan om dit percentage te verlagen en uiteindelijk de inhouding te verbieden, gaat vooralsnog niet door.
LEES VERDER
Bij een head-spa-behandeling wordt de hoofdhuid onder meer gewassen, gescrubd, gemasseerd en met stoom behandeld. Ook worden de nek, schouders en/of handen gemasseerd en het haar geföhnd. De Belastingdienst is van mening dat deze behandeling niet het werk is van een kapper waarop het lage btw-tarief van toepassing is.
Dit is zo, volgens de Belastingdienst, omdat het overgrote deel van de behandeling niet gericht is op het haar. De Belastingdienst geeft daarbij aan dat het niet uitmaakt dat een deel van de behandeling, bijvoorbeeld het wassen en föhnen van het haar, ook door kappers wordt verricht.
Het 9% btw-tarief is voor kappers alleen van toepassing op diensten die door kappers als zodanig worden verricht. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het knippen, wassen en verven van haar en het aanbrengen van een permanent.
Let op! Een kapper die bijvoorbeeld ook (bruids)make-up aanbrengt of (gel)nagels verzorgt, mag op deze dienst ook niet het 9% btw-tarief toepassen. Dit zijn namelijk geen diensten die een kapper als zodanig verricht. Hiervoor geldt daarom het 21% btw-tarief.

Een head-spa-behandeling is belast tegen het hoge btw-tarief van 21%, aldus de Belastingdienst. Als kappers zo’n behandeling uitvoeren wijkt het btw-percentage van 21 % af van hun andere diensten die over het algemeen belast zijn tegen 9% btw.
LEES VERDER
Een personeelsobligatie is een niet-verhandelbare obligatie die door een onderneming tegen speciale voorwaarden aan werknemers wordt aangeboden. Als de rente op deze obligatie op het moment van aankoop door een werknemer hoger is dan marktconform, heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.
Let op!Dit rentevoordeel kan door de werkgever ook aangewezen worden in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Als en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing.
De personeelsobligatie behoort tot box 3. Hierbij is de vraag hoe het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst heeft aangegeven dat alleen de marktconforme rente bij de werknemer als rendement in aanmerking hoeft te komen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3. Het rentevoordeel blijft in box 3 dus buiten aanmerking.

Als een personeelsobligatie een rente heeft die hoger is dan marktconform, behoort slechts de marktconforme rente tot het werkelijke rendement in box 3. Hoe zit dit?
LEES VERDER
Sommige zorgkosten zijn onder voorwaarden, boven een drempelbedrag, aftrekbaar. Ook hulpmiddelen behoren daartoe. Wel gelden er enkele voorwaarden en uitsluitingen. Zo kunnen hulpmiddelen alleen aftrekbaar zijn als ze hoofdzakelijk door zieke en invalide personen worden gebruikt.
Tip! Alles over de aftrek van zorgkosten kunt u hier nalezen.
De Belastingdienst heeft duidelijk gemaakt dat energiekosten op zichzelf niet aftrekbaar zijn als zorgkosten, omdat het geen stoffelijke zaak betreft. Moet bijvoorbeeld een kamer vanwege een ziekte op een bepaalde temperatuur worden gehouden, dan zijn deze energiekosten dus niet aftrekbaar.
Kosten die samenhangen met een hulpmiddel, kunnen daarentegen wel voor aftrek in aanmerking komen. Hierbij kan gedacht worden aan onderhouds- of verzekeringskosten. Ook energiekosten kunnen daarom in aftrek komen als zorgkosten, maar alleen als ze samenhangen met een hulpmiddel dat ook aftrekbaar is.
De bewijslast met betrekking tot de in aftrek te brengen energiekosten ligt bij belastingplichtige. Die zal het energieverbruik dienen te vermenigvuldigen met zijn gemiddelde energieprijs om zodoende de aftrek aan energiekosten te kunnen onderbouwen.

Sommige hulpmiddelen zijn aftrekbaar als zorgkosten. Maar zijn de met die hulpmiddelen samenhangende energiekosten dan ook aftrekbaar?
LEES VERDER
De subsidieregeling SDE++ is als gevolg van Europese wetgeving niet meer mogelijk voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, zoals zonne-energie en windenergie op het land.
De SDE++ heeft als nadeel dat bedrijven een groot financieel voordeel behalen bij een hoge marktprijs voor stroom, terwijl de bedrijven bij een lage marktprijs subsidie ontvangen. Om de hierdoor ontstane overstimulering en oneerlijke concurrentie te voorkomen, wordt een nieuwe vorm van financiële steun ingevoerd die voor de hele EU hetzelfde is.
Het kabinet werkt aan een nieuwe wet, de ‘Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen’. Via deze nieuwe wet kan de overheid contracten afsluiten met marktpartijen die via grote opwekinstallaties zonne- en windenergie gaan leveren.
In de nieuwe wet wordt dus geen subsidie meer verstrekt, maar worden contracten afgesloten tegen een vaste energieprijs. Dit kunnen ook contracten zijn met een boven- en ondergrens in energieprijs. Bij een marktprijs onder de afgesproken ondergrens betaalt de overheid het verschil bij, terwijl in de omgekeerde situatie het bedrijf het verschil aan de overheid betaalt.
Het wetsvoorstel heeft betrekking op het opwekken van stroom via zonne- en windenergie. Het biedt wel de mogelijkheid dat ook kernenergie en andere technieken voor duurzame energieproductie en/of CO2-reductie voor de financiële steun in aanmerking komen, maar hiervoor bestaan nu nog geen concrete plannen.
Via een internetconsultatie stelt de overheid geïnteresseerden in de gelegenheid te reageren op het wetsvoorstel. Reageren kan via tot en met 14 november 2025.

Er komt vanaf 2027 een nieuwe andere vorm van financiële steun voor het opwekken van energie via zon en wind. De bestaande subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) wordt per 2027 aangepast.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE