In het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland zijn afspraken opgenomen over in welk land welk inkomen belast mag worden. Zo is de afspraak dat als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever in Nederland werkt, Nederland belasting mag heffen over het loon. Dezelfde afspraak geldt voor een inwoner van Nederland die in Duitsland werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever, in dat geval mag Duitsland belasting heffen.
Als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever werkzaamheden verricht in Duitsland, verschuift het heffingsrecht over het met die werkzaamheden verdiende loon naar Duitsland. Duitsland mag dan over dat deel van het loon belasting heffen. Verricht de inwoner van Nederland voor een in Duitsland gevestigde werkgever werkzaamheden in Nederland, dan mag Nederland belasting heffen.
Het voorgaande betekent dat de inwoner van Duitsland die ook weleens thuiswerkt (in Duitsland) voor een in Nederland gevestigde werkgever, zowel in Nederland als in Duitsland belasting moet betalen. Dat geldt ook voor de inwoner van Nederland die ook weleens thuiswerkt (in Nederland) voor een in Duitsland gevestigde werkgever.
Dit heeft verschillende nadelen. Zo ontstaat er onzekerheid over het definitieve netto-inkomen omdat een deel van het loon in Nederland en een deel van het loon in Duitsland belast wordt. Bovendien leidt de belastingheffing in twee landen tot extra administratieve lasten en moeten er wellicht extra kosten voor een belastingadviseur gemaakt worden.
Om deze nadelen (deels) te voorkomen, wordt het belastingverdrag gewijzigd. Opgenomen wordt dat een inwoner van Duitsland die werkt voor een in Nederland gevestigde werkgever in een kalenderjaar maximaal 34 dagen thuis kan werken, waarbij het heffingsrecht volledig in Nederland blijft. Een inwoner van Nederland die werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever kan, met behoud van het volledige heffingsrecht in Duitsland, per kalenderjaar ook maximaal 34 dagen thuis werken.
Let op! Nederland en Duitsland spraken ook af dat sprake is van een thuiswerkdag als meer dan 30 minuten per dag thuisgewerkt wordt..
De wijziging is nog niet in werking getreden. Deze moet namelijk eerst nog worden voorgelegd aan de Raad van State en worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer. Ook het Duitse parlement moet de wijziging nog goedkeuren.
Let op! Werkt de inwoner van Duitsland of de inwoner van Nederland per kalenderjaar meer dan 34 dagen thuis, dan hebben zij geen profijt van de wijziging. Nederland en Duitsland ondertekenden wel een intentieverklaring om op termijn te overleggen over een thuiswerkregeling met meer dan 34 thuiswerkdagen per kalenderjaar.

Nederland en Duitsland hebben afgesproken om het huidige belastingverdrag te wijzigen. Dit kan gevolgen hebben voor thuiswerkers. Grenswerkers kunnen na de wijziging maximaal 34 dagen thuiswerken, zonder dat zij in beide landen belasting over hun inkomen hoeven te betalen.
LEES VERDER
Als dga bestaat de mogelijkheid om als IB-ondernemer een samenwerkingsverband aan te gaan met de eigen bv. Dit gebeurt dan in de vorm van een vof, cv of maatschap tussen de dga en de bv. De bv brengt in het samenwerkingsverband dan de onderneming in en/of het gebruik/genot van bepaalde activa. De dga brengt zijn arbeid in.
Let op! Zo eenvoudig als hierboven beschreven is het uiteraard niet. Aan een dergelijke samenwerking zitten verschillende haken en ogen. Daarbij moeten naast de fiscale aspecten ook de civiele aspecten, zoals bijvoorbeeld de aansprakelijkheid, niet uit het oog verloren worden.
Het kabinet vindt dit een ongewenste belastingconstructie . De gebruikelijkloonregeling wordt dan namelijk ontweken door alle arbeid buiten de bv te houden. De aandeelhouder maakt daarnaast als IB-ondernemer gebruik van fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB die daar, naar het oordeel van het kabinet, niet voor bedoeld zijn.
Het kabinet bekijkt momenteel daarom hoe ze deze in hun ogen ongewenste belastingconstructie kunnen aanpakken. Daarbij wordt gedacht aan het niet kunnen toepassen van de fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB in dit soort situaties. Het kabinet onderzoekt nog welke ongewenste neveneffecten een dergelijke maatregel kan hebben. De maatregel moet namelijk wel proportioneel zijn en bovendien uitvoerbaar.
Let op! Meer dan de mogelijke aanpak zoals hierboven beschreven is op dit moment nog niet bekend. Houd er echter rekening mee dat het kabinet van plan is om de fiscale voordelen van een dergelijk samenwerkingsverband hoe dan ook aan te pakken.

Als dga kunt u een samenwerkingsverband met de eigen bv aangaan. Voor deze belastingconstructie werkt het kabinet op dit moment een aanpak uit.
LEES VERDER
Niet alle bv’s kunnen zomaar een fiscale eenheid met elkaar vormen. Alleen als voldaan is aan de volgende voorwaarden kan om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting verzocht worden:
Een belangrijk voordeel van een fiscale eenheid is dat u verliezen van bv’s onderling kunt verrekenen, zodat er direct minder belasting wordt betaald. Een belangrijk nadeel is dat er maar één keer geprofiteerd kan worden van het lage Vpb-tarief van 19% tot een winst van € 200.000.
Voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden speelde een zaak waarbij een bv de juridische eigendom van de aandelen van een andere bv bezat, maar twijfel bestond of de bv ook de economische eigendom van de aandelen bezat en dit aan de gewenste fiscale eenheid in de weg zou kunnen staan.
Het Hof stelde vast dat voor de vorming van een fiscale eenheid ook de economische eigendom van de aandelen voor minstens 95% in bezit moet zijn. Het Hof stelde vast dat de bv niet de economische eigendom van de aandelen bezat. Er was namelijk vooraf overeengekomen dat de aandelen in de dochter-bv op een vooraf vastgesteld moment en tegen een vooraf vastgestelde prijs weer zouden worden verkocht. Eventuele wijzigingen van de waarde van de aandelen kwamen dus niet voor rekening van de moedermaatschappij. Hierdoor liep de moedermaatschappij geen economisch risico.
De moedermaatschappij voerde nog aan dat er sprake was van opgewekt vertrouwen, omdat de inspecteur via een beschikking de fiscale eenheid had bekrachtigd. Het Hof ging hier echter niet in mee, omdat de moedermaatschappij zelf had aangegeven wél over de economische eigendom van de aandelen in de dochter-bv te beschikken. Nu dit niet het geval bleek, was de inspecteur niet gebonden aan de op basis van foutieve informatie afgegeven beschikking. De bv’s konden derhalve geen fiscale eenheid aangaan.

Als u meerdere bv’s bezit, kunt u ervoor kiezen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aan te gaan. De winst van alle bv’s in de fiscale eenheid wordt dan bij elkaar geteld en samen belast, ervan uitgaande dat er maar één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting is.
LEES VERDER
De FNV had samen met een schoonmaker die via Helpling diensten aanbood, een procedure aangespannen tegen het online platform Helpling. Helpling was een online platform voor schoonmaakwerkzaamheden. In deze procedure werd de rechter verzocht te bepalen of er sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers.
Mocht de rechter daar niet in meegaan, dan werd verzocht te bepalen of sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Helpling daarentegen, was van mening dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers.
Een schoonmaker kon zich via de website van Helpling aanmelden voor schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaker kon daarbij zelf aangeven tegen welk uurtarief hij wilde werken. Helpling liet vervolgens aan huishoudens die op zoek waren naar een schoonmaker via het platform zien welke schoonmakers beschikbaar waren. Het huishouden deed vervolgens een boekingsverzoek, waarna bij acceptatie hiervan door de schoonmaker de boeking feitelijk tot stand kwam. Helpling verzorgde via een speciale betaaldienst de betalingen aan de schoonmakers en rekende een provisie van minimaal 23% en maximaal 32%.
Er golden voor de huishoudens en voor de schoonmakers verschillende door Helpling opgestelde algemene voorwaarden, waarmee ze akkoord moesten gaan.
Eerder oordeelde het gerechtshof al dat er tussen Helpling en de schoonmakers een uitzendovereenkomst bestond, en er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De huishoudens waren daarbij de inleners. Tegen deze uitspraak stelden zowel Helpling als de FNV beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, omdat ze het niet eens waren met de kwalificatie uitzendovereenkomst.
De Hoge Raad heeft - in afwijking van het advies van de Advocaat Generaal - geoordeeld dat er inderdaad sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Noch uit de wetsgeschiedenis noch uit het stelsel van de wet volgt dat de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Er is voldaan aan de criteria van een uitzendovereenkomst, namelijk dat de huishoudens als inlenende partij het toezicht en de leiding uitoefenden en dat Helpling de formele gezagsrelatie had en de betalingen beheerde. Dit laatste maakt dat er ook geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en de huishoudens.

De Hoge Raad heeft bepaald dat schoonmakers die via het inmiddels failliete online platform Helpling hun diensten aanboden, kwalificeerden als uitzendkracht. Er was geen sprake van een arbeidsovereenkomst.
LEES VERDER
Bij een bloemencorso lopen muziekkorpsen en fanfares en dergelijke mee. De vraag doet zich dan ook voor of toegang tot een bloemencorso kan worden aangemerkt als een muziek- en/of toneeluitvoering. In dat geval kan namelijk voor toegang het lage btw-tarief (9%) worden toegepast.
Wettelijk is bepaald dat voor het verlenen van toegang aan onder andere muziek- en toneeluitvoeringen het lage btw-tarief geldt. Hieronder worden ook opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen verstaan.
De Belastingdienst heeft in een standpunt aangegeven dat het lage btw-tarief van 9% gezien moet worden als uitzondering op de regel en dus strikt moet worden geïnterpreteerd. De begrippen muziek- en toneeluitvoeringen moeten daarom ook strikt worden uitgelegd. Een bloemencorso kan niet als zodanig worden aangemerkt, ook niet als dit gepaard gaat met muziek en beweging, aldus de Belastingdienst. Een rechtbank oordeelde onlangs op vergelijkbare wijze: het bloemencorso die bij de rechtbank verzocht om toepassing van het 9% btw-tarief kan bij een strikte uitleg niet onder de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ of ‘toneeluitvoeringen’ worden begrepen.
Toch kon naar het oordeel van de rechtbank dit bloemencorso het lage btw-tarief toepassen, omdat sprake was van opgewekt vertrouwen door de wetgever. Die had in een Besluit het begrip ‘muziek- of toneeluitvoering’ namelijk ruim geïnterpreteerd door ook het verlenen van toegang tot een ‘show’ die wordt ervaren als cultureel amusement/vermaak daaronder te rangschikken. Het bloemencorso kon zich voor het jaar 2023 hierop met succes beroepen.
Voor de jaren vanaf 2025 zal een beroep op opgewekt vertrouwen echter niet meer slagen. In een Besluit van 23 december 2024 is namelijk voor alle situaties vanaf 2025 opgenomen dat een bloemencorso niet als een muziekuitvoering of toneeluitvoering kan worden aangemerkt.
Een beroep op het opgewekt vertrouwen zal, naar het oordeel van de rechtbank, tot en met het jaar 2024 slagen. Nu het Besluit met ingang van 1 januari 2025 is aangepast, lijkt een beroep op het opgewekt vertrouwen vanaf 2025 niet meer mogelijk.
Let op! Het beroep op het opgewekt vertrouwen is mogelijk naar het oordeel van de rechtbank. De Belastingdienst geeft in het standpunt echter aan zich hier niet in te vinden. Houd er daarom rekening mee dat de Belastingdienst niet akkoord zal gaan met toepassing van het 9% btw-tarief en waarschijnlijk hoger beroep in zal stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Mogelijk dat een gerechtshof in hoger beroep nog tot een ander oordeel komt.

Bij een bloemencorso trekken met bloemen versierde praalwagens door de straten. Is er voor een toegangskaartje van een bloemencorso het 9 of 21% btw-tarief van toepassing?
LEES VERDER
In een recente uitspraak ging het om een logistiek medewerker die op basis van een tijdelijk contract in dienst was getreden van 1 augustus 2023 tot en met 31 oktober 2023. Daarna werd het contract verlengd. Op 9 september 2024 liet de werknemer de werkgever weten dat hij per direct zijn ontslag indiende.
De werknemer had daarna niet meer voor de werkgever gewerkt. Op de eindafrekening had de werkgever een bedrag ingehouden in verband met het feit dat de werknemer zich niet aan de opzegtermijn had gehouden en er dus sprake was van een onregelmatige opzegging. Er resteerde een negatief saldo. Reden waarom de werkgever naar de rechter stapte om de werknemer te laten veroordelen tot betaling van het negatieve saldo.
De werknemer ging hier niet in mee en stelde een tegenvordering in terzake van achterstallig loon, de cao-verhoging, vakantiedagen en reiskosten. Verder gaf de werknemer aan dat er sprake was van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg en geen opzegging. En voor zover er dan toch sprake zou zijn van een opzegging, dan zou de werkgever hebben aangegeven dat hij de werknemer niet aan diens opzegtermijn zou houden.
De kantonrechter deelde die zienswijze niet. De brief van 9 september 2024 was duidelijk. Bovendien had de werkgever de stellingen van de werknemer gemotiveerd weersproken. Om die reden was de kantonrechter van oordeel dat de werknemer de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd.
Dit betekent dat de werknemer aan de werkgever een vergoeding moet betalen gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In dit geval had de werknemer een opzegtermijn van een maand moeten hanteren, wat hij had nagelaten.
Tip! Ga na of de werknemer bij opzegging de correcte opzegtermijn in acht heeft genomen. Dit is uiteraard niet van belang als u akkoord gaat met een eerder vertrek.
Voor wat betreft de tegenvordering van de werknemer wees de kantonrechter de verzochte reiskosten, cao-verhoging en achterstallig loon toe, omdat de werknemer op grond van de afspraken tussen partijen (of in de cao) daarop aanspraak kan maken. Ook het verlofsaldo van acht nog openstaande vakantiedagen wordt door de rechter toegewezen, omdat de werkgever geen deugdelijke verlofregistratie had bijgehouden die het tegendeel bewees.
Tip! Houd een deugdelijke verlofregistratie bij zodat u zo nodig de stelling van de werknemer gemotiveerd kunt betwisten.

Een werknemer ging er in zijn ontslagbrief vanuit dat hij per direct het dienstverband met zijn werkgever kon beëindigen. Hij was er niet op bedacht dat hij op grond van de wet verplicht is een opzegtermijn in acht te nemen.
LEES VERDER
De door het kabinet voorgenomen wijzigingen betreft ten eerste het transparanter maken van te hanteren handelskoerslijsten door deze te baseren op recente handelsgegevens. Hiernaast wordt voorgesteld om onder voorwaarden de inkoopprijs te hanteren voor het berekenen van de bpm. Dit is met name voor unieke voertuigen van belang. Tenslotte wordt voorgelegd om strengere regels te hanteren voor het opstellen van taxatierapporten. Dit om te voorkomen dat via het opgeven van een onrealistisch lage waarde bpm kan worden ontdoken.
De nieuwe regels inzake het bepalen van de verschuldigde bpm zijn om te beginnen van belang voor autohandelaren, hun branches en voor degenen die gebruikte auto’s importeren. Ook taxateurs van auto’s zullen op de nieuwe regels in moeten spelen. Daarnaast zijn ook de kopers van gebruikte auto’s belanghebbend bij de internetconsultatie, aangezien bij latere verkoop van het voertuig de bpm een belangrijke rol speelt.
De internetconsultatie is tot 25 mei 2025 geopend. Er liggen tien vragen voor waarop een reactie kan worden gegeven. Desgewenst kunnen documenten worden toegevoegd.

Als een gebruikte auto voor het eerst in het kentekenregister wordt ingeschreven, moet bpm worden afgedragen. Voor de omvang van de af te dragen bpm is de waardevermindering van de auto bepalend. Het kabinet gaat de regels inzake de bepaling van deze waardevermindering wijzigen en geeft via een internetconsultatie belangstellenden de gelegenheid een inbreng te leveren.
LEES VERDER
Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht om te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, afgekort WPM.
Deze werkgevers moeten bijvoorbeeld het totaal aantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer rapporteren, maar ook het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype. De gegevens over 2024 kunnen vanaf 15 januari 2025 doorgegeven worden en moeten uiterlijk 30 juni 2025 ingestuurd zijn. In 2026 is een rapportage over het hele jaar 2025 verplicht.
Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.
Op 15 april 2025 is in de Tweede Kamer een motie aangenomen over het verminderen van de regeldruk voor het midden- en kleinbedrijf. De Tweede Kamer spreekt in deze motie uit dat de voorkeursoptie van de Ministeriële Stuurgroep Ondernemingsklimaat, Regeldruk en Uitvoerbaarheid zou moeten zijn dat de WPM wordt afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers.
Let op! De aangenomen motie betekent nog niet dat de WPM ook daadwerkelijk al wordt afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers. Bedrijven met 100 of meer werknemers moeten daarom nu gewoon nog aan de rapportageverplichtingen voldoen.

Wordt de verplichte rapportage over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van werknemers afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers? In de Tweede Kamer is een motie aangenomen die daar misschien voor gaat zorgen.
LEES VERDER
De eisen om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen zijn ongewijzigd ten opzichte van 2024. Ook dit jaar kunnen huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum een tegemoetkoming krijgen, als zij minstens 8% van hun inkomen kwijt zijn aan energiekosten. Bij een inkomen tot 200% van het sociaal minimum dient minstens 10% van het inkomen naar energiekosten te gaan.
Nieuw dit jaar is dat de tegemoetkoming via het Noodfonds energie ook beschikbaar is voor huishoudens met een blokaansluiting.
Een aanvraag voor het Noodfonds energie kan online worden ingediend. Hier kan ook eerst worden berekend of u voor de tegemoetkoming in aanmerking komt. Ook als er vorig jaar al een tegemoetkoming is verkregen, moet voor 2025 een nieuwe aanvraag worden ingediend met actuele gegevens.
U kunt hier een aanvraag indienen. Bij de aanvraag is een DigiD nodig van alle volwassenen die deel uitmaken van het huishouden waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd. Heeft nog niet iedereen een DigiD, regel dit dan zo snel mogelijk.
Als uw aanvraag wordt goedgekeurd, ontvangt u de tegemoetkoming via uw energieleverancier. Deze verlaagt dan uw energierekening.
Let op! De uitbetaling bij blokverwarming loopt niet via de energieleverancier, maar wordt rechtstreeks op uw bankrekening gestort.

Huishoudens met een laag inkomen en een relatief hoge energierekening kunnen bij het Noodfonds Energie ook dit jaar weer een tegemoetkoming in de kosten aanvragen. Het online loket is op 22 april geopend.
LEES VERDER
In het Overzicht betalen en ontvangen staan te betalen en te ontvangen bedragen inkomstenbelasting, bijdragen Zorgverzekeringswet en motorrijtuigenbelasting. Voor wat betreft uw toeslagen ziet u hier alleen de terug te betalen bedragen.
In aanvulling op het voorgaande zijn nu dus ook naheffingsaanslagen omzetbelasting in het overzicht terug te vinden.
U krijgt een naheffing omzetbelasting als u niet of te laat aangifte heeft gedaan of als u de omzetbelasting niet, niet helemaal of te laat heeft betaald. U ontvangt de naheffing voorlopig ook nog per post.
U kunt naheffingsaanslagen tot € 50.000 direct via het overzicht betalen met iDEAL. Grotere bedragen kunt u niet via iDEAL betalen, maar u kunt de betaalgegevens wel kopiëren naar bijvoorbeeld uw bankapp.
Ook het aantal mogelijkheden om op het Overzicht betalen en ontvangen in te loggen is uitgebreid. Naast inloggen via DigiD, kunt u nu ook inloggen via European login, eHerkenning, DigiD Machtigen of een nabestaandenmachtiging.
Met een nabestaandenmachtiging kunt u inloggen namens een overleden belastingplichtige. In het overzicht kunt u dan zien welke bedragen de overleden persoon nog moest betalen. Met de machtiging kunt u onder andere na afloop van het jaar ook de aangifte inkomstenbelasting namens de overledene indienen en namens hem of haar bezwaar aantekenen als u het niet met de aanslag eens bent

Het ‘Overzicht betalen en ontvangen’ van de Belastingdienst is uitgebreid met enkele functies. In dit overzicht kunt u zien welke bedragen u nog aan de Belastingdienst moet betalen en welke u nog ontvangt. Ook naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn vanaf nu in te zien en kunnen direct worden betaald.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE