De wettelijke beslistermijn bedraagt acht weken. Dit heeft de wetgever een redelijke termijn gevonden. Als de beslissing niet binnen acht weken kan worden afgegeven, moet het UWV daarover berichten en moet daarbij vermelden wanneer zij de beslissing dan wel kunnen nemen. Het UWV streeft er met ingang van 1 januari 2026 dus naar om mensen binnen zestien weken een beoordeling en duidelijkheid te geven. Dit betekent dat werknemers pas later dwangsommen kunnen gaan verbeuren.
In individuele situaties mag van de beslistermijn worden afgeweken en wel in de volgende gevallen:
De vraag is wel wat de juridische grondslag is voor de voorgenomen generieke verdubbeling. Bij overmacht moet het gaan om “een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen.”
De bestaande tekorten aan verzekeringsartsen zijn niet nieuw en waren voorzienbaar. Deze gang van zaken biedt geen oplossing voor de bestaande problemen bij het UWV waarvan mensen de dupe worden. De vraag is dan ook of deze beslissing dan ook juridisch standhoudt.

Het UWV heeft aangekondigd vanaf januari 2026 ‘tijdelijk’ de beslistermijn voor werknemers die een WIA-uitkering of een herbeoordeling aanvragen te verdubbelen van acht naar zestien weken.
LEES VERDER
De voorlopige aanslag(en) voor 2026 kunt u vanaf eind december terugvinden in uw Berichtenbox in Mijn Belastingdienst. De papieren versie van de aanslag wordt in januari 2026 ook per post bezorgd.
Let op! Betaalt u vóór de dagtekening, dan kunnen de systemen van de Belastingdienst dit mogelijk niet correct verwerken en worden de bedragen teruggestort.
De datum waarop de betaling bij de Belastingdienst binnen moet zijn, is afhankelijk van de wijze van betaling. U kunt ineens betalen, maar ook in termijnen. De uiterste datum van de betaling ineens of in termijnen, staat vermeld op de voorlopige aanslag.
Tip! U kunt ook voor een automatische betaling kiezen, waardoor een betaling bij voldoende saldo op uw rekening nooit te laat wordt gedaan.
De Belastingdienst baseert uw voorlopige aanslag op gegevens uit het verleden, de laatste definitieve aanslag of voorlopige aanslag van het voorgaande jaar. Controleer of de gebruikte gegevens niet te veel afwijken van uw huidige situatie. Is dit wel zo, dan is het verstandig de voorlopige aanslag (online) te wijzigen, zeker als u verwacht bij te moeten betalen.
U kunt uw voorlopige aanslag wijzigen in Mijn Belastingdienst. Als u bent ingelogd kunt u de betreffende gegevens vervangen door de juiste.
Tip! Ontvangt u de voorlopige aanslag 2026, dan kijken wij graag voor u of alles nog klopt.

Veel belastingplichtigen, zo ook ondernemers in de inkomstenbelasting, kunnen al in december 2025 de voorlopige aanslag voor 2026 ontvangen. De Belastingdienst wijst erop dat u deze voorlopige aanslag pas ná de dagtekening moet betalen.
LEES VERDER
Een gemeente kan voor een aantal zaken belasting heffen. Dat geldt onder meer voor parkeren, waarvoor u parkeerbelasting verschuldigd kunt zijn. Betaalt u niet of te weinig, dan kan een naheffingsaanslag worden opgelegd inclusief kosten.
Let op! Deze kosten bedragen dit jaar maximaal € 78,80 en stijgen in 2026 naar € 82.
Rechtbank Den Haag moest de vraag beantwoorden wat de gevolgen zijn als een raming van de kosten achteraf onjuist blijkt en deze raming wordt bijgesteld. In het betreffende geval had een automobilist een naheffing parkeerbelasting gehad met een bedrag van € 51,09 aan kosten. Omdat een gemeente niet meer kosten in rekening mag brengen dan men zelf voor het handhaven van de parkeerbelasting maakt, stond de vraag centraal of de kostenraming wel klopte.
Duidelijk werd dat de raming enkele fouten bevatte. In totaal was er in de raming voor een bedrag van ruim € 37.000 te veel aan kosten geraamd. Daar stond echter tegenover dat in de raming per ongeluk een veel groter bedrag aan kosten niet was opgenomen, onder andere het lidmaatschap van de gemeente van de Coöperatie Parkeerservice. Deze coöperatie beheert de parkeerautomaten en rijdt met scanauto’s rond. Deze kosten hadden ook meegenomen moeten worden, aldus de gemeente.
De rechtbank kwam op grond van rechtspraak uit het verleden tot de conclusie dat het is toegestaan om tijdens een procedure een kostenraming te herzien. Het gaat er immers slechts om dat niet meer kosten in rekening worden gebracht dan de kosten die de gemeente zou hebben geraamd, uitgaande van de juiste cijfers. Daarbij rust op de gemeente de bewijslast.
Nu dit in deze zaak uit de cijfers bleek, werd de gemeente in het gelijkgesteld en bleef de naheffing parkeerbelasting in stand.

Als u een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt, betaalt u ook voor de hiermee verband houdende kosten. De omvang van deze kosten wordt door de gemeente zo goed mogelijk geraamd. Mag een dergelijke raming achteraf ook worden bijgesteld?
LEES VERDER
Nieuwe werknemers krijgen dus vanaf 2028 allemaal dezelfde premie, ongeacht leeftijd. Ook krijgen zij allemaal eenzelfde partnerpensioen, zijnde een vast percentage van het salaris. Dat deze premie afwijkt van een vergelijkbare werknemer qua leeftijd die al werkzaam is, mag op grond van objectieve discriminatie. Iemand is immers in dienst per 2028 of nog niet. Dat laat onverlet dat het ‘scheve ogen’ kan geven, zeker als een nieuwe werknemer meer premie krijgt als een zittende werknemer die al jaren voor het bedrijf werkt. Dat geldt ook voor een oudere werknemer die minder krijgt dan een zittende werknemer van vergelijkbare leeftijd, ook al is deze al lang(er) werkzaam.
Let op! Uitgezonderd zijn werknemers die gebruikmaken van het overgangsregime. Dat zijn werknemers die nu een stijgende beschikbare premiestaffel hebben en per ultimo 2027 in dienst zijn. Zij mogen dan de maximale premie van 30% zelfs overschrijden.
De eerste vraag is dan wat een ‘goede premie’ is. Dat hangt in ieder geval af van de eigen bijdrage van een werknemer. Als de werkgever 15% betaalt zonder eigen bijdrage, dan is dat immers ‘beter’ dan 18% met een eigen bijdrage van 1/3, zijnde 6%.
Bij pensioenfondsen ligt de gemiddelde premie vaak rond de 25%, dat is dan wel inclusief premie voor het partnerpensioen, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en kosten. In de vrije markt ligt de gemiddelde premie rond de 18 tot 20%, waarbij de kosten voor risicopremies daar nog bovenop komen voor de werkgever. In adviesbranches zoals consultants, IT en accountantskantoren ligt de premie vaak ‘nog’ lager, rond de 10 tot 12%. Dat is dus relatief laag. Immers, bij een premie van 15% moet netto 4% rendement worden gehaald om ongeveer op een middelloonpensioen uit te komen. Daar zit dan eigenlijk nog geen inflatiecorrectie in. Uiteraard is de hoogte van de pensioenpremie een keus en vaak ook een ‘ruil’ tussen salaris of pensioen. Maar een premie van minimaal 15 tot 18%, met een eigen bijdrage van 1/3, is wel het minimale wat nodig is voor een redelijk pensioen, zeker ook om concurrerend te zijn als werkgever.
Formeel hebben zij geen recht daarop, maar het kan een optie zijn. Zeker als in de bestaande regeling geen, maar in de nieuwe regeling wel een eigen bijdrage zit, kan het zowel voor werknemer als werkgever toch een aantrekkelijk optie zijn om ‘meer’ pensioen op te bouwen.
Dat het verschil in pensioenpremie – pensioen wordt niet voor niets ook wel uitgesteld salaris genoemd – vroeg of laat discussie op de werkvloer gaat geven, mag duidelijk zijn. De juridische onderbouwing om dat toch toe te staan is prima, maar zal niet altijd acceptabel zijn. Zeker als er daarna weer fusies of overnames volgen, met nog meer verschil in pensioenpremie, zal dat betekenen dat er op termijn toch (weer) geharmoniseerd moet worden.

Alle pensioenregelingen moeten per 2028 voldoen aan de Wet toekomst pensioenen. Dat betekent dat alle werknemers, jong/oud, fulltime/parttime, een gelijke premie (flatrate) moeten krijgen.
LEES VERDER
In deze procedure draaide het met name om de vraag of het verkopen van de plastic draagtassen voor de btw als een zelfstandige prestatie moest worden aangemerkt. Uitgangspunt voor de btw is bij levering van verschillende prestaties op iedere prestatie het behorende btw-tarief moet worden toegepast. Alleen in bepaalde situaties kan hiervan worden afgeweken.
Afwijken is aan de orde als meerdere prestaties zo nauw met elkaar verbonden zijn dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Afwijken is ook mogelijk als er bij verschillende prestaties sprake is van één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Een bijkomende prestatie is geen doel op zich, maar een middel om van de hoofdprestatie optimaal gebruik te kunnen maken. Alleen in deze situaties volgt het bijkomende product het btw-tarief van de hoofdprestatie.
De rechtbank en het gerechtshof Amsterdam komen tot de conclusie dat de draagtasjes als zelfstandige prestatie aangemerkt moeten worden. Ze zijn niet bijkomend, maar juist een doel op zich voor de consument die in de supermarkt geen boodschappentas bij zich heeft. De consument heeft dan ook de keuze al dan niet een draagtas aan te schaffen en moet hier ook apart voor betalen.
Een draagtasje kan ook niet als verpakkingsmateriaal worden betiteld en volgt dus niet het btw-tarief van de hoofdprestatie, aldus de rechters. Het is immers geen onderdeel van een product, maar ze zijn bij aankoop juist leeg. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat op de prestatie ‘draagtas’ het hoge btw-tarief van 21% moet worden toegepast.
De Hoge Raad is het hiermee eens en laat de uitspraak van het Hof Amsterdam dan ook in stand.

Consumenten kunnen in een winkel vaak voor een gering bedrag een plastic draagtas aanschaffen. Een eigenaar van supermarkten procedeerde tot aan de Hoge Raad om te achterhalen of op deze tasjes terecht het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is.
LEES VERDER
Oproepkrachten kunnen zelf een beroep doen op het rechtsvermoeden voor wat betreft de omvang van de arbeid. Ze kunnen daarbij verwijzen naar het gemiddeld aantal gewerkte uren over een periode van drie maanden. Die maanden kunnen ook in het verleden liggen. Daarnaast heeft een werkgever de verplichting om een oproepkracht na twaalf maanden in de dertiende maand een aanbod te doen voor een vaste urenomvang, gebaseerd op het aantal gemiddeld gewerkte uren in de afgelopen twaalf maanden, het zogeheten ‘vastklikmoment’. Vergeet de werkgever om dat aanbod te doen, dan heeft de oproepkracht recht op loon voor de uren waarvoor het aanbod had moeten zijn gedaan. Ook als hij daar niet voor heeft gewerkt.
Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Wat is de situatie als de oproepkracht steeds het jaarlijkse urenaanbod heeft geweigerd. Kan hij dan nog wel een beroep doen op het genoemde rechtsvermoeden? Deze vraag stond centraal in een recent arrest van de Hoge Raad.
Het ging om een payrollbedrijf voor taxichauffeurs. De taxichauffeurs worden te werk gesteld bij taxibedrijven. De werkgever richt zich onder meer op straat-taxiwerk in het uitgaansvervoer en op leerlingenvervoer. De werkgever had aan een oproepkracht twee keer een aanbod gedaan voor een vaste urenomvang. Eerst voor 44,69 uur en later voor 26,20 uur. Beide keren had de oproepkracht het aanbod afgewezen en was hij in dienst gebleven op basis van een nulurencontract.
Per 1 mei 2022 kwamen hij en zijn werkgever een arbeidsurenomvang van 30 uur per week overeen. De werknemer, inmiddels niet meer werkzaam als oproepkracht, deed echter een beroep op het rechtsvermoeden over een periode gelegen in het verleden en waarover hij al een aanbod voor een vaste urenomvang van zijn werkgever had ontvangen. Hij verzocht de werkgever per brief d.d. 30 april 2021 om hem met terugwerkende kracht vanaf 16 maart 2020 tot 1 juli 2021 uit te betalen op basis van 42,5 uur per maand.
De werkgever ging daarin niet mee en stapte naar de rechter. De kantonrechter wees het verzoek toe voor de periode vanaf 30 april 2021, de datum waarop hij een beroep op het rechtsvermoeden deed. Over de daaraan voorafgaande periode wees de kantonrechter de vordering af. Het gerechtshof heeft vervolgens het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De werkgever hoefde de werknemer dus geen loon uit te keren op basis van 42,5 uur voor de periode vóór 30 april 2021, maar wel voor de periode tot 1 juli 2021. De zaak werd vervolgens voorgelegd aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het ‘bewijsvermoeden’ naast het ‘urenaanbod’ bestaat. Een oproepkracht kan dus een beroep doen op het rechtsvermoeden, ook als hij herhaaldelijk het urenaanbod heeft afgewezen. Het afwijzen van een urenaanbod blokkeert dus geen loonclaim. Een werknemer kan met terugwerkende kracht een beroep doen op het rechtsvermoeden voor wat betreft de omvang van de arbeidsovereenkomst, zelfs over een periode waarover hij het aanbod van een vaste urenomvang heeft afgewezen.
Let op! Een werknemer kan een beroep van een werknemer op het rechtsvermoeden ontkrachten door aan te voeren dat dit geen representatieve periode betreft. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat meer is gewerkt dan over een langere periode gebruikelijk was.
Tip! Het is van belang om steeds een urenaanbod te blijven doen en schriftelijk vast te leggen dat de oproepkracht dat naast zich neer heeft gelegd. Het is ook mogelijk het beroep op het ‘rechtsvermoeden’ te weerleggen door aan te geven dat de inzet in de afgelopen drie maanden incidenteel was en verband hield met piekdrukte, vervanging wegens ziekte, et cetera.

Als een oproepkracht steeds een aanbod weigert voor een vaste urenomvang, bestaat er dan toch nog recht op de uren die moesten zijn geboden op het zogenaamde ‘vastklikmoment’? Een casus.
LEES VERDER
Het kabinet vindt het ongewenst om de zachte landing zoals die in 2025 geldt, volledig te verlengen. Na nieuwe aangenomen moties in de Tweede Kamer kiest het kabinet echter wel voor een gedeeltelijke verlenging.
De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.
Let op! Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan opstarten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid heeft de Belastingdienst in 2025 al en zal ook in 2026 mogelijk zijn.
De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd kunnen worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. Dit geldt zowel voor werkenden als voor werkgevers.
De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.
Let op! De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.
De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.
Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.

De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Nadat het kabinet eerdere aangenomen moties hierover niet wilde uitvoeren, is het kabinet op 19 december 2025 toch deels overstag gegaan.
LEES VERDER
De youngtimerregeling betekent in 2025 nog dat een auto van de zaak die vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, een bijtelling kent van 35% van de waarde in het economische verkeer. Is de auto jonger, maar wel vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
De Tweede en Eerste Kamer hebben een wetsvoorstel aangenomen waarmee de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in 2026 naar zestien jaar en vanaf 2027 naar 25 jaar gaat.
Deze nieuwe leeftijdsgrens betekent dat een auto die in 2025 vijftien jaar oud wordt, in een deel van 2026 (namelijk voor de maanden tot de auto zestien jaar oud is) weer te maken krijgt met een bijtelling van 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Dit vindt het kabinet ongewenst. Daarom is op het laatste moment nog een overgangsregeling aangekondigd. Deze overgangsregeling moet nog in een besluit worden opgenomen, maar aangekondigd is dat deze als volgt vorm wordt gegeven:
Let op! Er komt in 2026 een keuzemogelijkheid. Als het gunstiger is om in plaats van 35% van de waarde in het economische verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kunt u daarvoor kiezen. Deze keuze is waarschijnlijk alleen mogelijk zolang de auto nog geen zestien jaar oud is.
Stel dat u een auto van de zaak heeft die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto volgens de huidige youngtimerregeling die tot 1 januari 2026 geldt, geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.
Als de oorspronkelijke cataloguswaarde €50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).
Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar volgens de nieuwe regeling zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 € 1.041,67 gaan bedragen.
Door de overgangsregeling mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economische verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kunt u op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).
Vanaf januari 2027 bedraagt door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar uw maandelijkse bijtelling wel € 1.041,67 tot uw auto de leeftijd van 25 jaar bereikt.

Vanaf 1 januari 2026 én 1 januari 2027 wijzigen de spelregels van de youngtimerregeling. Het kabinet heeft op het laatste moment besloten om in het jaar 2026 een overgangsregeling te introduceren.
LEES VERDER
De Werkhervattingskas (Whk) is een werknemersverzekering waarvoor u als werkgever premies moet afdragen. Alle middelgrote en grote werkgevers ontvangen tegen het einde van 2025 de beschikking gedifferentieerde premie Whk 2026. De hoogte van uw premie hangt af van de instroom van uw werknemers in de ZW en WGA.
Het is verstandig om de beschikking goed te controleren. Als er fouten in staan kan dat leiden tot een te hoge of een te lage premie. Bij fouten kunt u onder meer denken aan verkeerde loonsommen en ten onrechte aan u toegerekende of onjuiste uitkeringslasten.
Tip! Controleer ook altijd goed of een overname van een onderneming goed is verwerkt.
Voor het controleren van uitkeringslasten op de beschikking kunt u instroomlijsten bij de Belastingdienst opvragen. De Belastingdienst stuurt de lijsten meestal binnen 1 week, maar uiterlijk binnen 6 weken na uw aanvraag.
Tip! Uiteraard kunnen wij u van dienst zijn bij het opvragen van de instroomlijsten en het controleren van de beschikking Whk. Daar is wel een machtiging voor nodig. Neem voor meer informatie hierover contact met ons op.
Maak op tijd bezwaar als de beschikking Whk niet klopt. Op tijd wil zeggen binnen zes weken na dagtekening (waarschijnlijk 14 december 2025) van de beschikking. Heeft u de instroomlijsten nog niet ontvangen of is om andere redenen de termijn van zes weken te kort, dien dan een pro-forma bezwaar in. Dat is een nog niet nader gemotiveerd bezwaar. Na ontvangst van de instroomlijsten, krijgt u van de Belastingdienst tot en met 30 april 2026 om uw bezwaar nader te motiveren.
Let op! Motiveer in ieder geval vóór 1 mei 2026 het pro-forma bezwaar. Doet u dat later, dan verklaart de Belastingdienst uw bezwaar ongegrond. De Belastingdienst heeft overigens aangekondigd om medio april 2026 nog een herinnering te sturen.
In sommige gevallen kan de Belastingdienst het premiepercentage nog niet vaststellen. U ontvangt dan een adviesbrief waarin een voorlopig percentage vermeld staat. Op een later moment (na 1 januari 2026) ontvangt u dan het definitieve percentage. Wijkt dit af van het voorlopige percentage, dan kunt de Belastingdienst verzoeken om een teruggaaf (bij een hoger voorlopig percentage) of een naheffing (bij een lager voorlopig percentage).
Tip! Voor de jaren 2020 tot en met 2025 kunt u dat doen via het volgende formulier.
Voor kleine werkgevers is de premie afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn. Zij ontvangen daarom geen beschikking Whk, maar alleen een mededeling van de premie van de Belastingdienst. Deze mededelingen bevatten vaste percentages waar u niet tegen in bezwaar kunt komen.
Let op! De sectorale premies zijn al bekend en vindt u hier.
Op de website van het UWV is een rekenhulp opgenomen waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2026 kunt berekenen.

De beschikkingen Werkhervattingskas (Whk) worden (binnenkort) weer verzonden. Controleer de beschikking Whk 2026 goed. Daarmee voorkomt u dat u te veel of te weinig premies afdraagt.
LEES VERDER
Als een werknemer meer dan twee jaar ziek is, kunt u bij het UWV ontslag aanvragen voor de werknemer. Deze werknemer heeft dan recht op een transitievergoeding van 1/3 bruto-all-in maandsalaris per dienstjaar. Voor deze transitievergoeding kunt u compensatie vragen bij het UWV via de Regeling compensatie transitievergoeding.
Het kabinet heeft een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd om per 1 juli 2026 alleen nog maar de uitbetaalde transitievergoeding bij kleine werkgevers te compenseren. Dit levert een structurele besparing op van ongeveer € 380 miljoen. Het kabinet vindt dat de beperking moet kunnen, omdat, volgens het kabinet, van middelgrote en grote werkgevers verwacht kan worden dat ze financieel draagkrachtig genoeg zijn om de transitievergoeding zelf te dragen.
Een kleine werkgever is volgens het wetsvoorstel een werkgever met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Daarbij wordt gekeken naar het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder. Dit gebeurt nu ook al voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds. In 2026 is een werkgever klein voor deze premie als het totale premieplichtige loon over 2024 niet hoger was dan € 1.082.500.
De Raad van State heeft zich in augustus 2025 kritisch uitgelaten over dit wetsvoorstel. Gevreesd wordt weer voor nieuwe slapende dienstverbanden bij (middel-)grote werkgevers. Ook vraagt de Raad van State zich af of het nog wel noodzakelijk is om een transitievergoeding uit te keren aan langdurig zieke werknemers.

Voor een transitievergoeding bij ontslag van een werknemer die meer dan twee jaar ziek is, kan een werkgever compensatie vragen. De werkgever moet het bedrag van de transitievergoeding wel voorschieten, maar kan het daarna terugvragen bij het UWV. Hier komt mogelijk verandering in.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE