ACTUEEL

Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.
Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.

Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.

Kwalificerende werkruimte

Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet je werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.

Zelfstandigheidscriterium

Je werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te onderscheiden is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Het komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.

Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.

Inkomenscriterium

Je werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als jij je inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit jouw enige werkruimte, dan moet jij je inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heb je nog een andere werkruimte buiten je woning, dan moet jij je inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.

Ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.

De werkruimte moet bij (nagenoeg) volledig zakelijk gebruik en kan in beginsel bij gemengd gebruik worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning.

Indien de werkruimte niet juridisch of bouwkundig splitsbaar is,  kun je ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen of kun je het pand splitsen in overeenstemming met het gebruik in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen (de werkruimte). In dit laatste geval zal de werkruimte over het algemeen niet voldoen aan het zelfstandigheidscriterium dat nodig is voor een kwalificerende werkruimte.

 De fiscale behandeling van je werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.

Let op! Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kun je de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als je aannemelijk kan maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.

Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als je deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.

Woning is privévermogen

De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet van je winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.

Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als je zelf btw-belaste prestaties verricht.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag je van je winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat je ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van je werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2026 vastgesteld op 6%.

Daarnaast mag je ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.

Woning is ondernemingsvermogen

Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kun je de kosten aftrekken van je winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van je winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.

Indien je de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen hebt geëtiketteerd, kun je alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van je winst. Voor het privégebruik van uw woning moet je wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.

Voor de meeste woningen is dit in 2026 1,10%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet je daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet je uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.

Werkruimte in huurwoning

Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.

Het is niet mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte, ook niet als je het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.

Ondernemers met een bv

Onderneem je vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.

Kwalificerende werkruimte

De werkruimte valt voor jou, als dga, in box 1 (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag je nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat je voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van je werkzaamheid in box 1. Je hebt ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,56% (2026).

Niet-kwalificerende werkruimte

Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Je bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt je bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.

Btw en ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kun je deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. Je kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.

Btw en ondernemers met een bv

Indien je, als dga, de werkruimte aan je bv verhuurt, moet dat een btw-belaste verhuur zijn om tot aftrek van de btw te komen. 

De Belastingdienst is echter vaak van oordeel dat er met de verhuur van een onzelfstandige werkruimte niet wordt deelgenomen aan de markt voor verhuur van bedrijfsruimte. De verhuur zou dan geen economische activiteit zijn en daarmee buiten de btw-sfeer vallen. Als er wel sprake is van een economische activiteit, is de Belastingdienst vaak van oordeel dat sprake is van verhuur van woonruimte als er ook privé van de werkruimte gebruik gemaakt kan worden. De verhuur van woonruimte is btw vrijgesteld en zorgt daarmee ook ervoor dat de voorbelasting niet aftrekbaar is.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:3538) oordeelde in een casus dat btw-belaste verhuur wel mogelijk voor een onzelfstandig deel van een woning in een situatie waarin het privégebruik van dat deel ondergeschikt was aan het zakelijke gebruik. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. Het wachten is op het oordeel van de Hoge Raad.

Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of je in een soortgelijke situatie mogelijk recht op aftrek van de btw kunt hebben.

Tot slot

De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor je eigen situatie daarom contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 
advieswijzer
3/7/2026
Woning

Advieswijzer Kantoor aan huis

Het lijkt aantrekkelijk: wonen en werken in één pand. Maar een kantoor aan huis is lang niet altijd ook fiscaal aantrekkelijk. Wanneer is je werkplek ook voor de Belastingdienst een werkruimte? Waar moeten jij, je bedrijf en je werkruimte dan aan voldoen?

LEES VERDER

Fiets van de zaak

Voor een fiets die je aan een werknemer ter beschikking stelt moet je een bijtelling toepassen van 7%, als de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs van de fiets.

Meerdere fietsen

De vraag is gesteld of het bijtellingspercentage 7% blijft als je niet een maar meerdere fietsen aan je werknemer ter beschikking stelt. Uit de wijze waarop de bijtelling in de wet is opgenomen zou opgemaakt kunnen worden dat het bijtellingspercentage ook voor elke tweede of volgende fiets 7% is. Lease-a-Bike vermeldt op hun website dat de Belastingdienst dit aan hen heeft bevestigd.

Aanwijzen in vrije ruimte?

Over de bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.

Als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets, kun je de fiets ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het ter beschikking stellen van een fiets zal door de Belastingdienst waarschijnlijk wel als gebruikelijk worden aangemerkt, mits het een gebruikelijk exemplaar is. Het is echter de vraag of de Belastingdienst ook een tweede of volgende fiets als gebruikelijk aanmerkt.

Let op! Je kunt uiteraard altijd gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge in de gebruikelijkheidstoets. Als de bijtelling tezamen met andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in een jaar, maximaal € 2.400 per werknemer per jaar bedraagt, neemt de Belastingdienst aan dat dit gebruikelijk is.

 
nieuws
2/7/2026
Fiets

Bijtelling ook 7% bij meerdere fietsen van de zaak?

Als werkgever kun je een of meer fiets(en) van de zaak aan je werknemer ter beschikking stellen. De bijtelling bedraagt 7% per fiets. Geldt dit ook voor de tweede of volgende fiets die je ter beschikking stelt?

LEES VERDER

Europese Dienstenrichtlijn

De Europese Dienstenrichtlijn (hierna: Dienstenrichtlijn) is bedoeld om te zorgen voor eerlijke concurrentie en minder bureaucratie. Dienstverleners moeten overal met zo min mogelijk belemmeringen hun diensten kunnen aanbieden. In een ander Europees land, maar ook in een andere gemeente of provincie in Nederland. De Dienstenrichtlijn moet dit bevorderen.

Verhuurvergunning

In een rechtszaak voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een legesaanslag voor een verhuurvergunning tot een te hoog bedrag was opgelegd. Een eigenaresse met een woning in Leiden wilde deze verhuren en had hiervoor een verhuurvergunning aangevraagd. Die werd verstrekt, maar de aanslagleges bedroeg € 938,50.

Gemeentelijke vrijheid

Als je een woning wilt verhuren, mogen gemeentes zelf bepalen of hiervoor een verhuurvergunning vereist is. Zo ja, dan mag een gemeente voor het in behandeling nemen en afgeven van een dergelijke vergunning leges in rekening brengen.

Dienstenrichtlijn van toepassing?

In bovenvermelde zaak stelde de eigenaresse van de woning dat de opgelegde aanslag leges in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank moest daarom eerst beoordelen of Dienstenrichtlijn wel van toepassing was op de aanslag leges. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was en dat de eigenaresse een rechtstreeks beroep hierop kon doen.

In de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat de kosten van een vergunning redelijk en evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedure en de kosten van de aanvraagprocedure niet mogen overschrijden. De rechtbank onderzocht daarom of het bedrag aan leges van € 938,50 niet in strijd hiermee was opgelegd. 

Let op! Dat het een hoog bedrag was, bleek alleen al uit het feit dat voor een verhuurvergunning in Rotterdam een bedrag van € 335 aan leges werd geheven en in Den Haag slechts € 271. 

Strijd met Dienstenrichtlijn

De rechtbank kwam tot het oordeel dat de leges van € 938,50 in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De door de gemeente aangegeven gemiddelde behandelduur van 10 arbeidsuren per afgegeven verhuurvergunning, waarop de € 938,50 gebaseerd was, bleken namelijk veel te hoog.

Ten eerste omdat de beoordeling van het aanvraagformulier naar het oordeel van de rechtbank veel minder tijd kostte. Ten tweede omdat gezien het aantal afgegeven vergunningen de betrokken ambtenaren nooit 10 uren per vergunning bezig konden zijn geweest.

Daarnaast was het legesbedrag voor elke vergunningsaanvraag € 938,50 en werd geen verschil gemaakt tussen een vergunning van één of van meerdere woningen. Volgens de rechtbank is het rekenen met dergelijke vaste bedragen toegestaan, mits deze zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten en weinig verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval. Dat was in deze situatie echter niet het geval.

Vernietiging aanslag

De hoogte van de leges van € 938,50 was in het geval van de eigenaresse van de woning daarom in strijd met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank kon niet vaststellen welk bedrag aan leges wel in overeenstemming zou zijn met de Dienstenrichtlijn en vernietigde daarom de legesaanslag in het geheel

Let op! Deze uitspraak betekent niet dat elke aanslag leges in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Een en ander is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden en onder meer de onderbouwing van de aanslag leges door de gemeente. Houd er verder rekening mee dat de gemeente mogelijk hoger beroep instelt tegen de uitspraak.

 
nieuws
2/7/2026
EU

Europese Dienstenrichtlijn kan leges in de weg staan

Gemeenten die diensten verrichten, zoals het verlenen van een vergunning, mogen hiervoor kosten in rekening brengen in de vorm van leges. Als op dergelijke diensten de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is, kan strijd met deze richtlijn betekenen dat een legesaanslag wordt vernietigd.

LEES VERDER

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan. 

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort. 

Opties wijzigingen wetsvoorstel 

Het leek erop dat er in de Eerste Kamer geen meerderheid zou komen voor het wetsvoorstel. De Minister van Financiën liet eind februari 2026 al weten dat hij het wetsvoorstel daarom wilde aanpassen. In een Kamerbrief van 19 juni 2026 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens laten weten de volgende opties te overwegen voor wijziging van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3: 

  • de mogelijkheid om één jaar achterwaartse verlies te verrekenen, 
  • de mogelijkheid om de vermogenswinst op onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups door te schuiven bij huwen en scheiden, 
  • introductie van een heffingskorting op inkomen uit groen beleggen, 
  • het verlagen van het box 3-tarief van 36% naar 35%, 
  • het verhogen van het heffingsvrije resultaat van € 1.800 naar € 1.900, 
  • het aanpassen van de vermogenswinstbelasting die zou gaan gelden voor startende ondernemingen, naar een vermogenswinstbelasting voor gedefinieerde startups en scale-ups, 
  • uitbreiden van de huidige vrijstelling voor NSW-landgoederen door de uitzondering voor gebouwde eigendommen te laten vervallen of het introduceren van een doorschuifregeling voor de vermogenswinst op NSW-landgoederen bij erven en schenken, 
  • herinvoering van de partiële buitenlandse belastingplicht, waardoor buitenlandse werknemers onder voorwaarden gedurende de eerste jaren in Nederland geen belasting betalen over hun (buitenlandse) box 2 en box 3-inkomen, 
  • introductie van een box 3-vrijstelling voor leningen van particulieren aan MKB-ondernemingen (de win-winlening). 

Let op! In augustus 2026 beslist het kabinet over deze opties. Een en ander zal mede afhangen van de budgettaire dekking en voorstellen op andere wetsvoorstellen/wetten waarover nog beslist moet worden. Op Prinsjesdag 2026 zal in een novelle op het wetsvoorstel een en ander bekend gemaakt worden. 

Uitstel stemming in Eerste Kamer 

De novelle wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze moet de novelle daarna nog behandelen en daarover stemmen. 

De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 daarom uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten. 

Nog geen volledige vermogenswinstbelasting 

Vooralsnog lijkt het erop dat het kabinet er nog niet voor kiest om per 2028 al een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen te introduceren. Het plan daarvoor blijft wel bestaan, maar het kabinet heeft aangegeven meer tijd daarvoor nodig te hebben. 

Moties Eerste Kamer

Tijdens het debat op 30 juni 2026 in de Eerste Kamer zijn nog wel de volgende moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om:

  • het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in te trekken en te vervangen door een wetsvoorstel volledig gebaseerd op de vermogenswinstbelasting,
  • een rapport met de verwachte langetermijnopbrengsten uit de vermogenswinstbelasting op box 3-vastgoed met een onderzoek naar de mogelijkheden om de step-up op 1 januari 2028 te corrigeren voor inflatie en andere faire aanpassingen,
  • over te gaan tot een eenmalige verlaging van de box 2-belasting met 5% om zo de tijdelijke budgettaire tekorten in box 3 te dekken.

Let op! De Eerste Kamer stemt op dinsdag 7 juli 2026 over deze moties, die overigens allemaal door de staatssecretaris ontraden worden.

nieuws
1/7/2026
Binnenhof

Wet werkelijk rendement box 3 (voorlopig) nog niet aangenomen

De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 uitgesteld in afwachting van de wijzigingen die hierop nog gaan plaatsvinden. De novelle hiervoor wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden.

LEES VERDER

Subsidieregeling Praktijkleren 

De subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijkleerplaatsen aan te bieden. Je ontvangt een tegemoetkoming voor de kosten die je als werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook kun je een tegemoetkoming krijgen voor de loon- en begeleidingskosten voor een promovendus of een technologisch ontwerper in opleiding (toio). 
De subsidieregeling richt zich vooral op: 

  • kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voor wie toegang tot de arbeidsmarkt een probleem is; 
  • studenten die een opleiding volgen in sectoren waar een tekort ontstaat aan gekwalificeerd personeel; 
  • wetenschappelijk personeel dat onmisbaar is voor de Nederlandse kenniseconomie. 

Let op! De Subsidieregeling Praktijkleren loopt vooralsnog door tot en met1 januari 2029.. Je kunt dus tot en met het studiejaar 2027-2028 nog gebruikmaken van de subsidie. 

Voor welke leerlingen kun je subsidie aanvragen? 

Je komt niet voor elke leerling die bij je werkt voor subsidie in aanmerking. De regeling geldt voor de volgende doelgroepen: 

  • Leerlingen die een leer-werktraject of entreeopleiding volgen in het vmbo, gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van een basisberoepsopleiding. Het 3e en 4e leerjaar van deze opleiding komt in aanmerking voor de subsidie onder voorwaarde dat elke week sprake is van binnenschools onderwijs 
  • Leerlingen die een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg) in het mbo volgen. 
  • Studenten die een duale of deeltijd hbo-opleiding Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving volgen, gericht op een volledig diploma. Het gaat hierbij om opleidingen die een praktijkdeel als verplicht onderdeel kennen. Voor andere hbo-opleidingen bestaat geen recht op de subsidie.  
  • Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s) die zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben bij een universiteit of een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) of in dienst zijn bij een werkgever maar begeleid worden door de universiteit, NWO of KNAW. 
  • Leerlingen in het laatste schooljaar van het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) die onderwijs volgen in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of in een leer-werktraject of entreeopleiding binnen het uitstroomprofiel ‘vervolgonderwijs’. 
  • Leerlingen die in het laatste jaar van het Praktijkonderwijs (PRO) zitten en een praktijkleerplaats bij de werkgever hebben. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie isvoor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.  

Let op! Voor studenten aan de beroepsopleidende leerweg (bol) aan EVC-trajecten en specifieke maatwerktrajecten (geen mbo bbl-opleidingen) kom je niet in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor afstudeerstages. 

Tip! Sommige buitenlandse opleidingen komen ook in aanmerking voor subsidie als deze vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding voor mbo (bbl) of hbo (duaal/deeltijd in de sectoren Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving). Je dient dan wel in het bezit te zijn van een verklaring dat de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is. Deze verklaring kun je aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). 

Wat is een praktijkleerplaats? 

De subsidie wordt, met uitzondering van promovendi en toio’s, toegekend per gerealiseerde praktijkleerplaats. 

  • Voor het vmbo, mbo-bbl, entreeopleiding vmbo, VSO en PRO wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 augustus tot en met 31 juli daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in aanmerking te komen, dient minimaal 40 weken onderricht in de praktijk in het studiejaar te hebben plaatsgevonden. 
  • Voor het hbo wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 september tot en met 31 augustus daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in het HBO in aanmerking te komen, dient minimaal 42 weken begeleiding in de praktijk te hebben plaatsgevonden in het studiejaar.  

Let op! Elke week waarin begeleiding is gegeven, telt mee. Het maakt hierbij niet uit op hoeveel dagen in die week begeleiding is gegeven. Een week waarin geen begeleiding is gegeven, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie, telt niet mee als gerealiseerde praktijkleerplaats. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato verlaagd.  

Let op! Je kunt ook subsidie aanvragen als je minder dan 40 of 42 weken begeleiding heeft gegeven. De subsidie bedraagt dan echter niet maximaal € 2.800 maar wordt pro rata verminderd. Zo bedraagt de maximale subsidie bij hbo bij 21 weken begeleiding € 1.400 (50% van € 2.800).  

De hoogte van de subsidie voor een promovendus is afhankelijk van het aantal maanden (maximaal 12) maal de arbeidsduur per week (maximaal 36) waarin de werkgever de loonkosten betaalt. Verricht een promovendus bijvoorbeeld 6 maanden onderzoek gedurende 18 uur per week, dan bedraagt de maximale subsidie € 700 (6/12 * 18/36 * € 2.800). Voor de toio is de hoogte van de subsidie afhankelijk van het aantal maanden (per studiejaar) waarin aan de ontwerpopdracht is gewerkt maal het aantal arbeidsuren per week met een maximum van 36 uur per week. 

Voorwaarden voor subsidie 

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je (aantoonbaar) een erkend leerbedrijf zijn voor vmbo’ers/ mbo’ers, bepaalde leerlingen uit het VSO/PRO en leerlingen uit de entreeopleiding vmbo. Als het gaat om hbo’ers, promovendi en toio’s, moet je door een onderwijsinstelling zijn aangemerkt als een onderneming die een goede begeleiding geeft. Daarnaast moet je voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  • Er is een geldige, gedateerde en ondertekende overeenkomst. Dit is bij vmbo of een bij een werkgever in dienst zijnde promovendus of toio een leer-werkovereenkomst, bij VSO en PRO een stageovereenkomst, bij mbo-bbl en hbo een praktijkleerovereenkomst. Voor elk van deze overeenkomsten gelden eigen nadere voorwaarden. 
  • De beroepsopleiding van de leerling valt binnen de doelgroepen waarvoor de subsidie geldt. 
  • Je kunt in je administratie per leerling laten zien dat de leerling aanwezig was, je de voorwaarden en de afspraken uit de overeenkomst naleeft en de student begeleidt. 

Voor het vmbo,mbo, Hbo, de entreeopleiding vmbo en PRO/VSO gelden nog de volgende aanvullende voorwaarden: 

 Niveau  Voorwaarden
 vmbo 3e en 4e leerjaar - buitenschools praktijkgedeelte met minimaal 640 klokuren en maximaal 1280 klokuren per studiejaar dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli
 mbo-bbl - minimaal 200 begeleide onderwijsuren per studiejaar door de onderwijsinstelling- praktijkgedeelte minimaal 610 klokuren per studiejaar lopend van 1 augustus tot en met 31 juli.
- opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo)
 entreeopleiding vmbo - het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 610 klokuren per studiejaar
 PRO/VSO

- het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 640 klokuren en maximaal 1.280 klokuren per schooljaar.
- minimaal één dag per week binnenschools onderwijs
- maximaal vier stagedagen per week
- duur van de stage is maximaal 50% van de uren dat onderwijs wordt verzorgd.

- het schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli.

 Hbo - opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Het studiejaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus.
- het praktijkdeel is een verplicht onderdeel van de opleiding

Let op! Voor alle leerlingen en studenten geldt dat zij moeten zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Bovendien wordt de subsidie alleen verstrekt gedurende de nominale duur van de opleiding. 

Let op!Alleen voor een Toio of promovendus van een van de aangewezen (voornamelijk openbare) universiteiten kan een subsidie van toepassing zijn. 

Administratieve verplichtingen

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je de volgende gegevens in je administratie vastleggen: 

  • een getekende en gedateerde overeenkomst; 
  • een aanwezigheidsregistratie van de deelnemer bij de beroepspraktijkvorming. Je kunt bijvoorbeeld gebruikmaken van je digitale tijdschrijfsysteem, een presentielijst of een geldig arbeidscontract in combinatie met een verzuimregistratie; 
  • een administratie waaruit de begeleiding van de deelnemer blijkt en de wijze waarop de kwalificaties van de beroepsvorming zijn behaald. Hierbij moet je denken aan een werkboek van de leerling en gespreks-, beoordelings- en evaluatieverslagen; en 

  • Hoogte van de subsidie

Omdat de subsidie afhankelijk is van het aantal subsidieaanvragen en het beschikbare budget, is de hoogte van de subsidie voor het studiejaar 2025/2026 nog niet zeker. De verdeling van de beschikbare subsidie vindt jaarlijks plaats na afloop van het studiejaar over alle werkgevers die tijdig een aanvraag hebben ingediend én voldoen aan de eisen voor de subsidie. Het subsidiebedrag is gemaximeerd op € 2.800 per praktijkleerplaats als de leerling of student het gehele jaar bij je gewerkt heeft. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie is voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Het aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren. 

Aanvraag van de subsidie 

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de regeling uit. De subsidie geldt per studiejaar. Je vraagt de subsidie na afloop van de begeleiding aan. Voor het studiejaar 2025/2026 kun jede subsidie vanaf 2 juni 2026 09:00 tot en met uiterlijk 17 september 2026 (uiterlijk 17.00 uur) aanvragen. Aanvragen die later door RVO.nl worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor subsidie. 

Let op! Vanaf 2025 moet je de subsidie aanvragen via het nieuwe aanvraagportaal van het RVO. Verzorg je niet zelf de aanvraag, zorg dan dat degene die dat voor je doet op tijd over de daarvoor benodigde ketenmachtiging beschikt. 

Tip! Om de aanvraag te kunnen doen, heb je eHerkenning (minimaal niveau 3 met machtiging RVO-diensten) nodig. Voorkom dat je te laat beschikt over eHerkenning en vraag deze indien nodig tijdig aan. 

Let op! RVO.nl kan nog tot vijf jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt controles uitvoeren. Je hebt dan ook de plicht om alle relevante documenten te bewaren tot vijf jaar na afloop van het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt 

Subsidieregeling praktijkleren derde leerweg 

De Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg 2026 is een tegemoetkoming in de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor de begeleiding op de werkvloer van een werkende of werkzoekende die een mbo-opleiding in de derde leerweg doet. De derde leerweg in het mbo is een aanvulling op de beroepsopleidende leerweg (bol; 4 dagen school, 1 dag stage) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl; 4 dagen werken, 1 dag school). In de derde leerweg kunnen delen van een mbo-opleiding worden gedaan, grotendeels of geheel op de werkvloer, wat kan leiden tot een mbo-certificaat (door de Minister van OCW vastgesteld arbeidsmarktrelevant onderdeel van een mbo-opleiding) of een praktijkverklaring (mbo-opleiding op maat op basis van de behoefte van de werkgever en de werkende of werkzoekende). 

Ook in 2026 is een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg waarschijnlijk weer mogelijk. Hiervoor loopt een internetconsultatie van 8 juni 2026 tot 5 juli 2026. Deze regeling is het vervolg van de subsidieregeling derde leerweg, die liep van 14 december 2021 tot 31 maart 2026. Het voorstel is om de regeling tot 2031 voort te zetten. Als de regeling conform het voorstel in de internetconsultatie wordt ingevoerd, geldt het hiernavolgende.

De aanvraagperiode loopt dan van maandag 2 november 2026 9.00 uur tot vrijdag 27 november 2026 17.00 uur. 

  • De subsidieregeling bedraagt naar verwachting maximaal € 2.700 en is alleen beschikbaar voor praktijkplaatsen voor mbo-studenten in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen deeltijd (odt)) die werkzoekenden zijn of betaalde arbeid verrichten.
  • De student moet voor de aanvraagperiode zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs . 

Als erkend leerbedrijf kun je de subsidie voor maximaal 40 weken krijgen in een periode van 52 weken.

  • De aanvraag moet tijdens het aanvraagtijdvak worden ingediend, binnen een jaar na de afronding van de praktijkplaats. -RVO zal de regeling uitvoeren. 

Subsidie voor groepshulpen kinderopvang 

Kinderopvangorganisaties kunnen in 2026 van 2 november 2026 09.00 uur tot en met 27 november 2026 17.00 subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats van een groepsondersteuner (voorheen groepshulp)n. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van deze groepsondersteuners n en is aan te vragen bij RVO.nl. Het doel is dat door de subsidie meer groepsondersteuners worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang. 

De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepsondersteuner per week werkt. Een organisatie kan in 2026 voor maximaal tiengroepsondersteuners n subsidie aanvragen. 

De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepsondersteuner een arbeidsovereenkomst van ten minste 12 maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan de opleiding mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) op niveau 1 en 2, gericht op het behalen van een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma of een aangewezen mbo-3 certificaat. Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepsondersteuner ook subsidie heeft gekregen via de Subsidieregeling Praktijkleren of Praktijkleren in de derde leerweg. Voor de groepsondersteuner mag niet al eerder deze subsidie ontvangen zijn. 

Financiële bijdrage van O&O-fondsen 

Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen kunnen financieel bijdragen aan de scholing van werknemers in hun branche. Deze fondsen worden meestal in het leven geroepen door de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde branche en worden gevuld met bijdragen van aangesloten bedrijven. Afspraken hierover worden gemaakt in bijvoorbeeld cao’s. Alle O&O-fondsen hebben loopbaanadviseurs in dienst die kunnen helpen bij scholings- en opleidingstrajecten voor je werknemers. Sommige O&O-fondsen bieden ook zelf cursussen aan of ontwikkelen scholingsprojecten voor de branche. Wil je een financiële bijdrage van het O&O-fonds ontvangen, neem dan contact op met je brancheorganisatie, want de exacte mogelijkheden en voorwaarden verschillen per sector. 

Tip! Bekijk hier een overzicht van alle erkende O&O-fondsen. 

SLIM-subsidie mkb 2025-2029 

De SLIM subsidie is een subsidie voor werkgevers voor het verder laten ontwikkelen van werknemers in maatschappelijk cruciale sectoren van het mkb.  

Slim-subsidie is in 2026 mogelijk voor: 

a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming; 
b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen; 
c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode. 

De SLIM-subsidie kent in 2026 twee regelingen: voor individuele mkb-ondernemingen en voor samenwerkingsverbanden in het mkb. 

SLIM individuele mkb-ondernemingen 

Zowel kleine als middelgrote ondernemingen kunnen een beroep doen op deze regeling. Het subsidiepercentage voor kleine mkb-ondernemingen bedraagt in 2026 60%. 

Per aanvraag kan maximaal € 24.999 subsidie worden aangevraagd. Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000.  

Vooraf kan 50% van het subsidiebedrag als voorschot worden betaald. 
Voor de SLIM-regeling voor mkb-ondernemingen zijn in 2026 twee aanvraagtijdvakken: (reeds verlopen) van 7 april 20269.00 uur tot en met 4 mei 202617.00 uur én van 10 augustus2026 9.00 uur tot en met 7 september 2026 17.00 uur 

SLIM samenwerkingsverbanden in het mkb 

Het subsidiepercentage van de SLIM-subsidie voor samenwerkingsverbanden in het mkb bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner). Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen. 

Samenwerkingsverbanden kunnen een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan 12 maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste 12 maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt zijn. 

Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt 

Overige Regelingen 

Regionale maatregelen 
In een groot aantal regio’s en branches zijn er specifieke regionale maatregelen om scholing te stimuleren. Ga dan ook na of je gemeente of branche wellicht een bruikbare regeling heeft. 

Tip! Op de website leeroverzicht.nl, een initiatief van het Ministerie van OCW en het Ministerie van SZW, kun je zoeken in veel verschillende regelingen. Hierin zijn ook regionale subsidieregelingen opgenomen. 

Opleidingskosten in mindering op transitievergoeding

Eindigt de arbeidsovereenkomst met een werknemer en moet de werkgever een transitievergoeding betalen? Dan kunnen door de werkgever gemaakte transitiekosten en inzetbaarheidskosten verrekend worden met de transitievergoeding.  

Let op! Transitiekosten zijn kosten gericht op het voorkomen van werkeloosheid of het bekorten van de periode van werkeloosheid. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die tijdens de dienstbetrekking zijn gemaakt gericht op het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer. 

De werkgever mag deze kosten in beginsel op de transitievergoeding in mindering brengen, tenzij de verworven kennis en vaardigheden in overwegende mate zijn aangewend om de functie die de werknemer bij aanvang van de activiteiten verrichtte uit te oefenen. De kosten mogen ook niet in mindering komen als deze verband houden met verplichtingen van de werkgever in het kader van de re-integratie (eerste of tweede spoor). 

Voor het in mindering brengen van de kosten gelden daarnaast, naast elkaar, onder meer de volgende voorwaarden: 

  • de scholing moet gericht zijn op bredere inzetbaarheid van de werknemer buiten de eigen organisatie; 
  • de werknemer heeft vooraf inzicht gekregen in de kosten en schriftelijk ingestemd met de verrekening; en 
  • de kosten moeten in redelijke verhouding staan tot het doel. 
  • De kosten zijn gemaakt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de transitievergoeding verschuldigd is. 

Studiekostenbeding mag niet voor bepaalde opleidingen

Een studiekostenbeding is voor bepaalde opleidingen niet  toegestaan. Dit is aan de orde als: 

  • het scholing noodzakelijk voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de huidige functie; 
  • scholing noodzakelijk is voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en 
  • de scholing verplicht is op grond van de wet of de cao.  

In deze gevallen moet de scholing kosteloos zijn, de studietijd moet als arbeidstijd worden aangemerkt en de scholing moet zo veel als mogelijk in de reguliere werktijd plaatsvinden. Denk bij een wettelijk verplichte opleiding aan een opleiding op grond van de Arbowet. 

Ook de algemene scholingsplicht (artikel 7:611a lid 1 BW) valt onder de regeling. Onder deze algemene scholingsplicht moet de werkgever de werknemer in staat stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst als de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen. Er bestaat een lijst met ‘gereglementeerde beroepen’, waarin uiteenlopende beroepen staan, zoals registerloods, deskundige asbestverwijderaar, deskundige duiker, beëdigd tolk of fysiotherapeut. Als het beroep van de werknemer op die lijst vermeld staat, is onder voorwaarden, een studiekostenbeding wel mogelijk, tenzij de opleiding alsnog in een cao verplicht wordt gesteld. In die laatste situatie is een studiekostenbeding niet mogelijk. 

Disclaimer 
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen. 

advieswijzer
1/7/2026
Personeel

Advieswijzer Scholing en Personeel

Heb je personeel in dienst dat een opleiding volgt? Dan kom je mogelijk in aanmerking voor de subsidieregeling Praktijkleren. Ook is er onder bepaalde voorwaarden een financiële bijdrage mogelijk vanuit een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor je branche. Daarnaast bestaan er diverse subsidies, zoals de SLIM-subsidie en regionale of sectorale subsidies. In deze advieswijzer worden de belangrijkste regelingen uitgelegd.

LEES VERDER

Bpm bestelauto 

Voor een bestelauto is net als voor een personenauto bpm verschuldigd. Tot 1 januari 2025 konden ondernemers hiervoor echter onder voorwaarden een ondernemersvrijstelling krijgen. De Belastingdienst heeft antwoord gegeven op de vraag of bij export van een gebruikte bestelauto van vóór 2025 teruggave van bpm plaatsvindt, als voor deze bestelauto eerder bpm is betaald. 

Bpm betaald

De Belastingdienst gaat in het antwoord uit van een situatie waarbij voor een bestelauto met een datum van eerste toelating van vóór 2025, eerder bpm was betaald. Dit gold voor situaties waarbij niet of niet langer aan de voorwaarden voor de bpm ondernemersvrijstelling was voldaan. Zo was de vrijstelling onder meer niet van toepassing als minder dan 10% van de met de bestelauto gereden kilometers zakelijk was. 

Na vijf jaar vrij van bpm 

Onder de tot 2025 geldende regeling was, als niet langer aan de voorwaarden werd voldaan, slechts bpm verschuldigd als na het tijdstip waarop een bestelauto voor het eerst in gebruik was genomen, een periode van minder dan vijf jaar was verstreken. Zo kon een bestelauto dus na vijf jaar ook bpm-vrij verkocht worden aan een particulier. 

Andere regels bij export 

De vraag was of bij export recht bestaat op een teruggaaf van rest-bpm op het moment dat voor zo’n bestelauto van vóór 2025 al meer dan vijf jaar zijn verstreken na de datum van eerst ingebruikname. De Belastingdienst maakt duidelijk dat bij export andere regels gelden: ook na vijf jaar kan nog steeds een deel van de bpm teruggekregen worden bij export van een bestelauto van vóór 2025. Voorwaarde is wel dat voor die bestelauto daadwerkelijk eerder bpm is betaald. 

Teruggave afhankelijk van leeftijd 

Hoeveel bpm er teruggegeven wordt, is afhankelijk van de leeftijd van de auto. Hoe ouder de auto, hoe lager de bpm-teruggave. Er bestaat nog recht op teruggave tot een periode van 17 jaar en 10 maanden na de eerste ingebruikname. Daarna krijgt men bij export geen bpm meer terug. 

Let op! De antwoorden van de Belastingdienst hebben alleen betrekking op bestelauto’s waarvan de datum van eerste toelating vóór 1 januari 2025 lag. 

 

nieuws
30/6/2026
Auto

Teruggave bpm bij export bestelauto van vóór 1 januari 2025?

Bestaat recht op teruggaaf bpm bij export van een bestelauto ouder dan vijf jaar met een datum eerste toelating vóór 1 januari 2025?

LEES VERDER

Lkv’s 

In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden. 

Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026. 

Beschikking Wtl 2025 

De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking. 

Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit. 

Recht op lkv bij overgang van onderneming 

Bij overgang van een onderneming ging de Belastingdienst ervan uit dat het recht op lkv niet mee over zou gaan naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad oordeelde echter in mei 2024 dat het lkv bij zo’n overgang niet vervalt. 

Als in 2025 sprake was van een overgang van de onderneming, dan bleef het recht op lkv dus bestaan, mits ook aan de voorwaarden voor het lkv werd voldaan. Zo moet onder meer de oorspronkelijke doelgroepverklaring geldig zijn in 2025 en moet je die ook in je administratie hebben opgenomen. Je moest in de aangifte loonheffingen 2025 het vinkje aanzetten om het recht te behouden. Was je dit in 2025 vergeten, dan kon je dit nog tot uiterlijk 1 mei 2026 corrigeren. 

Controleer beschikking goed 

Was in 2025 sprake van overgang van een onderneming? Controleer dan of dit goed is opgenomen in de beschikking Wtl 2025. De Belastingdienst heeft laten weten dit niet altijd goed in de beschikking Wtl 2025 verwerkt te hebben. 

Klopt jouw beschikking niet, kom dan op tijd in bezwaar. Dat geldt uiteraard niet alleen voor fouten bij de overgang van de onderneming, maar ook bij andere fouten. 

Let op!Op dit tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de beschikking. 

Fout in aangiften 2025? 

Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je de fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025. 

Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.

nieuws
30/6/2026
Hand schudden

Controleer recht op LKV 2025 bij overgang van een onderneming

In de beschikkingen Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 2025 houdt de Belastingdienst niet altijd correct rekening met de overgang van een onderneming. Kom op tijd in bezwaar tegen deze beschikking die de Belastingdienst vanaf begin juni tot eind juli 2026 verstuurt.

LEES VERDER

Gebruikelijkloonregeling 

Iedereen met een aanmerkelijk belang in een bv, bijvoorbeeld een dga met minimaal 5% van de aandelen, is verplicht jaarlijks een gebruikelijk loon uit de bv op te nemen als hij ook werkzaamheden verricht voor de bv. Op dit gebruikelijk loon wordt loonbelasting ingehouden. Het is in de inkomstenbelasting belast in box 1 (met verrekening van de ingehouden loonbelasting) en aftrekbaar voor de bv als loonkosten.  

Eenmanszaak wordt bv 

Stel een eenmanszaak wordt omgezet in een bv. Dit gebeurt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, terwijl de oprichtingsakte van de bv per 31 maart 2026 bij de notaris wordt gepasseerd. Vanaf welke datum moet aan de dga dan een gebruikelijk loon worden toegekend? De Belastingdienst heeft bevestigd dat tijdens de voorperiode van de bv, in deze casus van 1 januari 2026 tot 31 maart 2026, geen gebruikelijk loon van toepassing is.  

Geen dienstbetrekking 

In de voorperiode van de bv bestaat namelijk nog geen dienstbetrekking tussen de dga en de bv omdat de bv juridisch nog niet bestaat. Dit betekent dat er ook nog geen gebruikelijk loon aan de dga kan worden toegerekend. 

Let op! De dga geniet gedurende deze periode wel andere inkomsten uit arbeid. 

Bevestigd door rechtspraak 

Het niet van toepassing zijn van gebruikelijk loon in de voorperiode is ook al bij het tot stand komen van de gebruikelijkloon wetgeving en door latere rechtspraak bevestigd. 

Wél aanmerkelijk belang 

In een besluit heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven dat er bij de dga in de voorperiode wel een aanmerkelijk belang bestaat voor wat betreft het beschikbaar stellen van vermogen aan de bv. De dga heeft namelijk het recht om alle nog uit te geven aandelen in zijn bv te verwerven, terwijl het economische belang van de nog uit te geven aandelen al bij hem ligt. Deze inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogen aan de bv over de voorperiode zijn daarom dus al wel belast in box 2.

nieuws
29/6/2026
Sparen

Geen gebruikelijk loon in voorperiode bv

De Belastingdienst heeft bevestigd dat in de periode vóór oprichting van een bv (de voorperiode) de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing is.

LEES VERDER

Waarde in het economische verkeer 

De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de waarde in het economische verkeer bij van vorderingen en schulden normaal gesproken gelijk is aan de nominale waarde hiervan, als sprake is van zakelijke condities. 

Contante waarde bij vaste rente 

Betreft het een vordering of schuld met een vaste rente? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de vaste rente. 

Goedkeuring Belastingdienst 

Het berekenen van de waarde in het economische verkeer is administratief bewerkelijk. Bovendien geven banken altijd de nominale waardes door aan de Belastingdienst. Om die reden keurt de Belastingdienst goed dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van de waarde in het economische verkeer. 

Voorwaarden goedkeuring 

Deze goedkeuring geldt alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Dit betekent dat je de nominale waarde gebruikt voor de berekening van het forfaitair rendement maar ook voor de berekening van het werkelijke rendement volgens de tegenbewijsregeling box 3. 

Let op!De goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028.

nieuws
29/6/2026
Belastingdienst

Hoe waardeer je vorderingen en schulden in box 3?

De Belastingdienst keurt onder voorwaarden goed dat je bij de waardering van vorderingen en schulden in box 3 uitgaat van de nominale waarde.

LEES VERDER

Vernietiging verzuimboetes 

De Douane kan in de periode tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 een verzuimboete opgelegd hebben als je een onjuiste aangifte deed of onjuiste inlichtingen gaf. Die boetes blijken geen juridische basis te hebben. Daarom vernietigt de Douane deze boetes. 

Gevolgen 

Wat er na de vernietiging van de verzuimboete gebeurt, is onder meer afhankelijk van de vraag of je de verzuimboete wel of niet betaald hebt. 

  • Betaalde je de verzuimboete nog niet, dan hoef je ook niet meer te betalen. 
  • Betaalde je de verzuimboete al wel, dan betaalt de Douane dit bedrag aan je terug. Dit is anders als je nog openstaande bedragen bij de Douane hebt. In dat geval verrekent de Douane de betaalde verzuimboete met deze openstaande bedragen. 

Let op! Kwam je in bezwaar tegen de verzuimboete, dan zal de Douane je bezwaar toewijzen en de verzuimboete vernietigen. 

Afwikkeling tot 1 januari 2027 

Je hoeft niet in actie te komen. De Douane vernietigt de verzuimboete automatisch en betaalt, indien van toepassing, de verzuimboete aan je terug. 

Let op! De Douane is hier wel even mee bezig. Je kunt contact opnemen met de Douane als je op 1 januari 2027 nog steeds geen bericht hebt gehad. 

Verzuimboetes vanaf 1 juli 2024 

Alleen de verzuimboetes opgelegd tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 worden vernietigd. De verzuimboetes vanaf 1 juli 2024 hebben wel een juridische basis. Deze blijven dan ook intact. 

nieuws
26/6/2026
Sparen

Vernietiging verzuimboetes Douane van juli 2021 tot juli 2024

Voor verzuimboetes van de Douane tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 bestond geen juridische basis. Om die reden is de Douane begonnen met het terugbetalen of verrekenen van deze boetes.

LEES VERDER

Eight weeks 

In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed. 

Example 
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026. 

Calculation of tax interest 

The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision. 

Continuation of example 
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026. 

Timely appeal against the rejection of a VAT refund claim 

Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest. 

Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late. 

news
17/8/2026
Portemonnee

Tax interest in the event of delays in processing VAT refunds

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.

READ MORE

Right of access to tax records 

It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.  

Fragmented 

At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years. 

‘Keuze digitaal’ programme 

Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return. 

 Timeline 

The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:  

  • Phase 1 covers access to formal correspondence, such as tax assessments, decisions, formal letters and submitted forms. The plan is to introduce this for VAT in 2026, for vehicle taxes, payroll taxes, corporation tax and gift and inheritance tax in the period 2027–2028, and for income tax in 2029. 
  • Phase 2 provides access to the reasoning behind decisions, such as the grounds for an assessment and the progress of a case. This is planned for all the taxes listed in Phase 1 during the period 2029 to 2031 inclusive. 
  • Phase 3 will provide access to a comprehensive and coherent case file. This is planned from 2032 onwards. 

Exception for excise duties and consumption taxes 

For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

news
10/8/2026
Tweede Kamer

Phased introduction of the right of access to tax records

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.

READ MORE

Employment contract for an hourly rate below €38? 

The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.

If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal 

Not applicable to the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate 

The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority. 

Immediate effect from 31 December 2026 

The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you. 

news
21/7/2026
Juridisch

From 31 December 2026: employment contracts with an hourly rate below €38

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?

READ MORE

What is Solvit?

Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.

What kinds of problems?

The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.

Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.

Procedure

A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.

Examples

On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.

Also for advice

Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

news
4/6/2026
Internationaal

Solvit helps with cross-border issues within the EU

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.

READ MORE

What does this mean for you?

If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.

Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.


The most commonly used new account number for the Tax and Customs Administration is NL04 RABO 0200112244. However, please note that different new account numbers are used for some taxes.

Note regarding recurring payments

If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.

You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.

Using the old number is (still) fine

If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.

New income tax account number effective April 20, 2026

To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026. 

Benefits

The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.

Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.

Tax and Customs Administration warns against phishing

Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number. 

news
26/5/2026
Belastingdienst

New account number for the Tax Authority effective May 1

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.

READ MORE

Cash payments of €3,000 or more

For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.

Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.

The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.

Base fine amount: €10,000

The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.

Lower or higher fine

Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.

Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

news
20/5/2026
Geld

Base fine of €10,000 for cash payments of €3,000 or more

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.

READ MORE

Deduction of housing costs

It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.

Phasing out and abolition

The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.

The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.

 Year  Maximum deduction percentage
2025  25
2026  20
2027  15
2028  10
2029  5
2030  0

Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.

Internet consultation

The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

news
5/6/2025
Agrarisch

Phasing out deduction the amount for accommodation employers

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.

READ MORE