ACTUEEL

Zoek:
Filter op soort artikel:
Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.

Aanleiding Baz

Aanleiding van het wetsvoorstel is dat ongeveer 75% van de zelfstandigen op dit moment niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is over het algemeen omdat ze de kosten te hoog vinden, maar een deel van de zelfstandigen kan zich door leeftijd of ziekte ook niet verzekeren. Het kabinet wil dat zelfstandigen meer zekerheid krijgen over hun inkomen en hoopt daar met het wetsvoorstel Baz voor te zorgen.

Baz

In het wetsvoorstel Baz wordt elke zelfstandige verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid tot de AOW-leeftijd. Dat kan door deelname aan de Baz, maar ze kunnen ook, onder voorwaarden, voor een private verzekering kiezen.

Ten opzichte van een eerder voorstel zijn er aanpassingen gedaan in het wetsvoorstel dat naar de Raad van State is gestuurd.

Lagere premie

Zo is de premie verlaagd van 6,5 naar 5,4% van de winst van de zelfstandige, met een maximum van naar verwachting € 171 bruto per maand.

Let op! Zelfstandigen die ook in loondienst werken zijn al verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Hebben zij vanuit de WIA al recht op een uitkering op het niveau van het minimumloon, dan hoeven zij straks geen Baz-premie te betalen.

Langere wachttijd

Ook de wachttijd voordat een zelfstandige een AOV-uitkering krijgt, is verlengd naar twee jaar. Dit is vergelijkbaar met de wachttijd van een zieke werknemer voor een WIA-uitkering.

Vervolg

Het wachten is nu op het advies van de Raad van State. Daarna moet het wetsvoorstel nog aan de Tweede Kamer worden aangeboden en moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen. Het is daarom nog niet zeker of, en zo ja vanaf wanneer er een verplichte AOV voor zelfstandigen komt.

nieuws
24/9/2025
Typen

Verplichte AOV voor zelfstandigen weer een stap dichterbij

Het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) is naar de Raad van State gestuurd. Daarmee is het voorstel voor deze verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen weer een stap dichterbij.

LEES VERDER

Tarieven en schijven inkomstenbelasting box 1 en loonheffing

In 2026 bedraagt het tarief in de inkomstenbelasting en loonheffing tot en met een belastbaar inkomen/loon van € 38.883: 35,70% (2025 tot € 38.441: 35,82%). Hier is dus sprake van een lichte daling (0,12%). 

Bij een inkomen/loon van € 38.883 tot en met € 79.137 bedraagt het tarief in 2026: 37,56% (2025 van € 38.441 tot en met € 76.817: 37,48%), een lichte stijging van 0,08%. 

Boven de € 79.137 (2025: € 76.817) bedraagt het tarief in 2026: 49,5%. Dit tarief is dus niet gewijzigd.

Let op! De schijven zijn niet voor 100%, maar voor 52,8% aangepast aan de inflatie. Het kabinet wil hierbij het gat opvullen dat ontstaat door het terugdraaien van de btw-verhoging op cultuur, media en sport.

Tarief box 2

Het tarief in box 2 is in 2026, net als in 2025, gedifferentieerd: 24,5% en 31%. Tot een inkomen in box 2 van € 68.843 (fiscale partners € 137.686) bedraagt het tarief 24,5%, daarboven 31%. In 2025 ligt die grens nog op € 67.804 (fiscale partners € 135.608).

Let op! Heef u in 2025 nog geen inkomsten in box 2? Maak dan nog gebruik van het lagere tarief van 24,5% door een dividenduitkering te doen tot maximaal € 67.804 (fiscale partners € 135.608).

Overleg hierover wel eerst met onze adviseurs. Een dividenduitkering kan namelijk ook de algemene heffingskorting, uw vermogen in box 3 en eventuele excessieve leningen beïnvloeden.

Tarief box 3

Het tarief dat u in 2026 betaalt in box 3 blijft  net gelijk ten opzichte van 2025, namelijk 36%.

Heffingskortingen

De maximale heffingskortingen zijn in 2026 ten opzichte van 2025 allemaal iets hoger. Zo bedraagt de maximale algemene heffingskorting in 2026 € 3.115 (2025: € 3.068) en maximale arbeidskorting € 5.712 (2025: € 5.599).

Verdere verlaging zelfstandigenaftrek

In 2026 heeft de ondernemer in de inkomstenbelasting, waaronder de zzp’er, recht op lagere ondernemersfaciliteiten. Dit komt door de forse daling van de zelfstandigenaftrek van € 2.470 in 2025 naar € 1.200 in 2026.

Let op! Houd er rekening mee dat de zelfstandigenaftrek in 2027 nog verder daalt naar € 900.

De mkb-winstvrijstelling is in 2026 gelijk gebleven ten opzichte van 2025, namelijk 12,7%.

Tarief vennootschapsbelasting ongewijzigd

Het tarief in de vennootschapsbelasting is in 2026 gelijk aan 2025: 19% voor de winst tot en met € 200.000 en 25,8% daarboven.

Nog niet definitief

Nog niet alle wijzigingen staan definitief vast omdat ze zijn opgenomen in het Belastingplan 2026. Dit wetsvoorstel moet straks eerst nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) worden aangenomen. Daarna moet ook de Eerste Kamer nog instemmen.

nieuws
23/9/2025
Belastingdienst

Nieuwe belastingtarieven, -kortingen en faciliteiten 2026

Wat zijn de voorgenomen wijzigingen per 2026 van de belastingtarieven, -kortingen en ondernemersfaciliteiten? In dit artikel geven we een overzicht van een aantal wijzigingen.

LEES VERDER

Fiets van de zaak

Stelt u een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer voor privé mag gebruiken, dan moet u een bijtelling toepassen. Mag een werknemer de fiets ook voor woon-werkverkeer gebruiken, dan wordt deze fiets geacht in ieder geval ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt bij privégebruik een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.

Over deze bijtelling moet u loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.

Tip! U kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Als uiteindelijk blijkt dat u de vrije ruimte in een jaar overschrijdt, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing over de overschrijding. Houd hier rekening mee bij de keuze om de bijtelling wel of niet aan te wijzen in de vrije ruimte.

Geen bijtelling meer bij weinig thuis stallen

De regels voor de bijtelling leiden in sommige gevallen tot ongewenste uitkomsten. Denk bijvoorbeeld  aandeel- en hubfietsen die door een werkgever ter beschikking worden gesteld voor een deel van het woon-werkverkeer. Om die reden komt er een regeling voor fietsen die niet of slechts incidenteel (niet meer dan 10% van de tijd) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald. Voor deze fietsen hoeft geen bijtelling meer te worden toegepast. Dit geldt overigens niet alleen voor deel- en hubfietsen, maar voor alle fietsen die niet meer dan 10% van de tijd bij het woon- of verblijfadres worden gestald.

Let op! Heeft de werknemer niet de beschikkingsmacht over de fiets in de periode dat deze bij zijn woon- of verblijfadres is, dan is in ieder geval geen sprake van stallen van de fiets. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een deelfiets in de app is ingeleverd.

Al vanaf 2020

De regel gaat in per 1 januari 2026, maar heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heeft u ten onrechte bijtelling toegepast vanaf die datum, dan kunt u vanaf 1 januari 2026 de afgedragen belasting terugvragen. U moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de fiets voor niet meer dan 10% van de tijd thuis gestald is. Bovendien moet de fiets ook alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer zijn en niet privé zijn gebruikt.

Ook voor ondernemers

De nieuwe regels gelden niet alleen voor werknemers, maar ook voor ondernemers die een fiets van de zaak gebruiken.

Belastingplan 2026

Het voorgaande is nog niet definitief. Het is opgenomen in het Belastingplan 2026, welke nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) moet worden aangenomen. Daarna moet de Eerste Kamer ook nog instemmen.

nieuws
23/9/2025
Fiets

Geen bijtelling bij incidenteel thuis stallen fiets van de zaak

Voor de fiets die een werkgever ook voor privégebruik ter beschikking stelt aan een werknemer geldt een bijtelling van 7%. Wordt die fiets alleen voor woon-werkverkeer gebruikt en niet of incidenteel bij het woonadres van de werknemer gestald, dan hoeft straks geen bijtelling meer toegepast te worden.

LEES VERDER

Hoger forfait overige bezittingen

Het forfaitair rendement op overige bezittingen bedraagt in 2025 nog 5,88%, maar stijgt in 2026 naar 7,78%! Deze grote stijging is met name budgettair gedreven. Nu het nieuwe box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement niet in 2026, maar pas in 2028 wordt ingevoerd, ontstaat er een tekort. Dit moet door het veel hogere forfaitaire rendement van 7,78% gedekt worden. Zonder deze budgettaire verhoging zou het forfaitair rendement in 2026 op 6% vastgesteld zijn.

Let op! ‘Overige bezittingen’ is een restcategorie. Hieronder valt grofweg alles wat geen bank- of spaartegoed of schuld is, denk aan onroerende zaken, aandelen, obligaties en vorderingen.

Lager werkelijk rendement?

Als uw totale werkelijke rendement in box 3, berekend volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3, in 2026 lager is dan het totale forfaitaire rendement, kunt u ook in 2026 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Bij een geslaagd beroep betaalt u dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over het werkelijke rendement.

Lager heffingsvrij vermogen

Naast de verhoging van het forfaitaire rendement wordt ook budgettaire dekking gezocht in een  verlaging van het heffingsvrije vermogen van € 57.684 in 2025 naar € 51.396 in 2026 (voor fiscale partners gezamenlijk van € 115.368 in 2025 naar € 102.792 in 2026). 

Tarief

Het tarief dat u in 2026 betaalt over uw werkelijke of forfaitaire rendement blijft 36%.

Afbouw voordelen groen beleggen

Eind vorig jaar is in de wet opgenomen dat de voordelen voor groen beleggen worden afgebouwd en per 1 januari 2027 worden afgeschaft. Afschaffing per 1 januari 2027 blijkt nog niet mogelijk te zijn. Om die reden geldt ook in 2027 nog een, weliswaar geringe, vrijstelling en heffingskorting. In een overzicht:

   2025  2026 2027 2028
 Vrijstelling groen beleggen  € 26.312 (fiscale partners € 52.624)  € 26.715 (fiscale partners € 53.430)  € 200 (fiscale partners € 400)  0
 Heffingskorting groen beleggen  0,1%  0,1%  0,1%  0%

Let op! Nu de fiscale voordelen van groen beleggen steeds minder worden, is het raadzaam om uw portefeuille te (laten) beoordelen.

Aanpassing leegwaarderatio

Als u een woning verhuurt in box 3 met huurbescherming, kunt u nu al misschien een korting op de WOZ-waarde toepassen, waardoor u minder belasting betaalt in box 3. Dit heet de leegwaarderatio. Of u die korting kunt toepassen en hoe hoog die dan is, is afhankelijk van de hoogte van de huur.

Vanaf 2026 wijzigen er twee dingen in de leegwaarderatio:

  • Als de werkelijke waarde 10% of meer afwijkt van de WOZ-waarde – verminderd met de korting –, mag u uitgaan van de werkelijke waarde. Dit kon vanaf 2015 al op basis van rechtspraak, maar wordt vanaf 2026 dus wettelijk vastgelegd.
  • Bij een onzakelijke huur tussen twee gelieerde partijen (bijvoorbeeld familieleden) mag de leegwaarderatio niet meer worden toegepast.

Let op! Verhuurt u aan een gelieerde partij, zoals een familielid, beoordeel dan of u geraakt wordt door de maatregel.

Nog niet definitief

De verhoging van het forfait van de overige bezittingen, de verlaging van het heffingsvrije vermogen en de wijzigingen in de leegwaarderatio zijn opgenomen in het Belastingplan 2026. Dit wetsvoorstel moet straks eerst nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) worden aangenomen. Daarna moet ook de Eerste Kamer nog instemmen. De wijzigingen zijn daarom nog niet definitief.

nieuws
22/9/2025
Euro

Meer belasting in box 3 vanaf 2026

Het forfaitaire rendement op overige bezittingen stijgt en het heffingsvrije vermogen daalt in 2026 in box 3. Voor de burger die box 3-heffing betaalt op basis van het forfaitaire stelsel zal dit waarschijnlijk leiden tot een hogere belastingheffing in box 3.

LEES VERDER

Pseudo-eindheffing voor werkgever in loonbelasting

Het plan is om vanaf 2027 een pseudo-eindheffing in de loonbelasting te introduceren van 12%. Deze 12% is een werkgever verschuldigd als hij aan een werknemer vanaf 2027:

  • een personenauto van de zaak ter beschikking stelt,
  • die ook privé mag worden gebruikt, en
  • die een CO2-uitstoot heeft groter dan nul.

Let op! De 12% pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die de werkgever niet mag verhalen op de werknemer. Daarnaast blijft de bijtelling voor de auto van de zaak die ten laste van de werknemer komt, ook gewoon bestaan.

Uitzonderingen

Er is wel een aantal uitzonderingen. Een werkgever is de eindheffing namelijk niet verschuldigd als:

  • de personenauto een CO2-uitstoot heeft van nul  – volledig elektrische en waterstof aangedreven auto’s vallen buiten deze heffing –, en/of
  • de auto van de zaak uitsluitend zakelijk wordt gebruikt en niet voor privégebruik (er geldt dan ook geen bijtelling voor de auto van de zaak).

Let op! Er geldt een uitzondering voor incidenteel privégebruik bij overmacht en bijzondere omstandigheden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hiervan sprake is.

Woon-werkverkeer telt ook!

Voor wat betreft uitzondering van geen privégebruik zit er een addertje onder het gras. Waar voor de bijtelling van de auto van de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk wordt aangemerkt, zijn deze kilometers voor de pseudo-eindheffing privékilometers.

Let op! Dit heeft tot gevolg dat een werkgever straks ook de pseudo-eindheffing verschuldigd kan zijn als de werknemer de personenauto niet privé gebruikt (of maximaal 500 kilometers) en dus geen bijtelling heeft. Als die werknemer de personenauto wel voor woon-werkverkeer gebruikt, is de werkgever de pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd.

Personenauto

De pseudo-eindheffing geldt voor personenauto’s. Dit zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.

Let op! Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.

Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing. 

Overgangsregeling tot 17 september 2030

Personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling tot 17 september 2030. Pas vanaf die datum kan een werkgever dan voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Let op! De overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als een werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.

12% van de (catalogus)waarde

De 12% pseudo-eindheffing wordt straks berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer. Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economische verkeer van de personenauto.

Let op! In een eerdere aankondiging van de maatregel werd nog gesproken over een pseudo-eindheffing van 52% die berekend zou worden over 22% van de (catalogus)waarde, per saldo 11,44%. De nu gepresenteerde 12% is dus een verhoging ten opzichte van de eerdere aankondiging.

Betaling bij aangifte loonbelasting

De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. De werkgever kan er echter voor kiezen om de eindheffing uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.

Let op! Over het jaar 2027 betaalt een werkgever dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028 de pseudo-eindheffing.

Besparen op de pseudo-eindheffing door de personenauto niet alle dagen voor privé ter beschikking te stellen, zal niet werken. Als de personenauto slechts een deel van een maand voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze namelijk geacht de hele kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. De pseudo-eindheffing van 12% geldt dan voor de hele kalendermaand.

Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer

De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.

Anticiperen

De maatregel is nog niet definitief. Zowel de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) als de Eerste Kamer moeten nog instemmen. Desondanks is het goed om al te anticiperen op de maatregel, zeker als u nu of in de toekomst een leasecontract gaat afsluiten met een looptijd van vijf jaar. De overgangsregeling loopt immers tot 17 september 2030 en dat is op dit moment al over minder dan vijf jaar.

nieuws
22/9/2025
Auto

12% extra belasting personenauto van de zaak met CO2-uitstoot

Het kabinet kondigde al eerder aan om vanaf 2027 een extra heffing op auto’s van de zaak met CO2-uitstoot in te voeren voor werkgevers. Op Prinsjesdag is deze maatregel gepresenteerd in het Belastingplan 2026.

LEES VERDER

Overdrachtsbelasting

Bij aankoop van panden wordt overdrachtsbelasting geheven. Het standaardtarief bedraagt momenteel 10,4% (2025).  Voor woningen die permanent zelf bewoond worden, die dus dienen als hoofdverblijf, is het huidige tarief 2%.

Tip! Voor meerderjarige jongeren tot 35 jaar bestaat er, onder voorwaarden, een eenmalige vrijstelling als de woning niet meer kost dan € 525.000 (2025) én als hoofdverblijf dient.

Tariefverlaging

Voor woningen die niet permanent door de eigenaar zelf bewoond worden, dus niet dienen als hoofdverblijf, wordt het huidige tarief van 10,4% vanaf 2026 dus verlaagd naar 8%. Op deze manier wordt het investeren in woningen voor verhuur aantrekkelijker gemaakt. Ook wordt de aanschaf van een tweede woning zoals een vakantiehuis hierdoor voordeliger. 

Let op!Het tarief van 10,4% blijft in 2026 gehandhaafd voor de aanschaf van bedrijfspanden en kantoren.

Wijziging definitief

De tariefsverlaging naar 8% is vorig jaar al door de Tweede en Eerste Kamer aanvaard en staat daarmee definitief vast. Alleen een nieuwe wetswijziging zou de tariefsverlaging dus nog ongedaan kunnen maken, maar dergelijke plannen liggen momenteel niet op tafel.

Tip! Overweegt u een tweede woning aan te schaffen voor uzelf of voor de verhuur, bijvoorbeeld aan uw kinderen, dan is het raadzaam hiermee te wachten tot ná 2025.

nieuws
19/9/2025
Woning

Hoge tarief overdrachtsbelasting definitief omlaag

Vanaf 1 januari 2026 wordt de overdrachtsbelasting verlaagd van 10,4 naar 8% voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen. Dit tarief komt voornamelijk om de hoek kijken bij de aanschaf van vakantiewoningen en woningen voor verhuur.

LEES VERDER

WBSO

De WBSO is een fiscale faciliteit voor werkgevers met innovatieve activiteiten. Zij kunnen via de WBSO een tegemoetkoming krijgen in de loonkosten van het personeel dat speur- en ontwikkelingswerkzaamheden verricht. Daarnaast is er via de WBSO een tegemoetkoming voor de hiermee verband houdende overige kosten.

Voorwaarden

De WBSO kent tal van voorwaarden. Zo moet u onder meer zelf nieuwe programmatuur ontwikkelen, een (tastbaar) product of productieproces, of u doet technisch-wetenschappelijk onderzoek, het project moet plaatsvinden binnen de EU en u pakt uw project planmatig aan. 

Hoeveel WBSO?

U ontvangt deze aanvraagronde 36% subsidie over de eerste € 380.000 aan innovatieve kosten. Over het meerdere krijgt u 16%. Starters krijgen over de eerste € 380.000 aan innovatieve kosten 50% subsidie. U bent starter als u de afgelopen vijf jaar minstens één jaar niet inhoudingsplichtig was. Verder kunt u maximaal drie jaar als starter worden aangemerkt.

Aanvragen WBSO

U kunt de WBSO aanvragen bij RVO.nl met behulp van eHerkenning op minimaal eH3 niveau. Wordt uw aanvraag goedgekeurd, dan ontvangt u een S&O-verklaring. U dient onder meer een projectplan mee te sturen. Hiervoor zijn op RVO.nl standaardformulieren beschikbaar.

Let op!Wilt u vanaf 1 januari 2026 de WBSO weer aanvragen, dan moet u uiterlijk 20 december 2025 opnieuw een aanvraag indienen.

S&O-verklaring

Met een S&O-verklaring kunt u de subsidie verrekenen met de door u af te dragen loonheffingen. Op de S&O-verklaring staat voor welk jaar de verrekening, de zogenaamde S&O-afdrachtvermindering, geldt. Het maakt niet uit in welke maand van het jaar u de uren en kosten precies maakte.

S&O-aftrek

Ondernemers in de inkomstenbelasting die zelf in 2025 minstens 500 uur innovatieve activiteiten verrichten, kunnen een extra aftrek krijgen op de winst, de S&O-aftrek. Die bedraagt in 2025 € 15.738. Starters kunnen een extra aftrek krijgen van € 7.875. U bent starter als u de afgelopen vijf jaar minstens één jaar geen ondernemer was. Verder kunt u maximaal drie jaar als starter worden aangemerkt. Ook nu dient men zich uiterlijk 30 september 2025 te hebben aangemeld bij RVO.nl.

nieuws
18/9/2025
Lamp

Uiterlijk 30 september WBSO voor het jaar 2025 aanvragen

Wilt u dit jaar nog gebruikmaken van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), vraag deze dan uiterlijk 30 september 2025 aan. U kunt voor het jaar 2025 maximaal vier voorstellen indienen. Voorstellen voor projecten in het kader van de WBSO moet u altijd vooraf indienen.

LEES VERDER

Vrije ruimte en gerichte vrijstellingen werkkostenregeling

Een werkgever kan een werknemer, onder voorwaarden, onbelaste vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen geven door deze ten laste te brengen van de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR).

Let op!De vrije ruimte bedraagt in 2025 2% over de eerste € 400.000 van de totale loonsom van de werkgever en 1,18% over het bedrag daarboven.

Voor sommige vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen gelden ook gerichte vrijstellingen. Als iets gericht is vrijgesteld, is het onder voorwaarden onbelast en hoeft dit niet ten laste van de vrije ruimte te komen. Denk hierbij aan de gerichte vrijstelling van € 0,23 per zakelijke kilometer.

Vrije ruimte in de inkomstenbelasting

In de inkomstenbelasting is een met de loonbelasting vergelijkbare wettelijke bepaling opgenomen. Doel van deze bepaling is om inwoners van Nederland met een buitenlandse werkgever die niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting hetzelfde te behandelen als inwoners van Nederland met een Nederlandse werkgever.

De Hoge Raad oordeelde in 2022 al dat door deze wettelijke bepaling werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever de vrije ruimte in aftrek kunnen brengen op hun inkomen in de inkomstenbelasting. Deze werknemers kunnen in 2025 in principe zonder nadere voorwaarden 2% van hun aan Nederland toe te rekenen brutoloon aftrekken in de inkomstenbelasting. Dit geldt tot een brutoloon van maximaal € 400.000, daarboven is het 1,18%.

Let op!Dit kan niet als de buitenlandse werkgever in Nederland inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting. Dan gelden namelijk gewoon de regels die ook voor Nederlandse werkgevers gelden.

Gerichte vrijstelling in de inkomstenbelasting

De Hoge Raad had nog niet geoordeeld over de vraag of een inwoner van Nederland met een buitenlandse werkgever die niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, ook de zakelijke kosten waarvoor een gerichte vrijstelling geldt in aftrek mag brengen in de aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst vond dat dit niet kon, ondanks het oordeel van de Hoge Raad in 2022 over de vrije ruimte.

De Hoge Raad heeft nu (5 september 2025) echter geoordeeld dat dit wel kan: het is voor het toepassen van de gerichte vrijstelling volgens de Hoge Raad, net als bij de vrije ruimte, niet nodig dat de werkgever de vergoedingen of verstrekkingen heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel.

Wel onderbouwing nodig

Aftrek van zakelijke kosten waarvoor een gerichte vrijstelling geldt, kan overigens niet zonder meer. Er moet namelijk wel aannemelijk zijn dat de zakelijke kosten gemaakt zijn. Verder moet getoetst worden of de zakelijke kosten binnen de voorwaarden en grensbedragen van de gerichte vrijstellingen blijven.

Onderzoek bij vaste kostenvergoeding

De Hoge Raad merkt nog op dat als sprake is van een vaste kostenvergoeding hier een onderzoek naar de werkelijke gemaakte kosten aan ten grondslag moet liggen. In tegenstelling tot vaste kostenvergoeding die door een in Nederland inhoudingsplichtige werkgever worden gegeven, hoeft dit onderzoek niet al verricht te zijn voordat de werknemer de vergoeding ontvangt. Bovendien kan het onderzoek naar de werkelijke kosten door de werknemer worden gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken is, aldus de Hoge Raad.

Let op!Bent u inwoner van Nederland, maar werkt u voor een niet-inhoudingsplichtige buitenlandse werkgever? Dan kunt u dus onder voorwaarden in uw aangifte inkomstenbelasting ook een beroep doen op gerichte vrijstellingen. Neem voor overleg over deze voorwaarden contact op met onze adviseurs.

nieuws
18/9/2025
Geld

Aftrek van vrije ruimte en vrijstellingen WKR mogelijk in inkomstenbelasting

Je woont in Nederland en werkt voor een werkgever die niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting. Mag je dan in de vrije ruimte en gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling in aftrek brengen op je inkomstenbelasting? Ja, dit kan onder voorwaarden, aldus de Hoge Raad.

LEES VERDER

Let op!Een aantal wijzigingen die hieronder worden vermeld, moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

1. Werkgevers gaan 12% heffing betalen op fossiele personenauto van de zaak

Vanaf 1 januari 2027 bent u als werkgever een pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd wanneer u een personenauto met CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer voor privégebruik en/of woon-werkverkeer. Het doel van deze regeling is om de overstap naar elektrische personenauto’s te versnellen, in lijn met de klimaatdoelen voor 2030. Volledig elektrische personenauto’s en personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen buiten de regeling.

Let op!Woon-werkverkeer wordt expliciet als privégebruik aangemerkt. Dit is dus anders dan bij de berekening van de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak!

Vanaf 1 januari 2027 moet u dus maandelijks een pseudo-eindheffing berekenen. Deze heffing mag u maandelijks voldoen, maar u mag ook wachten met de afdracht tot het tweede loonaangiftetijdvak in 2028. De heffing mag niet worden doorberekend aan de werknemer. Een eigen bijdrage van de werknemer voor privégebruik heeft geen invloed op de hoogte van de heffing.

Let op!Tot 17 september 2030 is geen pseudo-eindheffing verschuldigd over personenauto’s die voor 1 januari 2027 aan werknemers ter beschikking zijn gesteld. Na deze datum geldt de heffing voor alle fossiele personenauto’s met privégebruik.

2. Aanpassingen box 3: hoger rendement, lager vrijgesteld vermogen

Het kabinet voert met ingang van 2026 een aantal aanpassingen door in de huidige box 3-regeling als opmaat naar het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement. De beoogde invoerdatum van het nieuwe stelsel is 1 januari 2028. Hieronder de belangrijkste punten per 1 januari 2026:

  • Het forfaitair rendement voor overige bezittingen stijgt van 6 naar 7,78%. De stijging van 1,78% is bedoeld als dekking van de verwachte budgettaire derving van de latere invoering van het nieuwe stelsel (2028 in plaats van 2026). 
  • Tegelijkertijd daalt, ook om de budgettaire derving te dekken, het heffingsvrije vermogen van € 57.684 naar € 51.396 per persoon, waardoor meer belastingplichtigen box 3-heffing gaan betalen.
  • De regels voor het tegenbewijs van daadwerkelijk rendement worden aangescherpt. Dit moet onder andere belastingontwijking via obligaties met aangegroeide rente tegengaan. Aankopen na 25 augustus 2025 vallen onder strengere voorwaarden.
  • De leegwaarderatio wordt beperkt: verhuur aan gelieerde partijen tegen een niet-marktconforme huur valt voortaan buiten deze regeling. Dit voorkomt belastingvoordeel door kunstmatig lage huur. Gelieerde partijen zijn partijen die zo nauw verbonden zijn dat zij onderling een huurprijs afspreken die normaal niet in de markt zou gelden. 

3. Diverse wijzigingen in tarieven

Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd daalt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting licht, van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). De tweede schijf stijgt juist licht, van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). De derde schijf blijft ongewijzigd (49,50%). Voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd geldt een verlaging in de eerste schijf van 17,92% (2025) naar 17,80% (2026). De tweede schijf stijgt licht, van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026) en de derde schijf blijft ook hier gelijk (49,50%).

Daarnaast wijzigen de schijflengtes in box 1 van de inkomstenbelasting met een beperkte indexatie. Vanaf een inkomen van € 79.137 is het hoogste tarief van 49,50% van toepassing. 

Om werken aantrekkelijker te maken, wordt de maximale arbeidskorting verhoogd van € 5.599 (2025) naar € 5.712 in (2026). 

De maximale algemene heffingskorting stijgt licht, van € 3.068 naar € 3.115 (voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd van € 1.536 naar € 1.554) en de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting stijgt van € 2.986 naar € 3.032. Ook de ouderenkorting en de alleenstaandeouderkorting stijgen licht.

Voor ondernemers daalt de zelfstandigenaftrek van € 2.470 naar € 1.200; dit sluit aan bij het beleid om fiscale voordelen voor zelfstandigen af te bouwen. Voor ondernemers betekent dit dat de fiscale stimulans voor zelfstandig ondernemerschap verder afneemt. De mkb-winstvrijstelling blijft gelijk op 12,70%.

4. De rapportage verplichting personenmobiliteit wordt versoepeld

De rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM) geldt alleen nog voor ondernemingen met 250 werknemers of meer. Voorheen gold deze verplichting vanaf 100 werknemers, maar op Prinsjesdag is bekendgemaakt dat de grens voor de verplichting verhoogd wordt naar 250 werknemers.

5. Verduidelijking fietsregeling

Sinds 1 januari 2020 geldt een bijtelling van 7% (minus de eventuele eigen bijdrage van de werknemer) voor een fiets van de zaak die een werknemer ook privé gebruikt. Deze bijtelling is verplicht zodra de fiets voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Het kabinet stelt voor om deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aan te passen. Wordt de fiets niet of maximaal 10% bij het woon- of verblijfadres van de werknemer gestald, dan is de bijtelling nihil. Dit betekent dat er geen loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is. Zo voorkomt de regeling onbedoelde belastingheffing bij bijvoorbeeld hubfietsen of campusfietsen. Deze regeling geldt overigens ook voor IB-ondernemers. 

Let op!Wordt de fiets meer dan 10% bij het woon- of verblijfadres gestald, dan geldt de reguliere bijtelling van 7%. 

6. Overdrachtsbelasting: introductie 8%-tarief in 2026

In 2026 gaan vier tarieven gelden voor de overdrachtsbelasting (al aangenomen in 2024). Het standaardtarief van 2% geldt voor woningen die de koper zelf als hoofdverblijf gebruikt. Starters onder de 35 jaar kunnen onder voorwaarden een vrijstelling van 0% toepassen bij de aankoop van een woning met een marktwaarde tot € 555.000 (2026). Voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen, geldt vanaf 2026 een nieuw tarief van 8%. Denk daarbij aan beleggingsobjecten, vakantiewoningen, woningen voor kinderen of verhuurde woningen.

Let op!Het tarief voor niet-woningen blijft 10,4%. Dit geldt voor bijvoorbeeld commercieel vastgoed, bedrijfspanden en onbebouwde grond.

7. Btw op cultuur, media en sport blijft 9%

Het kabinet heeft besloten het verlaagde btw-tarief van 9% op cultuur, media en sport te behouden. De eind 2024 aangenomen verhoging naar 21% per 1 januari 2026 wordt dus geschrapt. Het behoud van het lage tarief kost structureel € 1,3 miljard. Dat dekt het kabinet door de inflatiecorrectie op de inkomsten- en loonbelasting te beperken.

Let op!Voor logiesverstrekkers (zoals hotels en B&B’s) geldt vanaf 1 januari 2026 echter wel het algemene tarief van 21%. Deze aangenomen btw-verhoging wordt dus niet teruggedraaid.

8. Regeling vervroegd uittreden vanaf 2026 structureel

De tijdelijke RVU-drempelvrijstelling wordt vanaf 2026 structureel voortgezet. Werknemers kunnen hierdoor – onder voorwaarden – tot drie jaar vóór de AOW-leeftijd stoppen met werken en een uitkering ontvangen. Blijft die uitkering binnen het drempelbedrag, dan betaalt de werkgever geen pseudo-eindheffing van 52%. 

Naast de voortzetting van de regeling stijgt ook het drempelbedrag met € 300 bruto per maand en indexeert dit bedrag jaarlijks mee met het minimumloon. In 2025 is de RVU-drempelvrijstelling € 2.273 per maand. 

De pseudo-eindheffing die betaald wordt voor bedragen boven de RVU-drempelvrijstelling stijgt ook. Boven deze drempel geldt nu nog een pseudo-eindheffing van 52%, maar deze stijgt naar 57,7% in 2026, naar 64% in 2027 en naar 65% vanaf 2028. 

9. Fiscaal voordeel groene beleggingen versoberd

Groen beleggen levert nu fiscaal voordeel op via een vrijstelling in box 3. Daarnaast geldt een heffingskorting van 0,1% over het vrijgestelde bedrag. De regeling geldt voor beleggingen in erkende groenfondsen die duurzame en innovatieve projecten financieren. 

Vanaf 1 januari 2025 werd dit voordeel al geleidelijk afgebouwd. In 2025 bedraagt de vrijstelling nog € 26.312 (€ 52.624 voor fiscale partners). In 2026 blijft de vrijstelling nog bestaan, maar in 2027 bedraagt deze nog slechts € 200 (€ 400 voor partners). De regeling is daarmee feitelijk afgeschaft. 

De heffingskorting blijft in 2027 formeel bestaan, maar door het percentage van 0,1% is het effect marginaal. Eigenlijk zou het fiscale voordeel per 1 januari 2027 worden afgeschaft, maar vanwege uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst schuift de definitieve afschaffing door naar 1 januari 2028. 

10. Verduidelijking erf- en schenkbelasting

Er zijn vier maatregelen gepresenteerd op Prinsjesdag 2025 die betrekking hebben op de erf- en schenkbelasting. Hiermee wil het kabinet de belastingpraktijk verduidelijken en oneerlijke situaties voorkomen. De voorgestelde maatregelen zijn:

  • Schenkingen binnen 180 dagen voor een overlijden worden vanaf 1 januari 2026 enkel via de erfbelasting belast en niet meer eerst in de schenkbelasting. Nu moet nog zowel een aangifte schenk- als erfbelasting worden gedaan. 
  • Biologische kinderen zonder juridische erkenning worden vanaf 2026 gelijkgesteld met juridisch erkende (biologische) kinderen voor de erf- en schenkbelasting. Hierdoor kunnen zij gebruikmaken van het kindertarief en de kindvrijstelling. Een nauwe persoonlijke betrekking blijkt impliciet uit het feit dat de biologische ouder het kind een schenking doet dan wel iets nalaat. Voorwaarde is wel dat het biologische ouderschap aangetoond kan worden via een DNA-test.
    Overigens kan door een beroep op de hardheidsclausule ook vóór 2026 al verzocht worden om toepassing van het kindertarief en de kindvrijstelling.
  • Bij huwelijkse voorwaarden met ongelijke breukdelen (bijv. 90/10) wordt alles boven 50% getroffen met erf- of schenkbelasting. Daarbij worden huwelijkse voorwaarden die gesloten zijn voor 16 september 2025 16.00 uur buiten deze maatregel gelaten, op voorwaarde dat deze later niet worden aangepast.
  • De aangiftetermijn voor erfbelasting wordt verlengd van 8 naar 20 maanden na overlijden. Belastingrente gaat pas lopen vanaf de 21e maand. Dit geeft u meer tijd voor een correcte en volledige aangifte en vermindert het risico op uitstelverzoeken en bezwaarprocedures.
nieuws
17/9/2025
Prinsjesdag

Top 10 Belastingplannen 2026

Welke fiscale voorstellen voor ondernemers kwamen op Prinsjesdag 2025 uit het koffertje van minister Heinen van Financiën? Wij zetten tien belangrijke wijzigingen voor u op een rij.

LEES VERDER

Stamrechtvrijstelling

Tot en met 2013 was het mogelijk om, onder voorwaarden, een ontslagvergoeding belastingvrij onder te brengen in een bv. Kort samengevat: de ontslagvergoeding werd in de bv ondergebracht in een zogenaamd stamrecht, een recht op periodieke uitkeringen voor de ontslagen werknemer. Die uitkeringen mochten niet later ingaan dan in het jaar waarin de ontslagen werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Als voldaan werd aan alle voorwaarden kon de ontslagvergoeding met toepassing van de stamrechtvrijstelling belastingvrij ondergebracht worden in de bv.

Let op!Uiteindelijk blijft de ontslagvergoeding over het algemeen niet helemaal belastingvrij. De uitkeringen die uiteindelijk uit het stamrecht door de bv gedaan worden, zijn namelijk wel belast.

Afschaffing en overgangsrecht

Met ingang van 1 januari 2014 werd de stamrechtvrijstelling afgeschaft. Voor al bestaande stamrechten bleef deze echter wel van toepassing. Over de uitkeringen uit het stamrecht is dan ook gewoon nog belasting verschuldigd, ondanks de afschaffing van de vrijstelling. De afschaffing van de stamrechtvrijstelling betekent verder ook niet dat de bv waarin het stamrecht is ondergebracht zonder fiscale consequenties kan worden geliquideerd.

Afkoop stamrecht door liquidatie bv

Dit ondervond ook iemand die in 2009 een ontslagvergoeding met toepassing van de stamrechtvrijstelling onderbracht in een bv. Hij liquideerde deze bv in 2020.
De Belastingdienst stelde dat de dga zijn stamrecht had afgekocht nu er na de liquidatie van de bv geen vermogen meer aanwezig was om de uitkeringen uit het stamrecht te betalen. De Belastingdienst legde vervolgens een navorderingsaanslag op voor de afkoop van dit stamrecht.

Voor de hoogte van de afkoopsom sloot de Belastingdienst aan bij het in de bv aanwezige vermogen op het moment van liquidatie van de bv (in casu € 164.073). De dga was het hier niet mee eens en legde dit voor aan een rechtbank. Die stelde de Belastingdienst in het gelijk.

Let op!Ook in 2025 zullen er nog legio bv’s zijn met een stamrecht, ontstaan uit een ontslagvergoeding. Heeft u zo’n bv, houd dan rekening met de fiscale claim die nog rust op het in de bv aanwezige stamrecht. Heeft u daar vragen over, neem dan contact op met onze adviseurs.

nieuws
16/9/2025
Strategie

Pas op bij liquidatie bv met een stamrecht

Wie in het verleden een ontslagvergoeding belastingvrij onderbracht in een bv, moet zich realiseren dat liquidatie van die bv kan leiden tot afkoop van dit stamrecht en dus belastingheffing. Dit ondervond ook een dga die zijn bv liquideerde.

LEES VERDER