Door een indexatie van 2,15% zal het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer vanaf 21 jaar vanaf 1 januari 2026 € 14,71 per uur bedragen. Nu bedraagt het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer van 21 jaar en ouder nog € 14,40 per uur.
Let op! De berekening van het indexatiepercentage is gebaseerd op het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, in de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid.
Door de stijging van het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, stijgt het wettelijk minimumuurloon voor jongere werknemers per 1 januari 2026 als volgt:
| Leeftijd | Percentage | Minimumuurloon |
| 21 jaar en ouder | 100,0% | € 14,71 |
| 20 jaar | 80,0% | € 11,77 |
| 19 jaar | 60,0% | € 8,83 |
| 18 jaar | 50,0% | € 7,36 |
| 17 jaar | 39,5% | € 5,81 |
| 16 jaar | 34,5% | € 5,07 |
| 15 jaar | 30,0% | € 4,41 |
Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) geldt voor werknemers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar een ander percentage. Het wettelijk minimumuurloon voor deze werknemers bedraagt per 1 januari 2026 als volgt:
| Leeftijd | Percentage | Minimumuurloon |
| 21 jaar en ouder | 100,0% | € 14,71 |
| 20 jaar | 61,5% | € 9,05 |
| 19 jaar | 52,5% | € 7,72 |
| 18 jaar | 45,5% | € 6,69 |
| 17 jaar | 39,5% | € 5,81 |
| 16 jaar | 34,5% | € 5,07 |
| 15 jaar | 30,0% | € 4,41 |
Let op! In juli 2025 maakt de minister van OC&W bekend dat hij de lagere percentages voor werknemers in de bbl met ingang van 1 januari 2027 wil afschaffen. Dit is nu nog een plan dat verder nog niet concreet is.

Het wettelijk minimumuurloon wordt per 1 januari 2026 verhoogd. Wat zijn de nieuwe geïndexeerde uurtarieven?
LEES VERDER
Kinderopvangorganisaties kunnen de subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats voor doorontwikkeling van groepshulpen. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van groepshulpen. Het doel is dat door de subsidie meer groepshulpen worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang.
De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepshulp per week werkt. Een organisatie kan voor maximaal twee groepshulpen subsidie aanvragen.
Let op! Het beschikbare budget bedraagt in 2025 € 1.735.000. Ook in 2026 is de subsidie nog beschikbaar. Het beschikbare budget voor 2026 bedraagt € 1.775.000.
De subsidie kent een aantal voorwaarden:
Tip! Kijk voor alle voorwaarden hier.
De subsidie is aan te vragen via RVO.nl. RVO neemt alle op tijd ingediende volledige aanvragen in behandeling. Bij overschrijding van het budget wordt de hoogte van de subsidie per groepshulp naar rato verlaagd.
Tip! Deed u een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren of praktijkleren in de derde leerweg voor een groepshulp, maar heeft u nog geen beslissing daarop ontvangen? Vraag dan ook altijd de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang al aan. Als u wacht op de beslissing op uw aanvraag op de subsidie praktijkleren (in de derde leerweg), bent u waarschijnlijk te laat om nog de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang aan te vragen.

Van 3 november 2025 9.00 uur tot en met 28 november 2025 17.00 kunt u weer subsidie aanvragen voor groepshulpen in de kinderopvang.
LEES VERDER
Met ouderschapsverlof kunnen ouders na de geboorte van een kind wennen aan de nieuwe gezinssituatie. Het verlof moet binnen een jaar na de geboorte worden opgenomen. Bij pleeg- en adoptiekinderen moet het verlof worden opgenomen binnen een jaar nadat het kind in het gezin is opgenomen en voordat het kind acht jaar oud is.
De werkgever moet het betaalde ouderschapsverlof aanvragen bij het UWV voor de betreffende werkgever Een niet voor de werknemersverzekeringen verzekerde dga moet echter zelf het betaalde ouderschapsverlof aanvragen via Mijn UWV. Het UWV beslist binnen vier weken op een ingediend verzoek. De uitkering van het UWV verloopt in dat geval rechtstreeks aan de dga en dus niet via de bv.
Werknemers hebben recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. De uitkering voor hen bedraagt 70% van het dagloon, voor de niet voor de werkverzekeringen verzekerde dga’s geldt echter 70% van het minimumloon.
Het bedrag aan betaald ouderschapsverlof dat de dga ontvangt, is niet van invloed op de hoogte van het gebruikelijk loon. Wel mag rekening worden gehouden met het feit dat de dga door het ouderschapsverlof minder uren werkt. Het gebruikelijk loon moet worden gebaseerd op de werkzaamheden over het gehele jaar. Wordt een deel van het jaar niet gewerkt, dan mag het gebruikelijk loon dienovereenkomstig lager worden vastgesteld.
Let op! Dit moet wel aannemelijk gemaakt kunnen worden!

Werknemers hebben onder voorwaarden recht op ouderschapsverlof, waarvan een deel betaald wordt door het UWV. Betaald ouderschapsverlof geldt ook voor de dga. Een dga is immers in dienst van een bv. Er gelden voor de dga die niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen wel bijzondere regels.
LEES VERDER
De nieuwe btw-plicht voor deze digitale platforms maakt onderdeel uit van een Europees pakket om het btw-stelsel te moderniseren. Het doel van de nieuwe btw-plicht is het tegengaan van concurrentievervalsing. Bovengenoemde diensten worden nu nog vaak aangeboden door particulieren en door ondernemers die geen btw in rekening hoeven te brengen, onder meer omdat ze de kleine ondernemersregeling toepassen. Op deze manier wordt geconcurreerd met grotere bedrijven die wél btw moeten berekenen.
Het wetsvoorstel schrijft voor dat digitale platforms waarop genoemde diensten worden aangeboden vanaf 1 juli 2028 btw-plichtig worden. Als de dienstverlener zelf al btw in rekening brengt, verandert er (uiteraard) niets.
Verder schept het wetsvoorstel meer duidelijkheid over het begrip kortetermijnverhuur in de btw, namelijk maximaal 30 nachten.
De btw-plicht voor platforms waarop passagiersvervoer wordt aangeboden, wordt beperkt omdat hier nauwelijks concurrentievervalsing optreedt. De oorzaak is dat deze diensten veelal door grotere ondernemingen worden aangeboden die al btw-plichtig zijn. Deze platforms worden in beginsel alleen geconfronteerd met een administratieplicht, waarmee ze aan moeten tonen dat door de dienstverlener al btw in rekening is gebracht. Alleen als dat niet het geval is, moet het platform de btw afdragen.
Geïnteresseerden hebben de mogelijkheid hun visie op het wetsvoorstel te geven via een internetconsultatie. U kunt tot en met 3 november 2025 reageren.

Er is een internetconsultatie gestart over een wetsvoorstel voor een nieuwe btw-plicht voor digitale platforms waarop kortlopende verhuur van accommodaties plaatsvindt. Deze nieuwe btw-plicht gaat ook gelden voor digitale platforms die passagiersvervoer faciliteren. Deze btw-plicht moet 1 juli 2028 ingaan.
LEES VERDER
Erkende leerbedrijven die een praktijkplaats verzorgen voor een mbo-student in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen in deeltijd (odt)) kunnen voor de subsidie in aanmerking te komen.
Voor de subsidie gelden een aantal voorwaarden:
Let op! De subsidie is niet voor mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor deze studenten kan de werkgever mogelijk wel in aanmerking komen voor de Subsidieregeling praktijkleren voor het mbo.
Tip! Kijk voor alle voorwaarden hier.
Per praktijkplaats kan maximaal € 2.700 subsidie gekregen worden. Het uiteindelijke subsidie kan lager zijn. Als er namelijk meer toegekende aanvragen zijn dan het beschikbar budget, wordt dat budget verdeeld over de aanvragen. In 2025 bedraagt het budget € 2.800.000.
Let op! De subsidie wordt maximaal verstrekt over een periode van 52 aaneengesloten weken, waarvan er maximaal 40 voor subsidie in aanmerking komen.
Aanvragen van de subsidie kan via RVO.nl. Het erkende leerbedrijf moet de subsidie wel aanvragen binnen een jaar na afloop van de praktijkleerplaats.

Van maandag 3 november 2025 9.00 uur tot vrijdag 28 november 2025 17.00 uur kunt u weer de subsidie praktijkleren in de derde leerweg aanvragen.
LEES VERDER
De werknemer was bij een sportschool in dienst getreden voor 12 uur per week. Vervolgens vroeg ze na een paar maanden om urenuitbreiding. De werkgever honoreerde dit verzoek. Via een addendum op de arbeidsovereenkomst waren de uren uitgebreid naar 31 uur per week. Nadat het addendum was getekend, maar al voordat de urenuitbreiding inging, meldde de werknemer zich ziek vanwege angst- en paniekaanvallen.
De werkgever vernietigde vervolgens het addendum waarin de urenuitbreiding was afgesproken wegens dwaling, omdat op basis van informatie die ze achteraf had gekregen de werknemer niet aan haar mededelingsplicht had voldaan. De werknemer wist immers dat ze medisch niet in staat was de extra uren te werken, aldus de werkgever. De werknemer had daarom volgens de werkgever geen recht op doorbetaling van loon bij ziekte voor 31 uur, maar voor de 12 uur uit het eerdere contract. De werknemer stapte vervolgens naar de rechter.
Bij dwaling gaat het om de situatie dat een partij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet – of niet op deze voorwaarden – met de andere partij zou zijn aangegaan. De bescherming die het arbeidsrecht biedt voor de werknemer moet daarbij wel worden nageleefd, maar het ontslagrecht beschermt geen werknemer die bedrog of dwaling heeft gepleegd bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
Een arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling als op het moment van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst een werknemer over zodanige informatie met betrekking tot zijn gezondheid beschikte, dat hij daarvan mededeling aan de werkgever had moeten doen. Van zulke informatie is sprake als een werknemer bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wist dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden.
De werknemer heeft aangegeven al jaren aan psychische klachten te lijden en daar ook medicatie voor te slikken. Het is daarom niet ondenkbaar dat de klachten mogelijk nog terug kunnen keren. Ze had moeten begrijpen dat haar psychische kwetsbaarheid relevant was voor de vraag of zij structureel meer taken en uren kon vervullen. Door dit niet te melden bij het tekenen van het addendum heeft de werknemer de mededelingsplicht geschonden.
Voorlopig moet worden geoordeeld in de kort-geding-procedure dat de buitengerechtelijke vernietiging wegens dwaling niet in strijd is met het gesloten ontslagstelsel. Dat betekent dat de werknemer geen aanspraak maakt op loon bij ziekte over 31 uur per week, maar slechts over 12 uur per week.

Eerlijkheid duurt het langst. Zo blijkt maar weer uit een uitspraak die ging over een werknemer die tijdens haar sollicitatie niet eerlijk was geweest over de medische problemen waar ze mee kampte.
LEES VERDER
Werkgevers gaan extra belasting betalen als ze vanaf 1 januari 2027 een fossiele personenauto van de zaak (CO2-uitstoot groter dan nul) voor het eerst aan hun werknemer ook voor privégebruik ter beschikking stellen. Het addertje onder het gras bij deze regeling is dat woon-werkverkeer ook privé is! De belasting bedraagt in beginsel 12% van de cataloguswaarde. Voor personenauto’s die vóór 2027 ter beschikking worden gesteld, gaat de heffing pas in per 17 september 2030. Houd daarom ook al rekening met de regeling als u overweegt om voor 2027 nog fossiele personenauto’s voor het eerst ter beschikking te stellen. Bij een aanschaf of een leasecontract met een langere looptijd wilt u wellicht al kiezen voor een emissievrije personenauto.
Let op! De bijtelling van de auto van de zaak blijft ook gewoon bestaan! De lagere bijtelling voor een auto van de zaak die geen CO2 uitstoot, vervalt echter per 2026. Schaft u nog in 2025 een elektrische auto aan, dan heeft u nog wel maximaal 5 jaar profijt van de lage bijtelling.
Heeft u privévermogen, dan is het van belang rekening te houden met de belastingheffing die u moet betalen over de verschillende typen vermogens in box 3. De hoogte van de box 3-belasting hangt namelijk niet alleen af van de hoogte van uw vermogen, maar ook van de samenstelling. Bovendien tellen roerende zaken in eigen gebruik (denk aan inboedel, juwelen of een boot) niet mee in box 3. U kunt dan ook belasting besparen door slim te plannen rondom de peildatum van 1 januari 2026. Koop roerende zaken voor eigen gebruik daarom vóór 1 januari 2026 in plaats van net daarna. En heeft u een onroerende zaak in box 3 verkocht, kijk dan of deze nog vóór 1 januari 2026 bij de notaris overgedragen kan worden. Dan bedraagt het wettelijk vastgestelde rendement hierover op 1 januari 2026 geen 7,78%, maar het veel lagere wettelijk vastgestelde rendement dat voor banktegoeden geldt.
Let op! De advisering rondom box 3 is altijd maatwerk en omvat meer dan hiervoor beschreven! Raadpleeg daarom uw adviseur voor uw eigen situatie.
Is uw totale werkelijke rendement in box 3 lager dan het totaal berekende wettelijk vastgestelde rendement, dan kunt u misschien een beroep doen op de tegenbewijsregeling box 3. De Hoge Raad sprak zich hierover vanaf medio 2024 uit. In beginsel is het mogelijk om voor de jaren 2017 tot en met 2027 een beroep te doen op de tegenbewijsregeling box 3. Voor de jaren 2017-2020 kan dat echter alleen als uw definitieve aanslag IB op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond én u tijdig bezwaar maakte of verzocht om ambtshalve vermindering. Om een beroep te doen op de tegenbewijsregeling, moet u verplicht gebruikmaken van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR). De Belastingdienst verstuurt vanaf juli gefaseerd brieven. Neem na ontvangst van deze brief zo snel mogelijk contact op met onze adviseurs. De reactietermijn is in bepaalde gevallen namelijk maar twaalf weken!
Let op! De berekening van het werkelijk rendement is waarschijnlijk anders dan u in gedachten heeft voor een werkelijk rendement. Zo tellen bijvoorbeeld ook de nog niet gerealiseerde waardeveranderingen mee. Neem voor de beoordeling of u een beroep kunt doen op de tegenbewijsregeling box 3 daarom contact op met onze adviseurs..
Tip! Is uw werkelijk rendement hoger, dan hoeft u niets te doen. U betaalt dan gewoon box 3-heffing op basis van het wettelijk vastgestelde rendement.
Het tarief in box 2 bedraagt in 2025 24,5% tot een inkomens van € 67.804 (of € 135.608 voor fiscale partners gezamenlijk). Over het meerdere bedraagt het tarief in 2025 31%. Het is daarom aantrekkelijker om dividend uit te keren tot € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608) dan een hoger bedrag. Ga na welke bedragen aan dividend u de komende jaren wilt uitkeren en houd hierbij rekening met deze tariefverschillen.
Voor investeringen in roerende en onroerende goederen geldt nu al een btw-herzieningsregeling. Vanaf 2026 gaat ook een btw-herzieningsregeling gelden voor diensten van minimaal € 30.000 (excl. btw)aan onroerende zaken. Deze investeringsdiensten worden vanaf 2026 gevolgd in het jaar van ingebruikname, plus de vier daaropvolgende jaren. Wijzigt in die periode het gebruik voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties, dan wordt de btw-aftrek op de investeringsdienst herzien.
De btw-herzieningsregeling geldt alleen voor diensten die de onroerende zaak meerjarig dienen, zoals het vernieuwen en onderhouden van onroerende zaken, maar ook aan met een verbouwing samenhangende sloopwerkzaamheden. Ook materialen, installaties, machines en werktuigen die opgaan in een dienst en na installatie of montage hun zelfstandigheid verliezen, worden gezien als onderdeel van de investeringsdienst.
De btw-herzieningsregeling gaat gelden voor investeringsdiensten die vanaf 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Neemt u deze investeringsdiensten dus nog vóór deze datum in gebruik, dan worden ze niet geraakt door de regeling.
Tip! De grens van € 30.000 geldt per dienst.
Na jarenlang zonder handhaving (behalve bij kwaadwilligen), is de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 weer gaan handhaven op schijnzelfstandigheid. Houd er rekening mee dat er vanaf 2026 ook weer boetes opgelegd kunnen worden, ook wanneer er geen sprake is van opzet of kwade trouw. Er is sprake van schijnzelfstandigheid als een zelfstandige (zzp’er) volgens de wettelijke regels eigenlijk in dienst is bij een opdrachtgever. Werkt u met zelfstandigen? Controleer dan goed of deze eigenlijk niet bij u in dienst zouden moeten zijn. Welke afspraken heeft u gemaakt, hoe heeft u dit vastgelegd en sluiten de afspraken ook daadwerkelijk aan bij de praktijk?
Let op! Contractuele afspraken komen niet altijd overeen met hoe in de praktijk wordt gewerkt. De uitvoering van de werkzaamheden in de praktijk is doorslaggevend.
Bent u van plan een woning aan te schaffen die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, bijvoorbeeld een woning voor de verhuur aan uw kind? Wacht – indien mogelijk – hiermee dan tot na 2025. Vanaf 2026 wordt de overdrachtsbelasting voor woningen die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken namelijk verlaagd van 10,4 naar 8%. Dat kan behoorlijk in de portemonnee schelen. Zo bedraagt het voordeel voor een woning met een waarde van € 500.000 bijvoorbeeld al € 12.000.
Binnen de werkkostenregeling betaalt u als werkgever geen belasting als u met uw vergoedingen en verstrekkingen aan uw personeel binnen de vrije ruimte blijft. Deze bedraagt in 2025 2% tot een totale fiscale loonsom van € 400.000 en 1,18% daarboven. Ga na of u nog vrije ruimte over heeft en maak hier gebruik van als u uw personeel extra wilt belonen. Een overschot aan vrije ruimte kunt u namelijk niet meenemen naar 2026. Bent u dga met een bv, dan kunt u zichzelf op deze manier ook een belastingvrije bonus cadeau doen voor zover deze bonus aan de gebruikelijkheidstoets voldoet.
Tip! Tot een totaalbedrag van € 2.400 per werknemer per jaar gaat de Belastingdienst er in beginsel van uit dat voldaan is aan de gebruikelijkheidstoets.
Betaalde bedragen voor de aankoop van een lijfrente zijn, onder voorwaarden, aftrekbaar. Voor degene met een pensioentekort in 2024 bedraagt de fiscale jaarruimte voor de aftrek van lijfrentepremies in 2025 30% van het inkomen (onder meer winst en loon). De maximale jaarruimte bedraagt in 2025 € 35.798. Misschien heeft u ook nog reserveringsruimte uit voorgaande jaren? Dan kunt u daarvan in 2025 maximaal € 42.108 gebruiken. Zorg wel dat u de lijfrentepremies in 2025 betaalt! Alleen dan kunt u deze nog in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting 2025. Bij betaling in 2025 zijn uw banktegoeden op 1 januari 2026 lager en betaalt u over 2026 wellicht ook minder belasting in box 3.
Let op! De betaalde bedragen voor lijfrenten zijn alleen aftrekbaar als sprake is van onvoldoende pensioenopbouw. De fiscale jaarruimte 2025 weerspiegelt dit pensioentekort in 2024.
Laat de termijn voor in het verleden gevormde herinvesteringsreserves (HIR) niet verlopen. Een HIR die u in 2022 gevormd heeft, moet u in principe vóór 31 december 2025 benutten. Doet u dat niet, dan valt de HIR vrij en bent u daarover belasting verschuldigd.
Tip! In bijzondere omstandigheden is soms een langere termijn van herinvesteren mogelijk. Neem voor meer informatie contact op met onze adviseurs..
Let op! Een aantal van de bovengenoemde tips is nog niet definitief en moeten nog door de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer worden goedgekeurd. Daarom overleggen wij graag met u persoonlijk of het verstandig is wel of geen stappen te zetten.

Wat kunt u of moet u als ondernemer, dga, werkgever of particulier aan het einde van 2025 regelen? Wat verandert er per 2026 waar u nu nog op kunt anticiperen? We geven u tien belangrijke tips.
LEES VERDER
Een werknemer had een functie als bedrijfsleider voor bedrijf A, daarnaast werkte hij ook voor bedrijf B. Beide ondernemingen werden aangestuurd door dezelfde eigenaar. De eigenaar had aangegeven te willen stoppen en had de betreffende bedrijfsleider de gelegenheid gegeven een bod te doen op zijn bedrijven. Partijen kwamen er echter niet in onderling overleg uit.
De bedrijfsleider had vervolgens een Whatsapp-bericht geplaatst op 2 april 2025 in een door hem samengestelde Whatsapp-groep. In dat bericht stond dat hij per 14 april 2025 zijn functie niet langer zou uitvoeren, dat hij een staatsgreep zou plegen en dat hij de eigenaar eruit zou trappen.
Hiermee saboteerde de werknemer moedwillig de onderneming met als doel het faillissement. Hij probeerde alle collega’s tegen de eigenaar uit te spelen en stuurde een respectloze en uiterst aanstootgevende tekst aan het gehele bedrijf.
Wat volgde was uiteindelijk een ontslag op staande voet. Wat was voorgevallen rechtvaardigde dat ontslag op staande voet, aldus de werkgever. Volgens de werknemer was het niet zijn bedoeling om de WhatsApp-groep geheim te houden voor de eigenaar. Hij had de eigenaar er buiten gelaten, omdat hij hem niet wilde lastigvallen met dagelijkse beslommeringen.
De kantonrechter vindt het weinig aannemelijk, gelet op de tekst van het bericht, alsmede door de op de zitting afgelegde verklaringen van collega’s, dat het niet de bedoeling was de Whatsapp-groep geheim te houden. Sterker nog, uit deze verklaringen volgt dat er een aanvang was genomen met de uitvoering van de plannen. De werknemer heeft concrete plannen gedeeld en ook uitgevoerd om de eigenaar onder druk te zetten en zoals de werknemer zelf schrijft, de onderneming ‘uit te werken’, met als doel dat hij de onderneming alsnog voor weinig kon overnemen. Dat dit hem uiteindelijk niet is gelukt, kwam doordat de eigenaar zijn plannen ontdekte en niet doordat de werknemer zelf besloot er toch van af te zien.
Van belang is dat de bedrijfsleider een voorbeeldfunctie heeft voor de relatief jonge werknemers in het bedrijf. Hieraan is hij voorbijgegaan. Hij heeft gezorgd voor een ernstige vertrouwensbreuk. Hij was bovendien door de werkgever na diens ontdekking van de plannen en het bericht uitgenodigd voor een gesprek om zijn kant van het verhaal te horen. Hieraan heeft de werknemer geen gevolg gegeven.
Alhoewel een ontslag op staande voet een ernstige maatregel is, is dat gelet op het feitencomplex hier gerechtvaardigd, aldus de rechter. De arbeidsovereenkomst blijft beëindigd en de werknemer heeft geen recht op een transitievergoeding, dan wel een billijke vergoeding.

Dat werknemers zich ongenuanceerd uitlaten over hun werkgever, pakt niet altijd gunstig uit. Zeker als dit gebeurt in een specifieke Whatsapp-groep.
LEES VERDER
Als uw bedrijf belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, kan in twee situaties belastingrente in rekening worden gebracht. Dit is het geval als de aanslag van uw bedrijf niet tijdig kan worden vastgesteld omdat de aangifte te laat is ingediend en in de situatie dat er van de aangifte wordt afgeweken.
Rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 november 2024 uitgesproken dat met een belastingrente van destijds 8% het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Dit beginsel komt er in het kort op neer dat de nadelige gevolgen van een maatregel niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van de maatregel. Volgens de rechtbank is het nadeel van een hoog rentepercentage voor ondernemers onevenredig hoog ten opzichte van de te bereiken doelen van de Belastingdienst, die volgens de rechtbank onduidelijk zijn.
De Hoge Raad heeft in deze zaak ook voor het eerst de mening van derden over deze kwestie gevraagd. Geïnteresseerden konden commentaar geven op het geschil via de site van de Hoge Raad. Hierop zijn 149 reacties ontvangen.
In zijn advies aan de Hoge Raad heeft de A-G aangegeven dat ook naar zijn mening het rentepercentage van 8% te hoog is. Hij is van mening dat het percentage onverbindend is omdat het percentage het rentenadeel voor de Belastingdienst slechts mag compenseren. Het destijds geldende percentage van 8% was in dat opzicht te hoog. Daarnaast voegt hij toe dat met de regeling inzake het hoge rentepercentage het motiverings- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.
De zaak is aangewezen als massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die in soortgelijke geschillen bezwaar maken of hebben gemaakt pas een uitspraak op dit bezwaar krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Met het oordeel van de A-G is de kans vergroot dat ook de Hoge Raad oordeelt dat de berekende belastingrente van 8% te hoog is.

Rechtbank Noord-Nederland heeft vorig jaar in een uitspraak aangegeven dat de destijds geldende 8% belastingrente voor de vennootschapsbelasting in de betreffende zaak te hoog is. Deze zaak ligt nu bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal (A-G) die over deze kwestie advies heeft uitgebracht aan de Hoge Raad, heeft ook aangegeven dat het rentepercentage van 8% destijds naar zijn mening te hoog is.
LEES VERDER
Een rechtbank oordeelde hierover. In die zaak kocht een echtpaar samen een woning. Ze verklaarde in de koopovereenkomst dat ze de woning gingen gebruiken als woonhuis. Na het aanvragen en verkrijgen van een vergunning tot sloop en herbouw van een woning werd de woning gesloopt en werd een vergelijkbare woning gebouwd.
Bij de notariële levering van de (te slopen) woning verzocht het echtpaar om toepassing van de startersvrijstelling welke de notaris ook toepaste. De Belastingdienst was het daar niet mee eens en legde aan beide echtgenoten een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op.
De zaak werd voorgelegd aan een rechtbank die moest beoordelen of de startersvrijstelling kon worden toegepast, ondanks de sloop en herbouw van de woning. De Belastingdienst voerde aan dat dit niet kon omdat niet voldaan werd aan de voorwaarde dat de woning als hoofdverblijf ging dienen. De woning was immers door sloop niet meer aanwezig.
Het echtpaar voerde daarentegen aan dat op de levering van een stuk grond waar een fundering voor een nieuwe woning is aangebracht, ook de startersvrijstelling kan worden toegepast. Datzelfde geldt voor de levering van een onbewoonbaar bouwval dat nagenoeg volledig gerenoveerd moet worden. Zij vonden hun situatie hiermee vergelijkbaar.
De rechtbank was het met het echtpaar eens en oordeelde dat toepassen van de startersvrijstelling in deze situaties in overeenstemming is met het doel en de strekking van de wet. De rechtbank vond dat het daarbij niet uitmaakte dat het echtpaar de woning na verkrijging eerst hadden gesloopt om direct daarna op dezelfde plek een vergelijkbare woning te bouwen. Bovendien bestond er voor de rechtbank geen twijfel dat het echtpaar na voltooiing van de herbouw van de woning deze als hoofdverblijf waren gaan gebruiken.
Let op! Primair is van belang de intentie tot bewoning en de daadwerkelijke vestiging op het adres. Het gaat dus niet om het feitelijk gebruik van het oude huis als hoofdverblijf.
In deze specifieke situatie oordeelde de rechtbank dat de startersvrijstelling kon worden toegepast. Dat wil helaas niet zeggen dat bij elke sloop gevolgd door nieuwbouw dit het geval is. Onduidelijk is bijvoorbeeld of de rechtbank tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen als geen vergelijkbare woning gebouwd was maar een compleet andere woning. Bovendien is op dit moment ook nog niet duidelijk of er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Let op! Voor overleg over uw eigen situatie kunt u altijd contact op nemen met onze adviseurs.
Het Toetsmoment voor de startersvrijstelling is bij de notariële levering van de woning. Als een koper pas ruim twee jaar later daadwerkelijk op het adres staat ingeschreven hoeft dat geen belemmering te zijn voor de startersvrijstelling. Voorwaarde is wel dat zij kunnen laten zien dat de woning vanaf de notariële levering bedoeld is als hoofdverblijf.

U koopt een woning waar u niet gaat wonen. U sloopt de woning en bouwt op dezelfde plek een woning waar u permanent gaat wonen. Kan dan het 2% tarief overdrachtsbelasting of de startersvrijstelling van toepassing zijn op de levering van de eerste woning?
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE