Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.
Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.
Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:

De negatieve inkomensgevolgen in 2025 voor bepaalde deeltijdwerkers worden vanaf 2026 gecompenseerd. Dit is het gevolg van een aanpassing van het Belastingplan 2026 op verzoek van de Tweede Kamer.
LEES VERDER
Als een werknemer geld leent van zijn werkgever, moet de werkgever in principe een zakelijke rente berekenen. Een zakelijke rente is een rente die op het moment van aangaan van de leningsovereenkomst marktconform is. Berekent de werkgever een lagere rente, dan heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.
Let op! De werkgever kan ervoor kiezen om een rentevoordeel van een werknemer aan te wijzen in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Indien en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing. Aanwijzen in de vrije ruimte mag niet als het rentevoordeel betrekking heeft op een lening voor een eigen woning waarvan de rente aftrekbaar is in de inkomstenbelasting.
Als de personeelslening tot box 3 behoort, ontstaat de vraag hoe in dat geval het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst geeft aan dat de werknemer zowel de daadwerkelijk betaalde rente als het rentevoordeel als negatief rendement in aanmerking kan nemen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3.

Hoe moet het werkelijke rendement in box 3 van een personeelslening berekend worden als de rente op die lening onzakelijk laag is?
LEES VERDER
Eind 2024 is een wetsvoorstel aangenomen waarin de BOR en de DSR ab beperkt wordt tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Door deze wijziging zouden alleen nog gewone aandelen kwalificeren. Winstbewijzen, opties op aandelen en zogenaamde trackingstocks zouden dan niet meer voor de BOR en DSR ab in aanmerking komen.
Deze wijziging zou in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. De staatssecretaris heeft echter onlangs laten weten dat het huidige kabinet niet van plan is om die datum bekend te maken. Dit betekent dat de beperking tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5% niet in werking treedt.
Eind 2023 zijn wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Hierdoor zouden kleine aandeelbelangen ̶ ongeacht de grootte, dus ook aandelen in box 3 ̶ in aanmerking komen voor de BOR als een familiegroep een belang heeft van minimaal 25%. Ook zou de verwateringsregeling worden verruimd door de toegang tot de BOR en DSR ab te behouden ook als de aandelenbelangen verwateren over familieleden onder het huidig toegestane percentage van 0,5%.
Deze wijziging zou ook in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. Net als de beperking tot gewone aandelen, is het huidig kabinet ook hiervoor niet van plan om die datum bekend te maken. Ook de wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling treden daarom niet in werking.
De inwerkingtreding van deze wijzigingen in de toegang tot de BOR en DSR ab, de familietoets en de verwateringsregeling waren aan elkaar gekoppeld. Voor al deze wijzigingen geldt dat het huidige kabinet niet van plan is om hier uitvoering aan te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat een volgend kabinet hier nog een ander besluit overneemt.

Een eerder aangenomen beperking van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en doorschuifregeling voor aandelen (DSR ab) tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%, gaat niet door. Ook wijzigingen van de BOR inzake de familietoets bij aandelen en de verwateringsregeling treden niet in werking.
LEES VERDER
In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant, ging het om de vraag of de advieskosten die aan een bv in rekening waren gebracht over het wel of niet toepassen van BOR al dan niet zakelijk waren. De bv vond van wel en had de advieskosten ten laste van de winst gebracht en de hierop drukkende btw in aftrek gebracht op de af te dragen btw. De inspecteur was het hiermee niet eens, waarna de zaak voor de rechter kwam.
In deze zaak had de grootaandeelhouder van een miljoenenbedrijf besloten om een deel van de aandelen aan zijn kinderen te schenken. Volgens hem zou het mogelijk verdwijnen van de BOR betekenen dat de verkrijgers van de aandelen de te betalen belasting zouden moeten voldoen door middel van winstuitkeringen uit de bv. Volgens de schenker zou dit de continuïteit van het bedrijf in gevaar brengen en was er dus sprake van een zakelijk belang om hierover advies in te winnen, wat hij dus ook had gedaan.
Volgens de rechtbank was er echter geen sprake van een zakelijk belang. De advieskosten waren gemaakt ter bevrediging van een persoonlijke behoefte, namelijk het beperken van het betalen van belasting door de verkrijgers van de aandelen.
Volgens de rechtbank was ook van belang dat via de aandelen het bedrijf slechts gedeeltelijk aan de kinderen werd overgedragen en dat de zeggenschap over de bv door middel van preferente aandelen bij de schenker bleef. Bovendien kwam, gelet op de vermogens- en winstpositie van de bv, de continuïteit niet in gevaar als de BOR niet langer van toepassing zou zijn geweest.
De schenker voerde nog aan dat bij verkoop van het bedrijf aan een derde, de advieskosten wel aftrekbaar zouden zijn en deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank ging hier echter niet in mee en stelde dat er in die situatie geen sprake was van gelijke gevallen.
De advieskosten konden dan ook niet ten laste van de winst worden gebracht. Evenmin was de btw aftrekbaar.

Stel, je wint advies in over de ontwikkelingen van de bedrijfsopvolgingsregeling, de BOR, omdat je op basis van die informatie wel of geen bedrijfsaandelen schenkt. Zijn die advieskosten dan zakelijk en dus fiscaal aftrekbaar van de winst? En hoe zit het met de btw over deze advieskosten? Een casus.
LEES VERDER
Als een werknemer van een buitenlands concernonderdeel in Nederland komt werken, kan het zijn dat het buitenlandse concernonderdeel als formele werkgever in Nederland inhoudingsplichtig is. Een Nederlands concernonderdeel kan dan, op verzoek, de loonheffingen inhouden en afdragen.
Voor de verleggingsregeling is een gezamenlijk verzoek nodig van het Nederlandse én het buitenlandse concernonderdeel. In dit verzoek moeten onder meer de NAW-gegevens, het loonheffingsnummer van het Nederlandse én (voor zover aanwezig) het buitenlandse concernonderdeel worden opgenomen. Verder moet het verzoek de gewenste ingangsdatum van de beschikking voor de verleggingsregeling bevatten.
Let op! U kunt om een algemene beschikking, maar ook om een beschikking voor een of meer specifieke werknemers verzoeken. In het laatste geval moet u ook de NAW-gegevens en het BSN van de werknemer(s) in het verzoek opnemen.
Nieuw in de versie van het Handboek Loonheffingen van oktober 2025 is de voorwaarde dat u bij het gezamenlijk verzoek ook een gezamenlijk ondertekende verklaring voegt. In deze verklaring moeten het Nederlandse én het buitenlandse concernonderdeel beiden akkoord gaan met het verleggen van de inhoudingsplicht.
Het Nederlandse concernonderdeel moet verder verklaren dat het alle verplichtingen die samenhangen met de verleggingsregeling volledig en zonder voorbehoud zal nakomen. Tot slot moet het buitenlandse concernonderdeel verklaren dat het alle gegevens verstrekt die nodig zijn voor het vaststellen van het in Nederland belastbare loon van de werknemer(s).
Tip! Het is mogelijk om voor meerdere buitenlandse concernonderdelen tegelijk een verzoek in te dienen.

Een Nederlands concernonderdeel kan onder voorwaarden de inhoudingsverplichtingen van een buitenlands concernonderdeel overnemen. Dit heet de verleggingsregeling voor inhouding van loonheffingen. De Belastingdienst voegt in de nieuwste versie van het Handboek Loonheffingen (oktober 2025) een nieuwe voorwaarde toe.
LEES VERDER
Uw vrije ruimte bedraagt in 2025 2% van uw totale fiscale loonsom tot € 400.000 en 1,18% daarboven. In beginsel kunt u alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u doet aan werknemers aanwijzen in de vrije ruimte. De werknemer betaalt dan geen loonbelasting. U betaalt alleen een eindheffing van 80% voor zover het totaal van aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen hoger is dan uw vrije ruimte.
U kunt niet alles aanwijzen in de vrije ruimte. Bepaalde zaken moet u verplicht bij uw werknemer belasten. Dit geldt bijvoorbeeld voor een auto van de zaak of het rentevoordeel van een personeelslening voor een eigen woning waarvan de rente aftrekbaar is in de inkomstenbelasting.
Daarnaast mag u alleen die zaken aanwijzen in de vrije ruimte die voldoen aan de gebruikelijkheidseis. De Belastingdienst verduidelijkt dit in een nieuwe versie van het Handboek Loonheffingen van oktober 2025.
U voldoet aan de gebruikelijkheidseis als de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet meer dan 30% afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. De Belastingdienst verduidelijkt waar u dan in ieder geval naar moet kijken, te weten:
Let op! Voldoet u niet aan de gebruikelijkheidseis? Dan mag u het deel van de vergoeding, verstrekking of ter beschikkingstelling dat niet meer dan 30% afwijkt wel in de vrije ruimte aanwijzen. Het bedrag boven deze 30%-grens moet u dan echter individueel belasten bij de werknemer.
De beoordeling of iets voldoet aan de gebruikelijkheidseis is niet altijd eenvoudig. Om discussie over elke euro met de Belastingdienst te voorkomen, kunt u gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge van € 2.400. Tot een bedrag van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst de zaken namelijk in alle redelijkheid als gebruikelijk. In alle redelijkheid betekent dat het loon van de werknemer bijvoorbeeld niet lager mag worden dan het wettelijk minimumloon of bij een stagiair.
Tip! Bepaalde vergoedingen, verstrekking en terbeschikkingstellingen zijn gericht vrijgesteld of op nihil gewaardeerd. Deze zaken verlagen uw vrije ruimte dan niet.

De Belastingdienst heeft in oktober 2025 een nieuwe versie van het Handboek Loonheffingen uitgebracht. In een aantal hoofdstukken verduidelijkt de Belastingdienst dat u alleen vergoedingen en verstrekkingen in de vrije ruimte kunt onderbrengen als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidseis.
LEES VERDER
Voor het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode van in beginsel 104 weken – aangeduid met de term wachttijd – bepaalt het UWV of een werkgever voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer. Dit staat bekend als de poortwachtertoets of de toets op de re-integratie inspanningen (RIV-toets). Als het UWV van mening is dat er onvoldoende is gedaan aan de re-integratie kan het UWV een loonsanctie opleggen bestaande uit een verlenging van de loondoorbetaling met standaard 52 weken.
Op dit moment kan een loonsanctie worden opgelegd omdat bedrijfsarts en verzekeringsarts verschillend dachten over de inzetbaarheid van een werknemer. Dit terwijl de werkgever in goed vertrouwen is afgegaan op het oordeel van de bedrijfsarts. Om die onzekerheid weg te nemen wordt voorgesteld het advies van de bedrijfsarts leiden te maken bij de poortwachtertoets.
Normaal gesproken moet een voorschot worden terugbetaald als dit ten onrechte is verleend omdat er geen of een korter recht bestond op een WW- dan wel WIA-uitkering. Het is inmiddels al enige jaren buitenwettelijk beleid dat voorschotten in deze situatie niet hoeven te worden terugbetaald. Dit beleid wil het kabinet definitief maken met het onderstaande voorstel.
De wijze van financiering van WIA-voorschotten wijzigt. De voorschotten worden betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) dat gevoed wordt door de basispremie WAO/WIA die iedere werkgever betaalt. Nadat is beoordeeld of er recht bestaat op de uitkering, worden de kosten op de juiste plek geboekt. Als een voorschot wordt kwijtgescholden, blijft dat ten laste van het Aof komen.
Let op! Volgt er te zijner tijd toekenning van een WW- dan wel WIA-uitkering, dan worden de betaalde voorschotten uiteraard wel verrekend.
Wajongers behouden hun uitkering als zij werken in een beschutte werkplaats, onafgebroken vijf jaar hebben gewerkt en daarna met dat werk voldoende verdienen. Dit geldt ook voor mensen met een Wajong-uitkering voor wie de werkgever loonkostensubsidie of loondispensatie krijgt.
Tot en met 17 november 2025 kan er worden meegedacht over deze voorstellen in een internetconsultatie.

Zoals bekend loopt het UWV vast in de uitvoering van de WIA. Reden waarom het kabinet op zoek is naar manieren om de uitvoering van de WIA te vereenvoudigen. Als leidraad daarbij dienen de aanbevelingen uit het vorig jaar verschenen rapport van de afhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS). Het kabinet is gestart met een internetconsultatie over twee voorgenomen vereenvoudigingen.
LEES VERDER
De Belastingdienst gaat nader in op deze situatie aan de hand van een casus. Tussen het kantoor van een werkgever en de parkeerplaatsen bevindt zich een openbare ruimte. Ook derden kunnen van de parkeergelegenheid gebruik maken. Parkeren daar kost € 16 per dag.
De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat parkeren tijdens een vakantie in deze situatie belast is. De parkeerruimte bevindt zich namelijk niet op de werkplek en kan dus ook niet aangemerkt worden als een voorziening op de werkplek.
Er is ook geen sprake van een nihilwaardering, omdat er sprake is van een substantieel voordeel en dit wordt maatschappelijke gezien ook als loon wordt ervaren. Het gelegenheid geven tot parkeren is bovendien in de omschreven situatie, tijdens een vakantie, niet in het belang van het arbeids- of bedrijfsproces.
Het Handboek Loonheffingen hanteert echter een ruimere uitleg en stelt dat het parkeren onbelast is, als de werknemer de werkgever met succes aansprakelijk kan stellen. De Belastingdienst is van mening dat werkgevers hieraan het vertrouwen kunnen ontlenen dat parkeren onder genoemde omstandigheden onbelast is. Het Handboek zal op dit punt wel worden aangepast.
Vanwege deze onduidelijkheid hanteert de Belastingdienst daarom een overgangsperiode voor werkgevers die vóór het onderhavige standpunt van de Belastingdienst, dus vóór 9 oktober 2025, op basis van de tekst van het Handboek 2025 parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek ter beschikking hebben gesteld aan hun werknemers. Tot de datum van publicatie van het Handboek 2026 blijft in die gevallen het parkeren onbelast.
Tip! Zorg ervoor dat u in soortgelijke omstandigheden inspeelt op de aanstaande wijziging. Uw werknemer zal vanaf de wijziging belasting moeten betalen over het voordeel. U kunt dit voordeel uiteraard ook bruteren of onderbrengen in de werkkostenregeling als dit voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium.

Werkgevers die over voldoende parkeerruimte in de omgeving van het bedrijf beschikken, stellen hun werknemers soms in staat om bijvoorbeeld tijdens de vakantie hun auto daar te stallen. Is dergelijke parkeerruimte, dus niet op het bedrijfsterrein zelf, dan belast of niet?
LEES VERDER
Twee kinderen krijgen in 2017 een schenking van hun moeder van € 100.000 voor de eigen woning. Destijds gold daar nog een vrijstelling voor de schenkbelasting voor, de zogenaamde jubelton. Vlak na de schenking van hun moeder krijgen ze ook allebei nog een schenking van een ander van € 100.000. Dit is een zakenrelatie van hun vader. De moeder schenkt vervolgens ook aan de vier kinderen van de zakenrelatie elk € 50.000.
De kinderen willen zowel op de schenking van hun moeder als op de schenking van de ander de vrijstelling voor de schenkbelasting voor de eigen woning toepassen. De Belastingdienst staat dat niet toe. Ook de rechtbank en het gerechtshof staan dit niet toe.
Uiteindelijk komt de zaak bij de Hoge Raad, die ook de vrijstelling op de schenking van de ander niet toestaat. De Hoge Raad oordeelt dat de kruislingse schenkingen zo op elkaar afgestemd zijn dat sprake is van wetsontduiking (fraus legis). Van belang voor dit oordeel is onder meer dat de kruislings geschonken bedragen min of meer gelijk waren en kort na elkaar werden gedaan.
Nu de hoge vrijstelling schenkbelasting voor de eigen woning is afgeschaft, is het belang van kruislings schenken beperkter dan voorheen. Overweegt u toch afspraken met anderen te maken over het wederzijds schenken aan elkaars kinderen, wees dan gewaarschuwd door het oordeel van de Hoge Raad in de hiervoor beschreven zaak.

Twee kinderen die elk van hun moeder € 100.000 en van een ander ook € 100.000 kregen, konden daarvan niet zo profiteren als gehoopt. De Hoge Raad stond maar één keer de toenmalige vrijstelling schenkbelasting eigen woning toe.
LEES VERDER
Een Nederlands transportbedrijf (bedrijf A) maakt sinds 2013 gebruik van chauffeurs die in dienst zijn van een bedrijf in Cyprus (bedrijf B). Bedrijf A doet om die reden geen aangifte loonheffingen meer in Nederland.
De Belastingdienst is van oordeel dat dit onterecht is, omdat sprake is van een schijnconstructie (Cyprusconstructie) en bedrijf A feitelijk de werkgever is van de chauffeurs. De Belastingdienst merkt bedrijf A met terugwerkende kracht aan als inhoudingsplichtige. Omdat bedrijf A vanaf dat moment wel aangiften doet, maar deze niet betaalt, legt de Belastingdienst naheffingsaanslagen op met vergrijpboeten wegens primair opzet en subsidiair grove schuld. Vervolgens wordt hierover geprocedeerd.
De rechtbank schaart zich achter het standpunt van de Belastingdienst. Vervolgens gaat het bedrijf in hoger beroep.
Het gerechtshof is van oordeel dat de chauffeurs op basis van payrolling door bedrijf B aan bedrijf A ter beschikking zijn gesteld. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dienstbetrekking tussen bedrijf A en de chauffeurs. Het is inherent aan driehoeksrelaties, zoals bij uitzending en payrolling, dat het gezag wordt uitgeoefend door de inlenende werkgever, dus door bedrijf A. Het gerechtshof is van oordeel dat deze gestelde feitelijke gang van zaken past in de figuur van payrolling (en van uitzending in het algemeen) dat de inlener (bedrijf A) beslist of hij de inlening van werknemers wil voortzetten. Het is dan aan de uitlener/payroller (bedrijf B) om te beslissen welke gevolgen dat heeft voor de arbeidsrelatie tussen de uitlener en de werknemer; de inlener staat daarbuiten.
Het is op zich ongebruikelijk dat de payrollovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd, maar dat legt onvoldoende gewicht in de schaal om te constateren dat er geen sprake is van een dergelijke overeenkomst, aldus het gerechtshof.
Ook niet van belang is dat bedrijf B in diverse andere procedures (met StiPP, de SVB, en de Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg) heeft ontkend een uitzendbureau, dan wel een payrollorganisatie te zijn.
Het resultaat is dan ook dat het gerechtshof alle opgelegde naheffingsaanslagen en boeten vernietigt.

Bij een payrollconstructie is van belang na te gaan bij wie de werknemers feitelijk in dienst zijn. Dat kan bij een dergelijke constructie complex zijn. Dit speelde ook in de zogenaamde Cyprusroute.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE