Met de SDE++ regeling worden grootschalige duurzame energieprojecten gesubsidieerd. De subsidie is gericht op projecten die duurzame energie produceren of de uitstoot van broeikasgassen verminderen.
Dat een goede voorbereiding van de aanvraag noodzakelijk is, blijkt uit de cijfers. Zo is vorig jaar twee derde van alle aanvragen afgewezen, omdat deze niet aan de voorwaarden voldeden. RVO, de uitvoerder van de subsidie, geeft aan dat in een aantal gevallen bijvoorbeeld de vereiste vergunningen ontbraken.
Volgens RVO verdubbelde vorig jaar het aantal goedgekeurde aanvragen voor lucht-water-warmtepompen ten opzichte van het jaar ervoor. Verder ging ongeveer een derde van alle subsidies naar de afvang en opvang van CO2. Voor zonnepanelen en windmolens werd vorig jaar juist minder SDE++ aangevraagd.
RVO maakt ook bekend dat voor zonprojecten de eisen dit jaar strenger zijn. Zo moet aangetoond worden dat het bedrijf een goede kans maakt op aansluiting op het elektriciteitsnet. Dit moet blijken uit een verklaring van de netbeheerder. Omdat op veel plaatsen het elektriciteitsnet overbelast is, wordt een dergelijke verklaring minder snel afgegeven.
RVO geeft ook aan dat per 2027 een vereenvoudiging tegemoet kan worden gezien. Voor bepaalde subsidiabele zaken is dan geen vergunning meer nodig, maar een 'verklaring van vergunbaarheid'. Hierdoor wordt tijd bespaard, is de kans groter dat een aanvraag wordt goedgekeurd en kan een project sneller worden gestart. In 2026 zijn vergunningen nog wel vereist.
Ook is bekend gemaakt dat voor de subsidieregeling in ieder geval tot 2032 jaarlijks €8 miljard euro subsidie beschikbaar is. Op die manier kan geïnvesteerd blijven worden in projecten die positief uitwerken op het klimaat en het milieu.
Let op! Je kunt de SDE++ aanvragen van 27 oktober 2026 9.00 uur tot en met 26 november 2026 17.00 uur. Heb je vragen, dan kun je nu al een kosteloos adviesgesprek aanvragen bij RVO. Dit kan naar wens telefonisch, per mail, online of bij RVO op kantoor.

Ondernemers kunnen de SDE++ subsidie dit jaar later aanvragen dan gepland. De aanvraagperiode zou op 22 september 2026 van start gaan, maar dit is verschoven naar 27 oktober 2026. Aanvragen kunnen op deze manier beter worden voorbereid.
LEES VERDER
Bpm betaal je als je een nieuwe auto koopt of een auto importeert. Bij een nieuwe auto gaat het betalen van bpm meestal via de dealer. Importeer je zelf een auto, dan moet je zelf aangifte doen en de bpm betalen. Als je aangifte binnen is bij de Belastingdienst, krijg je bericht of en hoeveel bpm je moet betalen. Na de betaling krijgt de rdw bericht dat ze het kenteken kunnen afgeven.
Autohandelaren die regelmatig aangifte bpm moeten doen, kunnen de belasting ook per tijdvak betalen. Betaling van de bpm moet dan plaatsvinden binnen een maand na het einde van elk tijdvak.
Ook in bovenvermelde rechtszaak was hiervan sprake. De betreffende onderneemster had in 2021 over twee tijdvakken aangifte gedaan van de verschuldigde bpm, maar de bedragen niet meteen betaald. Wel had de vrouw bezwaar gemaakt tegen haar aangiftes, maar de Belastingdienst had deze niet-ontvankelijk verklaard omdat de belasting niet betaald was. Na deze uitspraak van de Belastingdienst had de vrouw de bpm alsnog betaald, maar toen was de betaaltermijn (één maand na het einde van het tijdvak) al verstreken.
De betaling buiten de termijn brak de vrouw uiteindelijk op. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2010 volgt namelijk dat een bezwaarschrift dat vóór de betaling is ingediend alsnog ontvankelijk is als die betaling daarna nog binnen de betaaltermijn plaatsvindt. Nu de vrouw buiten de betaaltermijn had betaald, was haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De vrouw stelde nog dat uit eerdere rechtspraak zou zijn af te leiden dat de bpm geacht werd te zijn betaald bij het doen van de aangifte. Dat de bpm daadwerkelijk pas later werd betaald, deed volgens haar niet ter zake. De Hoge Raad stelde echter dat dit niet uit de betreffende uitspraak kon worden afgeleid.
De Hoge Raad voegde nog toe dat de Belastingdienst met zijn uitspraak op bezwaar ook niet hoeft te wachten totdat de betaling, na het verstrijken van de betaaltermijn, alsnog volgt.
Let op! Wil je bezwaar maken tegen de bpm, zorg dan dat je eerst de bpm betaalt en dan pas bezwaar indient. Betaal wel binnen de betaaltermijn en zorg dat je bezwaarschrift binnen zes weken daarna bij de Belastingdienst binnen is.

Als je aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) moet doen en afdragen, kun je in bezwaar als het er niet mee eens bent. Maar het bezwaar is alleen ontvankelijk als je de verschuldigde bpm ook daadwerkelijk betaalt binnen de betaaltermijn. Tot deze conclusie kwam de Hoge Raad in een zaak waarbij bezwaar tegen de verschuldigde bpm was gemaakt, voordat die belasting betaald was.
LEES VERDER
Voor woningen die je voor langere tijd als hoofdverblijf gaat bewonen geldt een verlaagd tarief van 2% of een vrijstelling. Ga je de woning niet als hoofdverblijf bewonen, dan geldt voor de woning een tarief van 8%. Voor andere panden, zoals winkels en bedrijfspanden, geldt een tarief van 10,4%. Voor de hoogte van het tarief is dus van belang wanneer is sprake is van een woning.
Tijdens de wetsbehandeling is aan de orde geweest dat een pand bij de juridische overdracht naar zijn aard bestemd moet zijn als woning om ook als zodanig te worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft bepaald dat daarbij van belang is waarvoor het pand oorspronkelijk is gebouwd. Is een woning verbouwd voor een andere vorm van gebruik, dan blijft het naar zijn aard alleen een woning, als er maar beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken.
Bovenstaande uitgangspunten stonden centraal in een zaak die zich afspeelde voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een belastingplichtige had een pand gekocht dat bestond uit een voormalige woning, die was samengevoegd met een school, die op zijn beurt weer was verbouwd tot buurthuis met gymzalen. Om te bepalen welk tarief overdrachtsbelasting van toepassing was, diende de rechtbank te bepalen of er al dan niet sprake was van een woning.
De rechtbank stelde vast dat de bewijslast in dit soort geschillen bij de belastingplichtige ligt. Die moest in deze zaak aannemelijk maken dat de panden oorspronkelijk gebouwd waren als woning en ook hun aard als woning hadden behouden.
Uit onder meer bouwtekeningen bleek dat het pand door de verbouwingen tot dorpshuis met sportzaal zonder aanpassingen naar zijn aard niet meer bestemd was als woning. Dat het pand nog wel voor bewoning gebruikt kon worden, deed niet ter zake.
Ook was één van de panden oorspronkelijk bestemd voor ander gebruik dan als woning. Dit pand was groter dan het andere. Met de samenvoeging van beide panden in het verleden was het geheel niet meer aan te merken als ‘oorspronkelijk gebouwd als woning’. Hierdoor was de aard als woning definitief verloren gegaan. Of er slechts beperkte aanpassingen nodig zouden zijn om het pand weer voor bewoning geschikt te maken, deed daardoor niet meer ter zake.
Al met al lukte het de koper dus niet om aannemelijk te maken dat het pand naar zijn aard bestemd was tot bewoning. Gevolg was dat het hoge tarief overdrachtsbelasting in plaats van 2% van toepassing was.

Als je een bestaand pand koopt, moet je meestal overdrachtsbelasting betalen. Het tarief is onder meer afhankelijk van de vraag of sprake is van een woning of niet.
LEES VERDER
Het verbod op uitzendkrachten zal van toepassing zijn voor bedrijven die de volgende activiteiten verrichten: slachten, verwerken, koelen en invriezen van vlees. Voor functies die niet direct samenhangen met de primaire vleesproductie zoals verkoopmedewerkers, of administratief personeel mogen straks nog wel uitzendkrachten worden ingezet.
Let op! Kleine bedrijven die minder dan 20 mensen inzetten vallen niet onder het verbod. Voor de grens van 20 mensen gaat het om het totaal van werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst voor het bedrijf werken en de uitzendkrachten.
Al tijdens een parlementair onderzoek in 2011 is gebleken dat er sprake was van malafide praktijken in de vleesverwerkende industrie. Die misstanden die vooral arbeidsmigranten betreffen omdat die relatief veel in deze sector werken, zijn blijven voortduren. Het gaat dan om zaken als intimidatie, ontslag tijdens ziekte en onderbetaling. De Arbeidsinspectie heeft geconcludeerd dat bij de inzet van uitzendkrachten twee keer zo vaak sprake is van een overtreding van de arbeidswetten.
De vleessector is te weinig actief geweest waar het gaat om het aanpakken van de geconstateerde misstanden. Om die reden gaat de minister ingegrepen.
Het kabinet verwijst naar de in Duitsland opgedane ervaringen, waar een vergelijkbaar verbod eerder is ingevoerd. Volgens het ministerie heeft dat daar bijgedragen aan minder arbeidsongevallen, betere naleving van arbeidsvoorwaarden en meer verantwoordelijkheid van werkgevers voor hun eigen personeel.
Het verbod moet ingaan op 1 maart 2028. Voor bestaande dienstverbanden gaat een overgangstermijn gelden tot 1 juni 2028. Dit betekent dat per 1 juni het uitzendverbod in de vleesketen dus volledig van kracht is. Bedrijven hebben nu dus nog 23 maanden de tijd om zich voor te bereiden.
Let op! De Arbeidsinspectie gaat toezien op de naleving van het verbod.
Over dit wetsvoorstel staat een internetconsultatie open van 3 juli 2026 tot en met 28 augustus 2026.

Vanwege de vele geconstateerde misstanden gaat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de vleessector per 1 maart 2028 verbieden om nog met uitzendkrachten te werken. Er werken relatief veel arbeidsmigranten in de vleessector.
LEES VERDER
Een inwoner van Nederland woonde en werkte meer dan 17 jaar in Duitsland. Hij was gedurende die tijd verplicht verzekerd voor de Deutsche Rentenversicherung (een Duits pensioen). Van de premies die hij voor dit Duitse pensioen betaalde was 45 procent aftrekbaar in Duitsland.
In 2018 woonde hij het hele jaar in Nederland en ontving hij uitkeringen uit het Duitse pensioen. De Belastingdienst belaste het volledige bedrag van de uitkeringen.
De belastingplichtige vond dat niet terecht en stelde dat Nederland slechts mocht heffen over 45% van de uitkeringen omdat destijds ook maar 45% van de premies aftrekbaar waren in Duitsland. Het gerechtshof volgde hem in dit standpunt en belaste alleen 45% van de uitkeringen en de andere 55% niet.
De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. De uitkeringen waren dus slecht belast voor zover de premies aftrekbaar waren geweest.

Het in Duitsland opgebouwde pensioen van een inwoner van Nederland mocht volgens de Hoge Raad niet geheel door Nederland belast worden. Wat speelde hier?
LEES VERDER
De Verlofwet moet zorgen voor een eenvoudiger systeem van verlofvormen. Het betreft een administratieve vereenvoudiging. Dit betekent dat voorwaarden en kenmerken zo veel mogelijk gelijk worden getrokken. Bestaande rechten, zoals de verlofduur en betalingshoogte, blijven zoveel mogelijk gelijk. De Wazo wordt met dit wetsvoorstel geheel herschreven en geherstructureerd.
Let op! Gekozen is voor de nieuwe naam Verlofwet omdat deze beter aansluit bij de inhoud van de wet. Het past ook beter dan de naam “Wet arbeid en zorg”, omdat niet alle regelingen gaan om het verlenen van zorg. Zo regelt de nieuwe wet niet het vakantie- of ziekteverlof.
De verlofregelingen in het wetsvoorstel zijn ingedeeld in drie pijlers:
Let op! Bij zelfstandigen wordt straks gekeken naar het inkomen van de zelfstandige (de winst) in plaats van naar het aantal gewerkte uren, omdat dit een representatiever criterium is.
Er komt één regeling waarbij het kort- en het langdurend zorgverlof wordt samengevoegd tot een verlof van in totaal acht weken. Hierbij blijven de eerste twee weken betaald tegen 70% van het loon en de overige zes weken onbetaald. De regeling wordt door de samenvoeging breder inzetbaar. Het zorgverlof kan straks ook gebruikt worden voor hulp aan naasten (bijvoorbeeld mantelzorg) en palliatieve zorg.
Het calamiteiten- en kortverzuimverlof wordt opgenomen in het kortverzuimverlof. Voor het overige wijzigt er niets.
Werkgevers moeten voortaan een werknemer tijdens het verlof met recht op uitkering voorzien van een loon vervangende betaling. Dit vraagt financiële ruimte bij de werkgever. Om werkgevers tegemoet te komen wordt het mogelijk alle uitkeringen vooraf bij het UWV aan te vragen. Hiermee is de periode tussen de loon vervangende betaling en de uitbetaling van de uitkering door UWV zo kort mogelijk.
Ook moeten werkgevers een inschatting maken van het dagloon. Dit kunnen ze doen door te kijken naar het SV-loon (sociale verzekeringsloon) van de werknemer in de referteperiode. Op die manier kan zo dicht mogelijk bij het dagloon worden aangesloten.
Let op! De internetconsultatie loopt van 29 juni 2026 tot en met 10 augustus 2026. Het nieuwe verlofstelsel zou op 1 januari 2028 moeten ingaan.

Het kabinet wil de huidige wet Arbeid en zorg (Wazo) vervangen door de Verlofwet. Het wetsvoorstel hiervoor is ter internetconsultatie aangeboden.
LEES VERDER
De invoering van het rechtsvermoeden betekent niet dat elke opdrachtnemer die werkt tegen een uurtarief onder € 38 automatisch in dienstbetrekking is bij de opdrachtgever. Het betekent wel dat het vermoeden van een dienstbetrekking wordt aangenomen. De opdrachtnemer kan daar een beroep op doen, maar de opdrachtgever heeft de mogelijkheid om aan te tonen dat niet sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Lukt het de opdrachtgever niet om dit aan te tonen, dan heeft de opdrachtnemer recht op alle bescherming die het arbeidsrecht biedt. Denk daarbij aan doorbetaling bij vakanties en ziektes en ontslagbescherming
De opdrachtwerknemer kan een beroep doen op het rechtsvermoeden, maar het heeft alleen civielrechtelijke werking. Dat betekent dat het UWV, de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie dit rechtsvermoeden niet gaan toetsen. Zij houden hun eigen onderzoeksplicht op basis van de elementen arbeid, loon en gezagsverhouding.
Het rechtsvermoeden treedt op 31 december 2026 meteen in werking. Heb je een opdrachtnemer die al voor 31 december 2026 werkzaamheden voor je verricht tegen een uurtarief onder € 38? En doet die opdrachtnemer dat vanaf 31 december 2026 nog steeds? Dan bestaat vanaf 31 december 2026 het vermoeden dat deze opdrachtnemer in dienstbetrekking bij je werkt.

Het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een uurtarief onder € 38 treedt op 31 december 2026 in werking. Wat betekent dit voor jou als opdrachtgever of opdrachtnemer?
LEES VERDER
Om de positie van platformwerkers te verbeteren, is in 2024 een Europese richtlijn vastgesteld. Bij platformwerk gaat het om werk dat via een digitaal arbeidsplatform wordt georganiseerd, waarbij de contractvorm (werknemer of zelfstandige) niet van belang is. Een digitaal platform is een dienstverlener die via elektronische middelen werk organiseert, opdrachten verdeelt en gebruikmaakt van geautomatiseerde monitorings- of besluitvormingssystemen. Voorbeelden hiervan zijn Uber en Temper.
De richtlijn beoogt de arbeidsomstandigheden en de bescherming van persoonsgegevens bij platformwerk te verbeteren door:
De richtlijn wordt zo precies mogelijk overgenomen in het wetsvoorstel Wet platformwerk.
Om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken, regelt het wetsvoorstel onder meer de introductie van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor personen die platformwerk verrichten. Hiervan is sprake als aan tenminste twee van de vijf criteria wordt voldaan:
Platformbedrijven moeten zich straks registreren. Ze worden daarnaast verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van werkers. Verder moeten ze een rechtsreeks communicatiekanaal openstellen voor contact met werkers. Verder mag een werkende straks niet langer ontslagen worden via de app.
Ook zijn in het wetsvoorstel afspraken gemaakt over het gebruik van algoritmes. Zo krijgen platformwerkers inzage in de wijze waarop algoritmes de prijs van een opdracht bepalen en de klussen verdelen.
Let op!Het wetsvoorstel ligt ter internetconsultatie welke loopt van 29 juni 2026 tot en met 24 augustus 2026.

Het wetsvoorstel Wet platformwerk, voorgekomen uit een in 2024 vastgestelde Europese richtlijn, zorgt voor een gelijker speelveld voor digitale arbeidsplatformen in Europa. Tegelijkertijd krijgen de mensen die werken via zo’n platform betere arbeidsvoorwaarden.
LEES VERDER
De bpm betaal je onder meer als je een nieuwe auto koopt of een (gebruikte) auto importeert. Bij een nieuwe auto gaat het betalen van bpm in principe via de dealer. Importeer je zelf een (gebruikte) auto, dan moet je zelf bpm-aangifte doen en de bpm betalen.
De Belastingdienst gaat extra controle uitvoeren, waarschijnlijk als reactie op pogingen de te betalen bpm bij import van gebruikte auto’s zoveel mogelijk te drukken. Zo blijkt uit gepubliceerde rechtspraak dat in de praktijk vaak wordt geprobeerd om niet-bestaande schades op te voeren of schades te overdrijven, om zo de waarde van de auto voor de bpm te verminderen.
Bij import van een gebruikte auto of motor, krijg je korting op de te betalen bpm. De korting kan op drie manieren berekend worden. Dit kan met een forfaitaire tabel, een koerslijst of met behulp van een taxatierapport. De laatste methode is er alleen voor voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en voertuigen die niet in een koerslijst voorkomen. Deze laatste methode kan op extra aandacht van de Belastingdienst rekenen.
Voor het gebruik van een taxatierapport gelden tal van voorwaarden. Zo moet het taxatierapport onder andere afkomstig zijn van een onafhankelijke, erkende taxateur en moet een taxateur verklaren dat hij de waarde naar waarheid heeft vastgesteld na een grondige fysieke opname van het voertuig.
Tip! Zorg ervoor dat je taxatierapport voldoet aan alle wettelijke eisen, om oponthoud te voorkomen. Op de website van de Belastingdienst vind je de voorwaarden in het kort.
De extra controle betekent dat de Belastingdienst kan vragen het voertuig aan hen te laten zien. Je bent hiertoe dan verplicht. Op die manier kan de Belastingdienst controleren of de aangegeven schade wel klopt. Ook kan de Belastingdienst controleren of het moment van taxatie binnen één maand voor de afronding van de RDW-keuring heeft plaatsgevonden. Zo niet, dan is het taxatierapport niet geldig.

Doe je binnenkort bpm-aangifte (belasting van personenauto's en motorrijwielen) voor een gebruikt voertuig met behulp van een taxatierapport? Dan kun je rekenen op extra controles door de Belastingdienst.
LEES VERDER
Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen door de Wet meer zekerheid flexwerkers per 1 januari 2028 meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. Het uitgangspunt wordt dat tijdelijke contracten bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na drie tijdelijke contracten mag er pas na drie jaar weer voor dezelfde werkgever worden gewerkt. Nu is die tussenperiode nog zes maanden. Op die manier wordt beoogd een einde te maken aan draaideurconstructies.
Let op! Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos zes maanden. Daarnaast blijft voor seizoensarbeid een onderbrekingstermijn van drie maanden mogelijk.
Ook mogen als uitgangspunt geen nulurencontracten meer worden overeengekomen. Die moeten vervangen worden door bandbreedte contracten. Het verschil tussen het minimum- en het maximumaantal uren mag maximaal 30% bedragen. Oproepen die boven het maximum zitten mag de werknemer weigeren en bij structureel meer werk moet de werkgever een contract met meer uren aanbieden.
Let op! Voor bijbanen van AOW-gerechtigden, scholieren en studenten met een andere hoofdactiviteit geldt een uitzondering.
Uitzendkrachten moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit onderdeel treedt eerder in werking, namelijk op 31 december 2026.
De wet betreft een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is de tweede wet van het arbeidsmarktpakket die is aangenomen. Eerder is de wet Invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief al aangenomen.

De Eerste Kamer heeft op 7 juli 2026 ingestemd met het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers. De wet treedt per 1 januari 2028 in werking.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE