Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget is voor 2025 bepaald dat geen recht op deze toeslagen bestaat als de ontvanger ervan meer dan € 141.896 aan vermogen bezit. Heeft de ontvanger een toeslagpartner, dan mag het gezamenlijke vermogen niet meer zijn dan € 179.429. Voor de huurtoeslag geldt een maximaal vermogen van € 37.395, met een partner geldt een maximum van € 74.790. Genoemde maxima worden jaarlijks geïndexeerd.
Op de vermogenstoets geldt voor een aantal vermogensbestanddelen een uitzondering, vanuit de gedachte dat het niet rechtvaardig zou zijn als het bezit van dergelijk vermogen aan een toeslag in de weg zou staan. Denk bijvoorbeeld aan de financiële ondersteuning die zorgmedewerkers ontvingen in verband met langdurige post-COVID klachten. Afhankelijk van het vermogensbestanddeel geldt een uitzondering voor drie of tien jaar.
Aan de lijst met uitzonderingen worden met ingang van 2026 twee nieuwe uitzonderingen toegevoegd. Dit betreft tegemoetkomingen die zijn uitgekeerd aan nabestaanden van een gedupeerde overleden aanvrager.
De andere nieuwe uitzondering betreft de wettelijke rente die uitkerende instanties verschuldigd zijn als een uitgezonderde uitkering niet tijdig wordt uitbetaald. Deze uitzondering geldt voor de periode die ook geldt voor het betreffende uitgezonderde vermogensbestanddeel.

Een van de voorwaarden voor het recht op toeslagen is dat de ontvanger ervan over niet te veel vermogen mag beschikken. Deze zogenaamde vermogenstoets geldt alleen niet voor de kinderopvangtoeslag. Een aantal specifieke vermogensbestanddelen is van de vermogenstoets uitgezonderd. Vanaf 2026 wordt dit aantal uitgebreid.
LEES VERDER
Een fysiotherapeut was het gewend om zijn hond mee naar het werk te nemen. Hij was niet de enige, ook zijn collega’s deden dat. Op een bepaald moment besloot de werkgever dat honden met ingang van 1 juli 2024 niet langer werden toegelaten op het werk. De werknemers ageerden hiertegen met als gevolg dat de maatregel werd uitgesteld tot 1 mei 2025.
De fysiotherapeut legde zich er niet bij neer en startte een kort geding. Hij was van mening dat er sprake was van een verworven recht door het langjarige gebruik binnen de organisatie. De organisatie daarentegen gaf aan dat het onder haar instructierecht viel en dat er signalen van overlast waren geweest en er risico’s voor de hygiëne, veiligheid en aansprakelijkheid bestonden.
De rechter refereerde aan het Pontmeyer-arrest van een aantal jaren geleden waarin de Hoge Raad diverse gezichtspunten had geformuleerd om te kunnen beoordelen of sprake is van een verworven recht. Denk hierbij aan de volgende zaken:
De rechter schaarde zich in deze casus achter de fysiotherapeut. Het was duidelijk dat de fysiotherapeut zijn hond sinds zijn indiensttreding had meegenomen naar het werk, net als zes andere collega’s op dezelfde locatie. Het was voor de werknemer niet mogelijk een hondenuitlaatservice in te schakelen vanwege de ligging van zijn huis. Bovendien waren er geen bezwaren gekomen vanuit cliënten. Als er wel bezwaren waren, ging de hond in de bench. De hond kwam niet in eetruimten, sanitaire ruimten en kantoren. Ook had de werkgever tot eind mei nooit bezwaar gemaakt tegen het meenemen van de hond. Hierdoor mocht de werknemer erop vertrouwen dat hij de hond in het kader van zijn arbeidsovereenkomst mocht meenemen naar het werk en dat er inmiddels sprake was van een arbeidsvoorwaarde geworden.
Vanuit de werkgever was onvoldoende onderbouwd welk zwaarwegend bedrijfsbelang de werkgever had om de hond niet langer toe te staan. Ook was er geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen. De werkgever was dus afhankelijk van de instemming van de werknemer die hij niet had gekregen.
Conclusie in deze zaak was daarmee dat het meenemen van de hond naar het werk een arbeidsvoorwaarde was.
Let op! Deze uitspraak geldt specifieke voor de situatie in deze casus.

In het arbeidsrecht zien rechters zich regelmatig geconfronteerd met bijzondere vragen. Zo ook recentelijk in een zaak waar de vraag centraal stond of het een arbeidsvoorwaarde was om een hond mee te mogen nemen naar het werk.
LEES VERDER
Voor de behandeling van een ingesteld beroep, hoger beroep en beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De hoogte ervan hangt af van de instantie waar u procedeert, van de vraag of u al dan niet een natuurlijk persoon bent en van de belastingsoort waartegen u procedeert. De hoogte van het griffierecht varieert in 2025 van € 53 tot € 579.
Om de rechtsgang zo min mogelijk te beperken, is geregeld dat onvermogenden geen griffierecht hoeven te betalen. Bij een zaak die onlangs speelde voor de Hoge Raad, maakte de Hoge Raad nieuwe richtlijnen bekend over de vraag wanneer sprake is van onvermogen.
De Hoge Raad geeft aan dat sprake is van onvermogen als een belastingplichtige een maandelijks netto-inkomen heeft dat minder is dan 95% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm. De werkelijke gezinssamenstelling is hiervoor niet van belang. Bovendien mag een belastingplichtige niet beschikken over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Ook het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner moet hierbij in aanmerking worden genomen.
De hoogte van het inkomen en vermogen worden bepaald in de periode tussen het moment dat de griffier voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn.
De nieuwe richtlijnen betekenen een verruiming van de vrijstelling tot betaling van griffierecht. In een eerder arrest uit 2015 werd nog uitgegaan van onvermogen als het inkomen minder dan 90% van genoemde bijstandsnorm bedroeg.
Let op! De verruimde vrijstelling geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021.

Als u het niet eens bent met een aanslag of andere beslissing van de belastinginspecteur, kunt u hiertegen bezwaar aantekenen. Wordt dit afgewezen, dan kunt u in beroep bij de rechter en daarna eventueel in hoger beroep en cassatie. Voor een behandeling door de rechter moet u in principe griffierecht betalen.
LEES VERDER
De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het zogenaamde Kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechtbank is dan niet meer mogelijk.
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet is het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.
De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst staat dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast zijn komen te staan.
Rechtbank Den Haag twijfelt aan het standpunt van de Belastingdienst. Onder meer omdat op 4 februari 2022 nog niet duidelijk was wat de collectieve uitspraak voor het box 3-inkomen van individuele belastingplichtigen zou betekenen. De nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen werden immers pas ná die tijd bekend. De rechtbank stelde daarom de volgende vragen aan de Hoge Raad:
AG Koopman adviseert de Hoge Raad om het wijzigen van de verdeling tussen fiscale partners in deze situatie toe te staan. De AG vindt dat een verzoek tot wijziging mogelijk moet zijn tot zes weken na de beschikking waarin het rechtsherstel is opgenomen. Het wachten is nu op het eindoordeel van de Hoge Raad.
Let op! Is het in uw situatie optimaler om te kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen? Doe dan zo spoedig mogelijk een verzoek daartoe – waar mogelijk binnen zes weken na de rechtsherstelbeschikking – samen met uw fiscale partner. Mogelijk kan later door de Belastingdienst aan dit verzoek tegemoetgekomen worden. Een en ander zal afhankelijk zijn van de antwoorden van de Hoge Raad.
De Belastingdienst vermindert uw box 3-inkomen na de massaalbezwaarprocedure. Uw definitieve aanslag staat dan onherroepelijk vast. Kunt u dan uw box 3-inkomen nog anders verdelen met uw fiscale partner? De Belastingdienst vindt van niet, maar een AG adviseert de Hoge Raad dit toe te staan.
LEES VERDER
Onder de WBSO, Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, kunt u als werkgever een fiscale tegemoetkoming krijgen voor de loonkosten die gemoeid zijn bij Research & Development. Heeft u recht op WBSO, dan verrekent u de toegekende tegemoetkoming met de af te dragen loonheffing. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de kosten van Research & Development.
Tip! Een startende onderneming krijgt een hogere tegemoetkoming.
De Tweede Kamer heeft een voorstel tot wetswijziging aangenomen om de eerste schijf in de WBSO in 2026 eenmalig te indexeren met 2,9%. Deze eerste schijf stijgt daardoor van € 380.000 in 2025 naar € 391.020 in 2026. Aangezien er al jarenlang geld in de WBSO-regeling overblijft (in 2024 € 116 miljoen) was er ruimte voor deze indexatie.
Let op! De Tweede Kamer heeft ook een verzoek bij de ministeries van EZK en Financiën neergelegd om in het Belastingplan 2027 een voorstel te doen om de schijfgrens structureel te indexeren.
De verhoging van de eerste schijf betekent het volgende.
| Tarief/Grens | 2025 | 2025 |
| Tarief 1e schijf | 36% | 36% |
| Tarief 1e schijf starters | 50% | 50% |
| Grens 1e schijf | € 380.000 | € 391.020 |
| Tarief 2e schijf | 16% | 16% |
Verzilveringsproblematiek
De Tweede Kamer heeft de regering ook verzocht om een oplossing uit te werken voor de verzilveringsproblematiek in de WBSO. Start- en scale-ups kunnen de WBSO namelijk vaak niet volledig verzilveren, omdat hun loonsom in de beginfase te laag is. De Tweede Kamer stelt hierbij een carry-forwardmogelijkheid voor.
Let op! Dit voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

De eerste schijf van de WBSO wordt in 2026 eenmalig geïndexeerd met 2,9%. Hierdoor loopt de eerste schijf in 2026 door tot € 391.020.
LEES VERDER
De villabelasting betreft de belastingheffing in de inkomstenbelasting over de waarde van eigen woningen voor zover die waarde hoger is dan € 1.330.000 (bedrag 2025). Over de waarde boven de € 1.330.000 wordt 2,35% bij het inkomen geteld als eigenwoningforfait.
Over de vraag of de villabelasting in strijd is met Europees Recht lopen (waarschijnlijk) meerdere gerechtelijke procedures. In een van die procedures oordeelde rechtbank Noord-Holland op 15 oktober 2024 dat de villabelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM.
De belastingplichtige ging in hoger beroep. Gerechtshof Amsterdam oordeelde op 21 oktober 2025 echter ook dat de villabelasting in stand bleef. Het beroep van de belastingplichtige op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalde. Ook van strijd met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP EVRM was volgens het gerechtshof geen sprake.
Let op! Mogelijk gaat de belastingplichtige nog in cassatie bij de Hoge Raad.
De procedure over de villabelasting is door de Belastingdienst niet aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat als u zich ook wilt beroepen op strijdigheid met Europees recht, u hierover individueel moet procederen. De eerste stap is het indienen van een tijdig bezwaarschrift. Tijdig wil zeggen: binnen zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag.
Wilt u hier meer over weten? Neem dan contact op met onze adviseurs.

Gerechtshof Amsterdam heeft de villabelasting onlangs in een gerechtelijke uitspraak in stand gehouden. Het beroep van de belastingplichtige op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel faalde en er was ook geen strijd met Europees recht.
LEES VERDER
Uw giften zijn periodiek als u minimaal vijf jaar achter elkaar jaarlijks eenzelfde bedrag geeft aan dezelfde ANBI. U kunt het volledige bedrag van zo’n periodieke gift in uw aangifte inkomstenbelasting aftrekken als u de gift heeft vastgelegd in een notariële of schriftelijke overeenkomst. In deze overeenkomst moet ook vastliggen wanneer de jaarlijkse gift stopt (uiterlijk bij uw overlijden). Redenen voor het stoppen kunnen zijn dat de ANBI zijn ANBI-status verliest, het faillissement van de ANBI of als u arbeidsongeschikt of werkeloos raakt.
Let op! Het voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een andere gift is dat u geen rekening hoeft te houden met de niet-aftrekbare drempel of het plafond dat voor andere giften geldt.
Aan de Belastingdienst is gevraagd wat de fiscale gevolgen zijn als u een periodieke gift afspreekt met een ANBI in een notariële of schriftelijke overeenkomst en u na één jaar stopt met betalen. Betekent dit dan dat de gift die u wel betaalde dan niet meer aftrekbaar is als periodieke gift omdat u niet de verplichte minimale vijf jaar haalt?
Let op! U kunt de periodieke gift niet zomaar stoppen. U bent immers verplichtingen aangegaan in een notariële of onderhandse akte en zult de medewerking van de ANBI nodig hebben om de periodieke gift te stoppen.
Volgens de Belastingdienst blijft de gift die u al betaalde aftrekbaar als periodieke gift. De voorwaarde hierbij is wel dat er bij het aangaan van de notariële of schriftelijke schenking aan alle voorwaarden voor een periodieke gift is voldaan. Alleen dan blijft de gift gewoon aftrekbaar. Dus ook als u de jaarlijkse gift stopt en dus niet meer voldoet aan de afspraken in de schenkingsovereenkomst.
Let op! De Belastingdienst merkt wel op dat als uit de feiten en omstandigheden blijkt dat bij het afsluiten van de schenkingsovereenkomst al duidelijk was dat u invloed had op de looptijd van de periodieke gift, er dan vanaf aanvang al geen periodieke gift was. Ook de eerste betaling is dan al niet aftrekbaar als periodieke gift.

Wat zijn de fiscale gevolgen als u de verplichtingen voor een periodieke gift niet nakomt, u stopt met betalen?
LEES VERDER
Ondernemers in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die investeren in bedrijfsmiddelen van de Energielijst kunnen met de energie-investeringsaftrek (EIA) in 2026 in aanmerking komen voor een investeringsaftrek van 40% van het investeringsbedrag.
Ondernemers in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die investeren in milieu-investeringen van de Milieulijst kunnen in 2026 met de milieu-investeringsaftrek (MIA) in aanmerking komen voor een investeringsaftrek die kan oplopen tot 45% van het investeringsbedrag.
In 2025 is voor de EIA € 431 miljoen en voor de MIA € 189 miljoen budget beschikbaar.
Let op! De Energielijst en Milieulijst worden elk jaar aangepast. De lijsten voor het volgende jaar worden over het algemeen pas aan het einde van het jaar gepubliceerd. Het is daarom nog niet bekend welke bedrijfsmiddelen op de lijsten voor 2026 staan.
De Tweede Kamer wil graag een fiscale ontwijkingsconstructie in de inkomstenbelasting met de EIA en MIA tegengaan. Om die reden is een voorstel tot wetswijziging aangenomen die ertoe leidt dat vanaf 2029 aftrek van EIA en MIA in de inkomstenbelasting niet tot negatieve winst kan leiden. Met de voor deze maatregel benodigde structuuraanpassing in de systemen is rekening gehouden door de maatregel pas per 2029 in te laten gaan.
Let op! Dit voorstel tot wetswijziging geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting en niet voor ondernemers in de vennootschapsbelasting.
De ondernemer die de EIA en/of MIA vanaf 2029 niet volledig in aftrek kan brengen in een jaar, kan het niet-afgetrokken bedrag wel ‘sparen’. Het niet-afgetrokken bedrag kan in de volgende negen kalenderjaren alsnog in aanmerking genomen worden, als er in die jaren wel voldoende winst is.
Let op! Vorderingen en schulden tussen fiscale partners en vorderingen van minderjarige kinderen op hun ouders en de daarmee corresponderende schulden van die ouders worden sinds 2023 tegen elkaar weggestreept en dus genegeerd in box 3. In zo’n geval worden ook de schuld en de vordering die ontstaan door de schenking vrij van recht niet in box 3 meegenomen.
Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

De Tweede Kamer heeft een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor de aftrek van EIA en MIA vanaf 2029 beperkt kan worden.
LEES VERDER
Een uitzendkracht werkte bijna dertien onafgebroken voor een bedrijf. In 2022 nam het bedrijf afscheid van hem, omdat de productieafdeling waar de uitzendkracht werkte werd gesloten. De uitzendkracht had diverse malen gevraagd om een vast dienstverband bij het bedrijf. In zijn optiek was sprake van misbruik van de uitzendconstructie. Het bedrijf weigerde op zijn verzoek in te gaan.
Uiteindelijk is de uitzendkracht een procedure begonnen om vast te laten stellen dat hij een arbeidsovereenkomst met het bedrijf heeft. Daarnaast verzocht hij om toekenning van diverse vergoedingen en om uitbetaling van achterstallig loon.
De werknemer procedeerde door tot aan de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege, omdat hij in lagere instanties door de rechters in het ongelijk werd gesteld. Volgens het gerechtshof was namelijk geen sprake van misbruik als bedoeld in de Europese Uitzendrichtlijn, omdat het bedrijf een objectieve verklaring heeft gegeven voor het gebruik van de uitzendovereenkomst gelegen in het feit dat het bedrijf behoefte heeft aan een flexibele schil.
De Hoge Raad merkt op dat uit de Europese Uitzendrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat uitzendwerk ook echt tijdelijk is. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om één doorlopende opdracht of om een aantal achtereenvolgende opdrachten.
Misbruik van de uitzendovereenkomst is aan de orde als de duur van de inlening van de uitzendkracht bij een bedrijf langer is dan wat in aanmerking genomen alle relevante omstandigheden, redelijkerwijs als tijdelijk kan worden aangemerkt, en het inlenende bedrijf voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling geen objectieve verklaring kan geven.
De algemene behoefte van het bedrijf aan een flexibele schil en aan flexibel in te zetten werkkrachten vormt geen adequate verklaring voor het dertien jaar onafgebroken inschakelen van de uitzendkracht. Als het hof heeft bedoeld dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval wél een adequate objectieve verklaring bestond voor de langdurige inlening van de uitzendkracht, heeft het hof dat oordeel volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof om opnieuw te worden beoordeeld.

De omstandigheid dat een bedrijf behoefte heeft aan een ‘flexibele schil' is geen adequate verklaring voor het gedurende bijna dertien jaar onafgebroken inlenen van dezelfde uitzendkracht. Een dergelijke langjarige inlening kan misbruik van de uitzendovereenkomst opleveren, aldus de Hoge Raad.
LEES VERDER
Het partnerpensioen moet sowieso aangepast worden, ook al wordt gebruikgemaakt van het overgangsregime voor beschikbare premieregelingen met een stijgende staffel voor zittende werknemers.
Daarnaast moet voor nieuwe werknemers bekend zijn wat de flatrate-premie wordt vanaf 2028.
Zittende werknemers moeten weten of zij mogen overstappen naar de nieuwe regeling. Daarbij is het voor hen van belang te weten wat een hogere premie oplevert, ook al moeten ze daarvoor zelf meer eigen bijdrage betalen.
Als er binnen uw bedrijf een Ondernemingsraad is of een Personeelsvertegenwoordiging, dan moeten zij instemmen of betrokken worden bij de aanpassingen. Is er geen OR of personeelsvertegenwoordiging, dan is de personeelsvergadering de aangewezen plek om de wijzigingen te bespreken. Een pensioenregeling heb je immers voor de werknemers, zij moeten er dus bij betrokken worden.
Als de pensioenregeling per 2028 niet voldoet aan de nieuwe wetgeving, dan is de aanspraak belast voor de loonbelasting, inclusief revisierente. Daarvoor waarschuwde regeringscommissaris Van der Lecq onlangs. Dit kan fors in de papieren lopen.
Als een pensioenregeling niet langer voldoet aan de fiscale wetgeving, dan is de hele aanspraak belast tegen het progressieve tarief en moet een ‘boete’ van 20%, zijnde revisierente, worden betaald omdat achteraf gezien ten onrechte aanspraken niet belast zijn als loon en/of premies aftrekbaar zijn geweest. Dat kan dus oplopen tot 69,5% van de waarde van het pensioen tegen de actuele, commerciële waarde.
Let op! Dit geldt ook voor de dga met een niet juiste pensioenregeling.
Nu zal het waarschijnlijk niet zo'n vaart lopen, maar de tijd begint krap te worden. Niet alleen gezien de overleggen binnen het bedrijf, maar vooral ook omdat uitvoerders tijd nodig hebben om alle wijzigen te verwerken én te communiceren. Dat moet overigens echt uiterlijk per 1 oktober 2027.
En als er niet goed en op tijd wordt gecommuniceerd, loopt u als werkgever het risico dat u aansprakelijk wordt gesteld. Voor een mogelijke loonbelastingclaim dus, maar denk ook aan het risico van overlijden van een werknemer zonder de juist risicodekking die hij/zij en partner hadden gewild.
Voorkomen is beter dan genezen. Aan de slag dus!

Alle pensioenregelingen moeten uiterlijk per 2028 aangepast worden aan de Wet toekomst pensioenen, de Wtp. En dat betekent ook écht alle! Bent u niet op tijd klaar, dan kan dat u als werkgever een forse loonbelastingclaim opleveren.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE