Let op! Dien uw aanvraag tijdig in. Er is een totaalbudget van € 8,5 miljoen.
Om voor de subsidie in aanmerking te komen moet u rechtspersoonlijkheid hebben, u voert uw onderneming bijvoorbeeld vanuit een bv. Als u uw onderneming vanuit een eenmanszaak of vof voert, kunt u deze subsidie niet aanvragen. Verder moet u exporteren naar of investeren in het buitenland, dient u uw product of dienst in Nederland te ontwikkelen en moet u minimaal drie werknemers in dienst hebben.
Let op! Er gelden nog meer voorwaarden.
Voor een demonstratieproject kunt u 50% subsidie krijgen. Draagt het project bij aan vergroeningsdoelen, dan bedraagt de subsidie 70%. De maximale subsidie is € 200.000.
Ook voor een haalbaarheidsstudie en een investeringsvoorbereidingsproject kunt u 50% subsidie krijgen, of 70% bij projecten die bijdragen aan vergroeningsdoelen. De maximale subsidie is € 100.000.
De minimale subsidie is € 25.000.
Vanaf 2026 is het onder de DHI ook mogelijk om subsidie aan te vragen voor marktvalidaties in het buitenland. Startups tot tien jaar oud kunnen deze subsidie aanvragen. De subsidie bedraagt € 25.000, mits de projectkosten minimaal € 50.000 bedragen. Met deze subsidie kunnen startups bijvoorbeeld testen of hun product of dienst aansluit bij de lokale vereisten of samenwerken met lokale ondernemers of juridische barrières oplossen.
Let op! Subsidieaanvragen voor marktvalidatie in het buitenland worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst. Er wordt in 2026 voor maximaal 40 marktvalidaties in het buitenland subsidie toegekend: 20 in ontwikkelingslanden en 20 in andere landen.
RVO heeft een stappenplan DHI-subsidie aanvragen ontwikkeld. Aan de hand van dit stappenplan kunt u beoordelen of u in aanmerking komt voor de DHI-subsidie en deze ook aanvragen.

Mkb-ondernemingen kunnen tot en met 31 december 2026 weer DHI-subsidie aanvragen. Deze subsidie is bedoeld om mkb-ondernemingen te helpen bij de financiering van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties in het buitenland.
LEES VERDER
Drie werknemers waren in dienst als (senior) accountmanager bij een grote speler in de verzekeringsbranche. Ze namen ontslag per september 2024 en traden in dienst bij een concurrent. Vervolgens stapten achttien klanten van de voormalige werkgever die tot de portefeuilles van de betreffende werknemers behoorden over naar die concurrent. Het in de arbeidsovereenkomsten overeengekomen geheimhoudings- en relatiebeding was inmiddels afgelopen.
De voormalige werkgever startte een kort geding en vorderde daarin onder meer een verbod op het benaderen van zijn klanten. De oud-werknemers hadden zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie, omdat zij tijdens en na hun dienstverband stelselmatig minimaal 33 klanten hadden benaderd om een overstap te maken naar hun nieuwe werkgever, aldus de voormalige werkgever.
Geldt er geen concurrentiebeding, dan kan een werknemer zijn voormalige werkgever beconcurreren, ook wanneer deze daarvan nadeel ondervindt. Bijkomende omstandigheden kunnen er wel voor zorgen dat bepaalde concurrerende activiteiten toch onrechtmatig zijn. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor oud-werknemers dat sprake is van onrechtmatige concurrentie wanneer voldaan is aan de volgende drie cumulatieve vereisten, namelijk:
De rechter oordeelde dat dit in dit geval niet aan de orde is. Het gaat immers om een grote speler in de verzekeringsbranche met een groot klantenbestand. In dat geval ligt de drempel om te kunnen spreken van een substantiële afbreuk relatief hoog. Inmiddels waren er zestien maanden verstreken en was de bij de oud-werkgever opgedane kennis en bedrijfsinformatie niet meer actueel. Er was dus geen sprake van een concreet en reëel risico op onrechtmatige concurrentie. Daarnaast kon de ex-werkgever niet aantonen dat de kennis en gegevens vertrouwelijk waren verkregen.
Ook de belangenafweging tussen enerzijds het belang van de werknemers om bij een andere werkgever in dienst te treden versus het bedrijfsbelang van de werkgever, viel in het nadeel van de werkgever uit. Het staat relaties vrij van makelaar te wisselen en het is in algemene zin een normaal bedrijfsrisico dat het vertrek van ervaren accountmanagers tot verlies van omzet leid. Er was daarom geen sprake van onrechtmatige concurrentie.
Let op!Zoals uit bovenstaande casus volgt, is een en ander afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden. Een werkgever moet de verwijten goed onderbouwen en tijdig in actie komen en de aantasting van het bedrijfsdebiet kunnen aantonen.

Kun je als werkgever optreden tegen concurrerende activiteiten van een voormalige werknemer als een concurrentie- of relatiebeding ontbreekt of inmiddels is verlopen? Deze vraag stond centraal in een onlangs bij de rechtbank Rotterdam gevoerde procedure.
LEES VERDER
In het wetsvoorstel Baz, Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, wordt elke zelfstandige verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid tot de AOW-leeftijd. Dat kan door deelname aan de Baz, maar de zelfstandige kan ook, onder voorwaarden, voor een private verzekering kiezen. In dat geval geldt de Baz niet.
In het wetsvoorstel Baz is een premie opgenomen van 5,4% van de winst van de zelfstandige met een maximum van € 171 bruto per maand.
Let op!Het bedrag van € 171 is gebaseerd op het wettelijk minimumloon uit 2025 en zal jaarlijks worden geïndexeerd.
Naast de zelfstandige die voor een private verzekering kiest, gelden nog wat andere uitzonderingen.
Zelfstandigen die ook in loondienst werken zijn al verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Hebben zij van daaruit bij arbeidsongeschiktheid recht op een uitkering op het niveau van het minimumloon, dan hoeven zij straks geen Baz-premie te betalen.
Ook een zelfstandige die vanuit een bv opereert, zoals de dga, valt straks niet onder de Baz.
In het wetsvoorstel is een wachttijd opgenomen van twee jaar. Dit betekent dat de zelfstandige pas na twee jaar ziekte een AOV-uitkering ontvangt. Dit is vergelijkbaar met de wachttijd van een zieke werknemer voor een WIA-uitkering.
De contouren lijken nu aardig bekend. Een en ander moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer. Het is daarom nog niet zeker of en zo ja vanaf wanneer er een verplichte AOV voor zelfstandigen komt.

Het kabinet laat weten dat er een basisverzekering komt die zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid een minimuminkomen garandeert. Daarmee lijkt een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen weer een stap dichterbij.
LEES VERDER
Als u uw onderneming ruisend de bv inbrengt, moet u fiscaal afrekenen over de stille en fiscale reserves en de goodwill in uw onderneming. Wilt u dat niet, dan is het ook mogelijk om geruisloos de bv in te gaan met uw onderneming. U hoeft dan niet fiscaal af te rekenen over de stille en fiscale reserves en de goodwill. De fiscale claim hierover schuift dan door naar de bv.
Let op! Hoewel geruisloos de voorkeur lijkt te hebben, is ruisend in bepaalde situaties voordeliger of gewenster. Bijvoorbeeld als er nauwelijks stille en fiscale reserves en goodwill zijn of als er voldoende geld is om de belasting al te voldoen. Laat u adviseren wat in uw situatie raadzaam is.
Heeft u plannen om uw IB-onderneming ruisend met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 in te brengen in een bv? Leg dan in ieder geval de intentie hiervoor vast. Zorg dat deze vastlegging vóór 1 april 2026 door de Belastingdienst ontvangen is. Alleen dan kan het namelijk met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 plaatsvinden.
Tip! Gebruik voor de verzending naar de Belastingdienst het daarvoor bedoelde Geleideformulier voorovereenkomst of intentieverklaring.
Heeft u plannen om geruisloos de bv in te gaan, dan heeft u meer tijd. U moet dan zorgen dat de intentie vóór 1 oktober 2026 door de Belastingdienst ontvangen is om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 de bv in te gaan.
Bij een ruisende inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 30 september 2026 hebben plaatsgevonden om de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 te behouden.
Bij een geruisloze inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 31 maart 2027 hebben plaatsgevonden voor de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.
Let op! Voor de geruisloze inbreng met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 verloopt binnenkort ook de deadline. Hiervoor moet de bv en de inbreng plaatsvinden uiterlijk 31 maart 2026.

Als u uw IB-onderneming, bijvoorbeeld uw eenmanszaak, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 vanuit een bv wilt uitoefenen, moet u mogelijk vóór 1 april 2026 actie ondernemen. Wanneer is dat het geval?
LEES VERDER
Bij het vaststellen van een billijke vergoeding wordt vaak gekeken naar de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd en het loon dat de werknemer dan nog ontvangen zou hebben gedurende die periode. Met andere woorden: wat is de loonwaarde die de werknemer als gevolg van het ernstig verwijtbare eindigen van het dienstverband heeft gemist. Moet er dan rekening worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering die de werknemer over deze periode ontvangt? Hierover bestond verdeeldheid in de literatuur.
De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering over die periode op het gederfde loon in mindering mag brengen. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon), maar ook met eventuele voordelen die daarmee voldoende samenhangen. Denk hierbij aan het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven.
Het is echter ook weer geen wet van Meden en Perzen dat de WW-uitkering altijd in mindering moet worden gebracht op de loonbetaling. De Hoge Raad overweegt dat in welke mate de vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, mede afhangt van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering. Denk aan de situatie dat iemand nog jaren te gaan heeft tot zijn pensioen. In dat geval kan de werknemer, afhankelijk van bijvoorbeeld het soort werk en de arbeidsmarkt er groot belang bij hebben om zijn potentiële aanspraak op de opgebouwde WW-rechten te behouden. Dan is het mogelijk niet redelijk en niet wenselijk deze als schadebeperkingsmaatregel op de te begroten billijke vergoeding in mindering te brengen.
Het zal een interessante puzzel worden. Nog afgezien van de vraag of er, als de plannen van het nieuwe kabinet doorgaan, nog wat overblijft van de WW om van de billijke vergoeding af te trekken

Als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, kan de rechter een billijke vergoeding toekennen aan een werknemer. Moet er dan ook rekening worden gehouden met een eventuele WW-uitkering?
LEES VERDER
Alles wat u aan uw werknemers in 2025 vergoedde, verstrekte of ter beschikking stelde, vormt in beginsel loon waarover loonbelasting verschuldigd is. Als u ervoor gekozen heeft om dit loon aan te wijzen als eindheffingsloon, hoeft u geen loonbelasting in te houden op het loon van uw werknemers, maar betaalt u wel mogelijk een eindheffing.
Dit is het geval als er geen nihilwaardering of gerichte vrijstelling van toepassing was en u uw vrije ruimte in 2025 overschreed. Die vrije ruimte bedroeg in 2025 2% van uw totale loonsom tot en met € 400.000 en 1,18% over het meerdere.
Let op! Sommige zaken mag u niet aanwijzen als eindheffingsloon. Voor deze zaken moet u altijd de loonbelasting inhouden op het loon van uw werknemers. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak. Maar ook als het niet gebruikelijk is om aan te wijzen als eindheffingsloon (en dus niet aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan), mag u niet aanwijzen.
Overschreed u in 2025 uw vrije ruimte, dan betaalt u 80% eindheffing over deze overschrijding. Dit geeft u uiterlijk in uw tweede aangifte loonheffingen over 2026 aan.
Let op! Is dit een maandaangifte, dan is de deadline 31 maart 2026. Bij een vierweken-aangifte, ligt de deadline op 22 maart 2026.
Niet alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen zullen in uw salarisadministratie zijn opgenomen. Sommigen zult u waarschijnlijk uit uw financiële administratie moeten halen.

Controleer of u in 2025 binnen de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) bleef. Als dat niet het geval is, moet u uiterlijk in uw tweede aangifte loonheffingen 2026 uw overschrijding afrekenen.
LEES VERDER
Over de hoogte van de belastingrente liep de afgelopen jaren een rechtszaak. Uiteindelijk heeft de hoogste rechtsinstantie, de Hoge Raad, geoordeeld dat de belastingrente voor de btw niet te hoog is. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze belastingrente 5%.
U kunt deze belastingrente voorkomen door vóór 1 april 2026 uw btw-suppletie over het jaar 2025 in te dienen. Dus heeft u in 2025 te weinig btw aangegeven in uw btw-aangifte en dus te weinig btw afgedragen, corrigeer dit dan vóór 1 april 2026 met een btw-suppletie.
Let op!Ontvangt de Belastingdienst uw btw-suppletie 2025 niet vóór 1 april 2026, dan berekent de Belastingdienst vanaf 1 januari 2026 5% belastingrente.
U bent verplicht om een btw-suppletie in te dienen binnen acht weken nadat u constateerde dat u zo’n suppletie moet doen. Doet u dat niet, dan kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen.
Let op! De termijn van acht weken kan nog korter zijn. U moet uw btw-suppletie namelijk ook indienen voordat u weet of redelijkerwijs moet weten dat de Belastingdienst al bekend was of zou worden met de te weinig aangegeven of afgedragen btw.
Doet u zelf uw btw-suppletie, dan doet u dat digitaal via het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’. U vindt dit als u bent ingelogd op Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Bedraagt uw btw-suppletie € 1.000 of minder, dan verwerkt u de correctie in uw eerstvolgende btw-aangifte. U dient dan dus geen btw-suppletie in.
Tip! De Belastingdienst legt geen vergrijpboetes op als uw btw-suppletie € 1.000 of minder bedraagt.

Droeg u te weinig btw af over het jaar 2025, dan berekent de Belastingdienst geen belastingrente als u uw btw-suppletie over het jaar 2025 vóór 1 april 2026 indient.
LEES VERDER
De Hoge Raad geeft aan dat op verzoek de afschriften van de betreffende gegevens moeten worden verstrekt en dat deze ook per gemeente kunnen verschillen, maar dat hierover geen uitleg hoeft te worden gegeven. Of de gegevens nuttig of noodzakelijk zijn voor de waardebepaling, is niet van belang. De bronnen van de betreffende gegevens hoeft een gemeente echter niet aan te geven.
De gemeente moet ook inzage geven tot informatie wat gaat over eventueel gebruikte berekeningen. Ook zaken die een belastingplichtige zelf kan vinden, bijvoorbeeld via internet, moeten ter beschikking worden gesteld. Het vermelden van een site op internet kan in beginsel voldoende zijn, tenzij de site niet meer beschikbaar is.
Is door een gemeente een taxatieverslag gebruikt, dan is dit alleen niet voldoende als er ook gegevens zijn gebruikt die hier niet in staan, maar wel bij de waardebepaling zijn gebruikt. De informatieverplichting geldt bovendien niet alleen voor het pand waarvoor de WOZ-waarde is bepaald, maar ook voor de vergelijkingsobjecten waar deze waarde mede op is gebaseerd.
Voor wat betreft de factoren waarop de waarde kan worden bepaald, noemt de Hoge Raad primaire en secundaire objectkenmerken. Bij primaire objectkenmerken gaat het onder meer om het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte. Bij de secundaire kenmerken gaat het met name om zaken als kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-kenmerken) van een woning. Hierop toegepaste correcties vanwege afwijkingen van het gemiddelde dienen ook als gegeven te worden verstrekt, maar de basis waarop deze correcties zijn gebaseerd weer niet, aldus de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor correcties gebaseerd op een al dan niet aanwezigheid van een reserve in een Vereniging van Eigenaren.
Gemeentes hoeven daarentegen geen informatie te verstrekken die gebaseerd is op kennis en ervaring, of van de bronnen ervan. Hiervan kunnen immers geen afschriften worden verstrekt, zo meent de Hoge Raad.
De bewijslast dat niet de benodigde gegevens door de gemeente zijn verstrekt, ligt bij de belastingplichtige. Dit is echter anders als deze niet over deze gegevens kan beschikken, omdat ze in bezit zijn van de gemeente en deze de gegevens niet heeft verstrekt. In dat geval dient de gemeente aan te tonen dat de gevraagde gegevens niet aan de waardebepaling van de woning hebben bijgedragen.

Gemeentes zijn verplicht om op verzoek informatie te geven over de gegevens waarop uw WOZ-waarde is gebaseerd. Op deze manier wordt een informatieachterstand voorkomen en daarmee onnodige procedures. In een recente zaak heeft de Hoge Raad verduidelijkt welke gegevens hiertoe behoren en welke niet.
LEES VERDER
De subsidie is gericht op projecten die duurzame energie produceren of de uitstoot van broeikasgassen verminderen. De omvang van de subsidie varieert en is afhankelijk van de marktprijs van de opgewekte energie of de verminderde CO2-uitstoot die gerealiseerd wordt. Bij een hogere prijs krijgt u daarom minder subsidie, bij een lagere prijs juist meer.
De SDE++ is dit jaar beschikbaar voor bestaande en nieuwe categorieën van subsidiabele projecten. Zo blijven projecten voor zonne-energie, aardwarmte, waterstof en CO2-afvang en -opslag in aanmerking komen voor de subsidie. Nieuw zijn onder meer zonne-energie projecten langs wegen en spoor, proces-geïntegreerde warmtepompen en nieuwe categorieën CO2-afvang en opslag met koolstofarme waterstof.
Om de subsidie evenwichtig te kunnen verdelen, wordt ook dit jaar gebruikgemaakt van vijf fasen. Op die manier wordt binnen de subsidie budget gereserveerd voor bepaalde categorieën of technieken.
De aanvraagperiode van de SDE++ start op dinsdag 22 september 2026 9.00 uur en sluit op donderdag 22 oktober 2026, 17:00.
Let op!Deze aanvraagperiode van een maand is opgedeeld in vijf fasen. Wanneer u uw subsidie aan moet vragen, hangt af van de subsidie-intensiteit van uw project. Met behulp van een rekentool op RVO.nl kunt u de subsidie-intensiteit berekenen voor uw project en weet u wanneer u uw aanvraag kunt indienen.
Voor uw aanvraag is eHerkenning niveau 3 of DigiD nodig. Heeft u eHerkenning nodig, vraag dit dan tijdig aan als u hier nog niet over beschikt.
Heeft u voor uw installatie een vergunning nodig, vraag die dan op tijd aan. Als u de SDE++ aanvraagt, moet u namelijk over alle benodigde vergunningen beschikken. Kopieën hiervan dient u mee te sturen met uw aanvraag.
Voor de subsidie gelden tal van voorwaarden. Zo mag u op het moment van aanvragen van de subsidie nog geen opdracht hebben gegeven tot de bouw van uw productie-installatie. U vindt hier alle informatie.

Vanaf 22 september 2026 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) subsidie opnieuw beschikbaar. Met de SDE++ regeling worden grootschalige duurzame energieprojecten gesubsidieerd. Hiervoor komt dit jaar naar verwachting € 8 miljard beschikbaar.
LEES VERDER
Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.

Kan een dga een werkkamer in zijn woning met btw verhuren aan zijn bv en daardoor recht hebben op aftrek van btw met betrekking tot die werkkamer? Ook als die werkkamer ook in privé gebruikt wordt?
LEES VERDER