In beginsel is alles wat een werkgever vergoed, verstrekt of ter beschikking stelt aan een werknemer als loon belast bij de werknemer. Hiervoor gelden een aantal uitzonderingen, gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen, waar in dit artikel verder niet op ingegaan wordt.
Een werkgever kan in beginsel de vergoeding, verstrekking of ter beschikkingstelling ook aanwijzen als eindheffingsloon. De gebruikelijkheidstoets legt hier een beperking op: vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt, mag een werkgever niet aanwijzen als eindheffingsloon.
Let op! Tot het bedrag van de vrije ruimte (in 2025 2% van de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom en 1,18% daarboven) betaalt een werkgever geen belasting over de aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Daarboven komt ten laste van de werkgever een eindheffing 80%.
De Belastingdienst hanteert bij het beoordelen van de gebruikelijkheidstoets een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per werknemer per jaar. Over de toepassing van deze grens bestonden in de praktijk nog vragen. De Belastingdienst heeft daarover onlangs nadere uitleg gegeven.
De aanwijzing van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk. Tot dit bedrag is sprake van een veilige haven. De Belastingdienst onderneemt dan geen actie.
Het is daarbij niet van belang om welk soort kosten of beloningsbestanddeel het gaat. Zo kan bijvoorbeeld ook een bonus of eindejaarsuitkering tot een bedrag van € 2.400 binnen deze veilige haven als eindheffingsloon worden aangewezen.
Als er geen twijfel is dat de aanwijzing van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, telt deze niet mee voor de € 2.400-grens.
Dat geldt bijvoorbeeld voor een vergoeding waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Denk bijvoorbeeld aan een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer tot maximaal € 0,23 per kilometer.
Maar ook van overige (niet gericht vrijgestelde) vergoedingen, verstrekking of terbeschikkingstellingen kan de aanwijzing zonder twijfel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Bijvoorbeeld omdat de gebruikelijkheid hiervan vooraf is afgestemd met de Belastingdienst.
Voorbeeld
Een werkgever geeft aan een werknemer een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 1.500 (tegen de gerichte vrijstelling van maximaal € 0,23 per kilometer). Daarnaast heeft de Belastingdienst aan de werkgever bevestigd dat de aanwijzing van de door de werkgever geïmplementeerde fietsregeling voor € 2.000 per fiets gebruikelijk is. In dat jaar geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. In december wil de werkgever een eindejaarsuitkering van € 2.400 aanwijzing als eindheffingsloon. De werkgever overschrijdt daarmee de grens van € 2.400 niet omdat de reiskostenvergoeding en de fiets voor die grens niet meetellen.
Wijst de werkgever voor meer dan € 2.400 per werknemer per jaar als eindheffingsloon aan, dan kan tot een bedrag van € 2.400 een beroep gedaan worden op de doelmatigheidsgrens. Boven dit bedrag kan de Belastingdienst de gebruikelijkheid echter wel toetsen.
Voorbeeld
Een werkgever geeft een bonus van € 4.000 en wil deze aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de wkr. In dit voorbeeld geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Dit betekent dat de werkgever voor € 2.400 gebruik kan maken van de doelmatigheidsgrens, maar dat voor een bedrag van € 1.600 de gebruikelijkheid ter discussie staat. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst deze € 1.600 over het algemeen niet gebruikelijk zal vinden.

De Belastingdienst heeft nadere uitleg gegeven over hoe de doelmatigheidsgrens van € 2.400 in de werkkostenregeling (wkr) in de praktijk wordt toegepast.
LEES VERDER
Ja, dat mag, maar alleen als uw werknemer u hierom vraagt en dus zijn toestemming geeft.
Als een werknemer gelijktijdig meerdere dienstbetrekkingen heeft, kan het zijn dat de loonheffing die totaal wordt ingehouden bij deze dienstbetrekkingen, lager is dan de werknemer bij zijn aanslag inkomstenbelasting moet betalen. De verschillende werkgevers houden immers geen rekening met het loon bij de andere dienstbetrekkingen en voor de aanslag inkomstenbelasting worden deze lonen wel bij elkaar opgeteld.
Om te zorgen dat de loonheffing meer overeenstemt met de inkomstenbelasting, kan een werknemer aan zijn werkgever vragen om meer loonheffing in te houden.
Let op! Dit kan zich ook voordoen als een werknemer meerdere pensioenen heeft of als hij bijvoorbeeld naast een pensioen ook nog werkzaamheden bij een werkgever verricht.
Het inhouden van meer loonheffing in afwijking van wat de tabellen berekenen, mag alleen op verzoek van de werknemer of met zijn toestemming.
Een werkgever is overigens niet verplicht om in te gaan op een dergelijk verzoek van een werknemer. Wil een werkgever niet meer loonheffingen inhouden en wil een werknemer toch voorkomen dat hij bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd wordt met een bij te betalen bedrag? Dan kan de werknemer altijd zelf de Belastingdienst verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen.

De in te houden loonheffingen worden berekend op basis van tabellen. Mag een werkgever van deze tabellen afwijken en meer loonheffing inhouden?
LEES VERDER
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijk veronderstelde rendement. De Hoge Raad gaf daarbij en ook in latere arresten aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden.
De aanwijzingen van de Hoge Raad zijn, aangevuld met een aantal nadere regels, verwerkt in het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 dat inmiddels is aangenomen door de Tweede Kamer.
Naar verwachting komt in juli 2025 het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) beschikbaar waarmee een beroep gedaan kan worden op de tegenbewijsregeling.
De Belastingdienst geeft aan dat u kunt wachten op het formulier OWR als u een beroep wilt doen op box 3-heffing berekend naar het werkelijk rendement. Dit is inderdaad het geval als u alleen een beroep wil doen op berekening van het werkelijk rendement in overeenstemming met de wet tegenbewijsregeling box 3.
Wilt u dat niet of twijfelt u daar nog aan, dan is het verstandig om tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening, bezwaar te maken tegen de definitieve aanslag IB.
Let op! Is de dagtekening van uw definitieve aanslag 27 mei 2025, dan eindigt de termijn om bezwaar te maken op 8 juli 2025.
Een reden voor bezwaar kan zijn dat u niet wilt aansluiten bij de wet tegenbewijsregeling box 3. U wilt bijvoorbeeld toch kosten in aftrek brengen. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst het bezwaar op dit punt zal afwijzen, omdat de Hoge Raad heeft beslist dat geen ruimte bestaat voor aftrek van kosten.
Maar ook als u de verdeling van uw box 3-inkomen tussen u en uw fiscale partner wilt wijzigen, moet u tijdig bezwaar maken. Datzelfde geldt als u wilt meedoen aan de massaalbezwaarprocedure tegen de belastingrente, indien op de definitieve aanslag of voorlopige aanslag belastingrente in rekening is gebracht.
Let op! Er zullen misschien nog meer redenen zijn om bezwaar te maken. Mogelijk heeft een van onze adviseurs al contact met u opgenomen om een en ander te bespreken. Het kan ook zijn dat al actie ondernomen is en bezwaar is gemaakt. Neem bij vragen of als u twijfelt hierover contact met ons op.

De Belastingdienst heeft eind mei een grote hoeveelheid definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2021 opgelegd. Als in de definitieve aanslag box 3-inkomen begrepen is, is het raadzaam om op korte termijn te beoordelen of bezwaar maken raadzaam is.
LEES VERDER
Met de ID-wallet wordt het straks een stuk eenvoudiger om digitaal zaken te doen binnen de EU. Denk aan een Griekse belastingadviseur die een Nederlands bedrijf vertegenwoordigt met betrekking tot fiscale aangelegenheden in Cyprus. De ID-wallet zal hiervoor in de toekomst onmisbaar worden.
De ID-wallet slaat de identiteit en belangrijke gegevens van de gebruiker op in een soort digitale portemonnee. Die gegevens kunnen dan onder meer gebruikt worden voor het doen van belastingaangifte. Ook het digitaal oprichten van een bedrijf moet tot de mogelijkheden gaan behoren.
Zo zal een in de ID-wallet opgenomen woonplaatsverklaring bijvoorbeeld ook erkend worden als een formele verklaring van een buitenlandse belastingdienst. Door deze gegevens te gebruiken kan beter worden samengewerkt, waardoor bijvoorbeeld dubbele belastingheffing eenvoudiger kan worden voorkomen.
Het uitgeven en gebruik van btw-nummers wordt een van de onderdelen van de uit te voeren gebruikstest waarin de Nederlandse Belastingdienst in 2026 participeert. Ook landoverschrijdende vertegenwoordiging door organisaties, het aanvragen en uitgeven van woonplaatsverklaringen en het digitaal indienen van belastingaangiftes gaan deel uitmaken van de gebruikstest die volgend jaar zal worden uitgevoerd. Door deel te nemen aan de test kan de Belastingdienst zich optimaal op de invoering voorbereiden.
Wilt u meer weten over de ID-wallet? Kijk dan op deze site.

De Nederlandse Belastingdienst helpt mee aan de ontwikkeling van de Europese ID-wallet. Met de ID-wallet kunnen persoonlijke gegevens binnen de EU veilig en eenvoudig gedeeld worden. De ID-wallet zal zowel voor bedrijven als voor particulieren beschikbaar zijn.
LEES VERDER
Het inmiddels demissionaire kabinet is van plan om op Prinsjesdag een 52% pseudo-eindheffing in de loonbelasting in een wetsvoorstel op te nemen. Als dit plan doorgaat, is een werkgever vanaf 2027, als hij aan een werknemer een auto van de zaak ter beschikking stelt, 52% belasting verschuldigd over de bijtelling van de auto van de zaak. De pseudo-eindheffing geldt niet als de auto geen CO2 uitstoot of als de auto niet voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld.
Het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers is op 19 mei 2025 bij de Tweede Kamer ingediend. Hierin is onder meer opgenomen dat uitzendkrachten recht krijgen op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst bij de inlener. Verder is opgenomen dat de periode van zes maanden, die nodig is na drie tijdelijke contracten om weer een nieuw tijdelijk contract aan te bieden, verlengd wordt naar vijf jaar. Hierop is een beperkt aantal uitzonderingen mogelijk. Ook opgenomen is de introductie van vaste basiscontracten met een minimumaantal standaard roosteruren in plaats van de huidige oproepcontracten.
Het demissionaire kabinet wil een plan uitwerken voor een fiscale regeling voor start- en scale-ups. Het voorstel is om de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het voorstel is om ook het moment van belastingheffing uit te stellen naar uiterlijk het moment waarop de aandelen – die verkregen zijn na uitoefening van de aandelenopties – worden verkocht.
In de Voorjaarsnota 2025 is opgenomen dat de versoepeling pseudo-eindheffing RVU, waardoor tot een bedrag van de drempelvrijstelling (in 2025 € 2.273 per maand) geen 52% pseudo-eindheffing verschuldigd is, met drie jaar wordt verlengd tot en met 2028. Voorwaarde is dat de RVU’s beheerst en gerichter worden ingezet voor werknemers die door de zwaarte van hun werk niet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. Daarnaast is budget opgenomen om de drempelvrijstelling met € 300 per maand te verhogen. Ter dekking van de verlenging en de verhoging, wordt de verhoging van de pseudo-eindheffing vanaf 2026 in stappen verhoogd tot 65% in 2028.
In de Voorjaarsnota is afgesproken om het minimumjeugdloon per 1 januari 2027 voor een 20-jarige te verhogen van 80% naar 87,5%, voor een 19-jarige van 60% naar 75%, voor een 18-jarige van 50% naar 62,5%, voor een 17-jarige van 39,5% naar 50% en voor een 16-jarige van 34,5% naar 40% van het wettelijk minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder. Verder heeft het kabinet voorgesteld om het percentage dat werkgevers voor huisvestingskosten mogen inhouden op het minimumloon vanaf 2026 jaarlijks te verlagen met 5%.
Een rechter oordeelde dat de belastingrente op aanslagen vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Naar aanleiding van veel bezwaarschriften zijn alle bezwaren tegen de vanaf 1 oktober 2020 in rekening gebrachte belastingrente voor onder meer de loonbelasting aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat de Belastingdienst nu nog geen uitspraak doet op deze bezwaren, maar deze aanhoudt totdat de diverse vragen over de belastingrente in de rechtspraak definitief zijn beantwoord. Om aan te sluiten bij de massaalbezwaarprocedure moet u wel tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening van de aanslag, bezwaar maken tegen de belastingrente.
De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat voor uitleners vanaf 2027 een toelatingsstelsel introduceert. Alleen uitleners die toegelaten worden, mogen dan straks nog arbeidskrachten ter beschikking stellen én inleners mogen alleen nog arbeidskrachten inhuren via toegelaten uitleners. Uitleners moeten voor toelating beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), moeten een waarborgsom van € 100.000 (starters € 50.000) storten en moeten aantonen dat ze voldoen aan relevante wetgeving.
Er ligt een initiatiefwetsvoorstel waarin een duidelijk wettelijk toetsingskader wordt voorgesteld om te bepalen wanneer als zelfstandige kan worden gewerkt met daarin twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Er is een aparte toetsingscommissie in het initiatiefwetsvoorstel opgenomen die werkrelaties kan beoordelen om zo duidelijkheid aan de markt te verschaffen. Verder wordt in het initiatiefwetsvoorstel de introductie van het rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van een uurtarief voorgesteld, dat feitelijk een bodem in de markt voor zzp’ers legt.
De Wet banenafspraak treedt voor een deel per 1 januari 2026 in werking. Zo heeft u vanaf 2026 structureel recht op het LKV-werknemers uit de doelgroep van de banenafspraak en heeft u ook geen doelgroepverklaring meer nodig. Aan de doelgroep worden toegevoegd Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werkzaam zijn bij een reguliere werkgever en mensen met een IVA-uitkering die werken met loondispensatie. Voor de scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk bestaat vanaf 2026 geen recht meer op het LKV.
Het demissionaire kabinet wil twee bewijsvermoedens introduceren waardoor de Belastingdienst eenvoudiger een inlener of doorlener aansprakelijk kan stellen. Het eerste bewijsvermoeden betreft het vaststellen van de omvang van de aansprakelijkheidsschuld op maximaal 35% van de factuursom, zonder dat de Belastingdienst onderzoek hoeft te doen naar de werkelijke omvang. Het tweede bewijsvermoeden is dat een onderneming die ingeschreven is in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, een uitlener is. Voor beide bewijsvermoedens zou wel een tegenbewijsmogelijkheid komen.
Let op! Het voorgaande is slechts een zeer compacte samenvatting van de maatregelen. Neem voor meer informatie contact op met onze adviseurs. Houd er bovendien rekening mee dat een hoop maatregelen nog in wetsvoorstellen moeten worden opgenomen en/of door de Tweede en Eerste Kamer moeten worden aangenomen. Bovendien is het kabinet inmiddels demissionair. Het is daarom onduidelijk of alle aangekondigde maatregelen ook daadwerkelijk doorgang vinden.

De afgelopen periode hebben zich meerdere ontwikkelingen op het gebied van lonen voorgedaan. Wij hebben er tien voor u op een rij gezet.
LEES VERDER
De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (ook wel de dga -taks) regelt grofweg dat de dga die te veel heeft geleend bij de eigen bv, hierover belasting betaalt. Er geldt een drempel van € 500.000. Een dga met schulden aan zijn bv(‘s) die op 31 december 2025 hoger zijn dan € 500.000, betaalt over het meerdere belasting in box 2.
Let op! Als de dga in 2023 of 2024 al belasting betaalde over een te hoge schuld bij eigen bv, dan wordt de drempel van € 500.000 verhoogd met de schuld waarover in 2023 of 2024 al belasting betaald is. De dga betaalt dus geen belasting over een schuld waar hij in een eerder jaar al belasting over betaalde.
Maar wat nu als de dga in België woont en een schuld groter dan € 500.000 heeft bij zijn in Nederland gevestigde bv? Op grond van de Nederlandse wet moet hij dan belasting betalen in box 2 over het deel van de schuld boven de € 500.000. Maar mag Nederland deze belasting ook heffen op grond van het Belastingverdrag tussen Nederland en België?
De Belastingdienst geeft aan dat het antwoord op deze vraag in principe nee is. Nederland mag dus in principe geen belasting heffen als een inwoner van België een schuld van meer dan € 500.000 heeft bij zijn in Nederland gevestigde bv.
Dit is alleen anders als de dag na 15.15 uur op 15 september 2015 verhuisde naar België en daarbij een conserverende aanslag IB is opgelegd vanwege de aandelen in de in Nederland gevestigde bv. In zo’n geval kan een schuld groter dan € 500.000 wel leiden tot invordering van de conserverende aanslag IB, aldus de Belastingdienst.

Nederland mag in principe geen belasting heffen als een inwoner van België een te grote schuld heeft aan zijn in Nederland gevestigde BV.
LEES VERDER
Door de Richtlijn Tijdelijke Bescherming kunnen gevluchte Oekraïners in de Europese Unie verblijven zonder dat zij asiel hoeven aan te vragen. Op 13 juni stemden de Europese ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken in met het voorstel van de Europese Commissie om de richtlijn te verlengen tot en met 4 maart 2027. Zonder deze verlenging zou de richtlijn eindigen op 4 maart 2026.
Let op! De formele besluitvorming vindt waarschijnlijk eind juni plaats in de Raad van de Europese Unie.
Op de website van de IND is te vinden voor wie de Richtlijn Tijdelijke Bescherming geldt.
Voor mensen die niet de Oekraïense nationaliteit hebben, maar in Oekraïne verbleven met een tijdelijke verblijfsvergunning, stopte de tijdelijke bescherming in ieder geval op 4 maart 2024. In afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU en de Raad van State mochten zij toch langer gebruikmaken van de tijdelijke bescherming, maar dit stopt op 4 september 2025. Op de website van de IND is meer informatie te vinden over de gevolgen.
Een Oekraïner die bij een gemeente is ingeschreven, krijgt van de IND een bewijs van verblijf (een sticker in het paspoort, een los papier of een los pasje). Dit bewijs van verblijf heeft een Oekraïner nodig om in Nederland te mogen werken. Het is niet nodig om een tewerkstellingsvergunning aan te vragen als de Oekraïner een arbeidsovereenkomst, een bsn, een geldig paspoort, identiteitsbewijs of reisdocument en een bewijs van verblijf heeft.
Let op! De werkgever moet de echtheid en geldigheid van het paspoort, identiteitsbewijs of reisdocument controleren op edisontd.nl.
Werkgevers moeten de Oekraïner wel online melden bij het UWV via het meldingsformulier ‘Melden tewerkstelling werknemer’, uiterlijk twee werkdagen voor de eerste werkdag van de nieuwe werknemer.
Let op! Blijft de werknemer langer of korter bij u in dienst en krijgt hij een andere functie? Dan bent u verplicht om deze wijziging(en) online door te geven aan het UWV via hetzelfde meldingsformulier.

De tijdelijke bescherming voor gevluchte Oekraïners wordt verlengd tot en met 4 maart 2027.
LEES VERDER
U had over het jaar 2024 recht op LIV voor een werknemer als deze in 2024 een gemiddeld uurloon had van minimaal € 14,33 en maximaal € 14,91. Een andere voorwaarde is dat u voor deze werknemer minimaal 1.248 uren verloonde in 2024.
Het LIV bedroeg in 2024 € 0,49 per uur met een maximum van € 960 per werknemer.
Er zijn een aantal doelgroepen waarvoor u recht kunt hebben op een LKV, te weten oudere werknemers, arbeidsbeperkte werknemers en werknemers uit de doelgroep van de banenafspraak en scholingsbelemmerden.
Tip! Kijk voor meer informatie over de voorwaarden op de website van het UWV.
De Belastingdienst is begonnen met het sturen van de beschikkingen Wtl 2024. In deze beschikking staat het bedrag dat u ontvangt voor het LIV en/of het LKV over het jaar 2024. De definitieve berekening hiervan is in de bijlage bij de beschikking opgenomen.
Let op! De Belastingdienst betaalt het bedrag binnen zes weken na dagtekening van de beschikking.
Klopt de beschikking niet, dan kunt u bezwaar maken. Doe dit wel op tijd, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening van de beschikking.
Let op! Kloppen de verloonde uren niet, controleer dan eerst of dit misschien komt door afrondingsverschillen. In de aangifte loonheffingen worden de verloonde uren namelijk afgerond op hele uren. De berekening in de beschikking Wtl 2024 zijn hierop gebaseerd.
Is bij u sprake geweest van overgang van een onderneming of contractovernames waarbij de arbeidsovereenkomsten door de nieuwe werkgever ongewijzigd worden voortgezet? Dan heeft u mogelijk toch recht op een LKV of LIV.
De Hoge Raad oordeelde in ieder geval dat een LKV niet vervalt bij overgang van een onderneming. Het recht op een LKV blijft bestaan, mits aan de voorwaarden voor toepassing van het LKV is voldaan.
Een gerechtshof oordeelde verder dat recht kan bestaan op LIV na overgang van een onderneming, omdat de verloonde uren van de (in die casus) eenmanszaak en de bv waarin deze was ingebracht bij elkaar opgeteld mogen worden.
Let op! Heeft u vragen over de beschikking Wtl 2024 of wilt u deze laten controleren? Neem dan contact op met onze adviseurs.

Werkgevers die recht hadden op het lage-inkomensvoordeel (LIV) of een loonkostenvoordeel (LKV) over 2024 ontvangen vóór 1 augustus 2025 de beschikking Wtl 2024. Controleer deze goed en maak waar nodig bezwaar.
LEES VERDER
De Belastingdienst geeft aan dat in de situatie dat als de hoogte van een jaarlijkse gift gekoppeld is aan de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger bij dezelfde vereniging (ANBI), dit niet leidt tot een periodieke gift.
Voor een periodieke gift is namelijk vereist dat minstens vijf jaar lang jaarlijks hetzelfde bedrag wordt geschonken. Bij een koppeling aan de verdiensten als vrijwilliger is hiervan geen sprake omdat de hoogte van de gift en de looptijd hiervan dan afhankelijk is van de als vrijwilliger verrichte werkzaamheden. De gift wordt dan dus niet als periodieke gift aangemerkt.
Let op! U kunt de gift in beginsel wel als ‘andere gift’ in aftrek brengen van het inkomen, maar dit is fiscaal minder aantrekkelijk. De gift is dan namelijk slechts aftrekbaar voor zover het bedrag meer dan 1% van het verzamelinkomen bedraagt, met een minimum van € 60 en een maximum van 10% van dit verzamelinkomen.
Van een periodieke gift kan wel sprake zijn bij ontkoppeling van de hoogte van de jaarlijkse gift en de vergoeding als vrijwilliger. Zo kan een schenkingsovereenkomst worden gesloten, waarbij aan de vereniging minstens vijf jaar lang een vast bedrag wordt geschonken en waarbij de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger hiermee wordt verrekend.
Let op! Is in deze situatie de vergoeding echter minder dan de jaarlijks afgesproken gift, dan zal het verschil moeten worden bijbetaald door de vrijwilliger.
Vereist is ook dat de vereniging de vrijwilligersvergoeding moet kunnen en willen betalen en er mag geen contractuele koppeling zijn tussen de vergoeding en de gift.

Als je de hoogte van een vrijwilligersvergoeding koppelt aan een jaarlijkse gift aan een ANBI, kan deze dan als periodieke gift worden aangemerkt? De Belastingdienst geeft aan van niet, maar geeft wel duiding op welke manier dit effect toch deels kan worden bereikt.
LEES VERDER
Premies volksverzekeringen betaalt u in 2025 over maximaal € 38.441. Het premiepercentage bedraagt 27,65% en bestaat uit 17,9% premie AOW, 0,1% premie Anw en 9,65% premie Wlz. In een rechtszaak was de vraag aan de orde of het terecht is dat het premiemaximum van in 2025 € 10.628 per jaar, niet tijdevenredig wordt toegepast, als een premieplichtige komt te overlijden.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelde in een uitspraak in 2023 vast dat het premiemaximum bij overlijden niet tijdevenredig kon worden verminderd. In de daarvoor geldende wettelijke regeling is namelijk vastgelegd dat bij overlijden geen tijdevenredige vermindering plaatsvindt.
Het is vervolgens niet aan de rechter om de innerlijke waarde of billijkheid van zo’n regeling te toetsen. Zo’n regeling kan in uitzonderingsituaties onverbindend verklaard worden als de regeling leidt tot een heffing die de wetgever niet op het oog had of bij strijd met algemene rechtsbeginselen of Europees recht. Hiervan was hier geen sprake. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat dit maximum een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Verder oordeelde het gerechtshof dat geen sprake was van strijd met algemene rechtsbeginselen.
Het gerechtshof oordeelde ook dat geen sprake was van discriminatie (zoals bedoeld in artikel 1, twaalfde protocol EVRM) ten opzichte van een emigrerende werknemer. Bij emigratie geldt namelijk wél een tijdevenredig maximum. Het Hof stelde vast dat bij emigratie zo voorkomen kan worden dat er sprake kan zijn van dubbele premieheffing en overschrijding van het premiemaximum. Dit risico doet zich bij overlijden niet voor. Anders dan de erven van de overleden premieplichtige meenden, was het gerechtshof daarom van mening dat de situatie bij overlijden niet kan worden vergeleken met die van emigratie.
Verder oordeelde het gerechtshof dat de andere Europese regels waarop de erven zich beriepen (45 en 48 VWEU) niet van toepassing waren. Het gerechtshof liet de aanslag dan ook in stand. De Hoge Raad oordeelde dat de in cassatie ingediende klachten tegen de uitspraak van het gerechtshof niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak. Zonder nadere motivering liet de Hoge Raad de uitspraak dan ook in stand.

Over uw inkomen in box 1 betaalt u naast belasting ook premies volksverzekeringen met een maximum van in 2025 € 10.628 per jaar. Dit maximum wijzigt niet als u in de loop van het jaar komt te overlijden. De Hoge Raad liet zonder nadere motivering een uitspraak van een gerechtshof hierover, in stand.
LEES VERDER
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

Have you applied for a VAT refund and is the processing taking a long time? If so, you may be entitled to compensation for tax interest.
READ MORE
It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.
At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years.
Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return.
The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:
For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

In a letter to the House of Representatives, the State Secretary for Finance has outlined the current situation regarding the introduction of the right of access to tax records. This right of access will be introduced in phases.
READ MORE
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.

The legal presumption of an employment contract for an hourly rate below €38 will come into force on 31 December 2026. What does this mean for you as a client or company?
READ MORE
Solvit is a body established by the European Commission that mediates in disputes regarding the correct application of EU law. Solvit’s services are free of charge.
The issues you can bring to Solvit are diverse. These include problems related to visas, child benefits, or pensions. For businesses, issues concerning trade and services, the recognition of professional qualifications, and VAT refunds are particularly relevant.
Please note!You cannot use Solvit if you have a problem with another business, if you have a problem as a consumer, or if you are seeking compensation. Solvit also cannot help if your case has been brought before a court.
A complaint or problem can be submitted online. You must indicate the nature of the problem and which government agency you wish to report the issue to. You may also attach relevant documents, such as correspondence. After submission, the Solvit center in your own country will contact you to prepare your case and then forward it to the Solvit center in the country to which your complaint relates. The goal is to resolve a problem within ten weeks.
On the Solvit website, you’ll find numerous examples of cases that have been resolved with Solvit’s help. These include, for example, the failure to refund VAT or delays in doing so. Another case involves the refusal to issue a certificate of inheritance. Yet another example involves the refusal to allow a product onto the French market, even though it complied with European regulations.
Solvit can also be contacted if you need advice on your EU rights. If necessary, you will be referred to services that can provide better assistance. Requests for advice are answered within a week.

Are you, as a citizen or business, facing problems because a government agency in another EU country, Iceland, Liechtenstein, or Norway is not complying with EU law? If so, you can try to resolve this through Solvit.
READ MORE
If you owe taxes, you will receive a notice from the Tax and Customs Administration. The new account number will be included in the notice regarding the taxes due.
Please note!The new account number does not affect the payment method. For example, online payments will still be possible.
If you pay the Tax and Customs Administration periodically via direct debit, you do not need to do anything. The payments will be automatically transferred to the new account number.
You only need to be careful if you have arranged a recurring payment differently, for example via a recurring transfer with your bank. In that case, you must ensure that the account number is updated yourself.
If you accidentally use the “old” account number for a payment to the Tax Authority, your payment will still be forwarded to the Tax Authority and processed there for the time being. The Tax Authority has made arrangements with ING regarding this, so that taxpayers are not penalized.
To pay a provisional or final income tax assessment, you can use the new account number starting April 20, 2026.
The Benefits Service is also switching to Rabobank and will therefore have a new account number starting May 1, 2026. From that date, you can make payments to the Benefits Service using the new account number NL04 RABO 0200112244. The Benefits Service will make its first payments from this number on Monday, June 22, 2026.
Please note! Here too, if you make a payment to the old account number, the payment will be forwarded to the Tax and Customs Administration’s new account number for the time being.
Due to the change in account numbers, the Tax and Customs Administration strongly warns against phishing. Criminals regularly attempt to collect non-existent tax debts from taxpayers via email, text message, WhatsApp, or by phone. However, the Tax and Customs Administration never collects taxes in this manner. If you are unsure whether a message is genuine, follow the step-by-step guide on the Tax and Customs Administration’s website and verify the account number.

As of May 1, 2026, the Dutch Tax and Customs Administration and the Benefits Service will switch from ING to Rabobank. This means that the account numbers will also change.
READ MORE
For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.
Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.
The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.
The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Wwft Supervision Bureau, a division of the Tax and Customs Administration, oversees compliance with the ban.
Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.
Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.

Starting January 1, 2026, Dutch merchants may no longer make or accept cash payments of €3,000 or more. The base amount of the fine for violating this prohibition is a fixed amount of €10,000.
READ MORE
It is particularly common among migrant workers for employers to provide accommodation and deduct an amount from the employee's wages for this. In the case of the minimum wage, this deduction may still be a maximum of 25% of that wage in 2025.
The government believes that the deduction can encourage a model of earning and dependence on the employee. This can lead to the exploitation of migrant workers. The government therefore wants to abolish the scheme.
The proposal is to reduce the deduction by 5% per year from 2026 and to completely abolish the possibility of deducting housing costs from the statutory minimum wage from 2030.
| Year | Maximum deduction percentage |
| 2025 | 25 |
| 2026 | 20 |
| 2027 | 15 |
| 2028 | 10 |
| 2029 | 5 |
| 2030 | 0 |
Tip! Employers will still be allowed to provide housing for their employees from 2030 onwards. However, it will no longer be possible to deduct part of the costs from the statutory minimum wage.
The proposal has been submitted for internet consultation. Responses to the proposal can be submitted until June 6, 2025.

In the Netherlands in 2025, employers will be allowed to deduct a maximum of 25% of the minimum wage from an employee's statutory minimum wage to cover the costs of housing. The proposal off the Dutch government is to reduce this percentage by 5% annually from 2026 to 2029.
READ MORE